Opheffer

Aanzien

In Londen zit ik in een club met enkele Engelse stand-up comedians (en een enkele Nederlandse stand-upper). Aardige jongens die Engelsen, die niet, zoals in Nederland, het ideaal hebben om snel een eigen televisieprogramma te presenteren, maar die stand-up zien als een way of life. Optreden in verschillende theaters met een mentaliteit die per definitie tegendraads is. Tegendraadsheid als levensmotto. Het spreekt mij erg aan. We noemden dat vroeger anarcholiberalisme.

Het zijn geen domme jongens. Bijna allemaal hebben ze een universitaire studie achter de rug of zijn daarmee bezig. Ik volg hun onderlinge discussie. Het gaat over het nieuwe boek van Ian McEwan, dat ik niet heb gelezen, maar zij wel. Ook zij beklagen zich erover dat niemand meer leest. En opeens hoor ik iets interessants: ‘Schrijvers hebben geen status meer.’

Precies dezelfde woorden gebruikte Nelleke Noordervliet een week geleden in mijn radioprogramma. Ik ontkende het nog hevig. Ik probeerde het te nuanceren door te beweren dat alleen Nederlandse schrijvers aan statusverlies lijden. Maar nu zeiden deze Engelse jongens (en meisjes) hetzelfde. ‘Stand-upper zijn heeft tegenwoordig meer status dan schrijver zijn’, zei John, ‘omdat schrijvers niet om te lachen zijn, denk ik.’

‘Niemand leest meer’, zegt Gerrard, ‘alleen oude dametjes. Als een jongere een boek leest, is het Dan Brown of The Secret – waarschijnlijk gekregen van zijn moeder.’

Ze vragen hoe de situatie in Nederland is. Ik leg uit dat de beroemdste schrijvers in Nederland óf niet in Nederland wonen, zoals Arnon Grunberg, of zich, zoals A.F.Th. – zelfs als ze een column hebben – niet bemoeien met het maatschappelijk debat. Ik zeg dit op de dag dat er een stuk van Joost Zwagerman in de krant staat over Wilders die je niet met Hitler mag vergelijken, en ofschoon ik het een aardig geschreven artikel vind, doet de boodschap me tamelijk ouderwets aan. Alsof ik een stuk van Hans Smits uit een Vrij Nederland van 1973 lees. Maar Zwagerman roert zich gelukkig, en hij is min of meer accepté, zoals Geert Mak dat ook is. (Trouwens, die is zeer populair in Engeland.)

Terwijl de jongens verder praten, vraag ik me af waardoor het statusverlies van de Nederlandse auteur wordt veroorzaakt. Ten eerste zijn er geen invloedrijke literaire bladen meer. Ik kan het niet eens zijn met de poëtica van A.F.Th. of Grunberg, maar een stuk van enige lengte daarover kan ik nergens kwijt. Ik ben aangewezen op kranten en die kunnen maar een beperkte lengte aan, zeker als het zou gaan om literaire discussies. Ten tweede is het je bemoeien met het maatschappelijk debat nooit populair geweest bij Nederlandse auteurs.

En ten derde geloof ik dat Nederland wat betreft het denken nog steeds een goed/fout-land is. Je bent goed (meestal links, stemt pvda of d66, desnoods GroenLinks) of je deugt niet (sp, vvd, Wilders of Rita). Ik denk dat wanneer Joost Zwagerman met heel zijn hart had geschreven dat hij zich sterk wil maken voor Rita of Geert zijn status enorm gedaald zou zijn. Dat zou ook gelden voor Geert Mak. Ik meen bijna zeker te weten dat toen in de jaren zeventig Gerard Reve zei dat hij een hekel had aan de pvda en links Nederland hij aan aanzien verloor, waarna men hem minder serieus ging nemen. In Frankrijk en Amerika is dit heel anders, zelfs in Duitsland en Engeland gaat het niet zo. Weldenkendheid in zogenaamd invloedrijke kringen is bij ons nog steeds verbonden met een bepaalde politieke kleur, terwijl werkelijk invloedrijke kringen zich alleen maar bezighouden met het effect van een bepaalde bewering. Nederlandse schrijvers lijken bang ervan beschuldigd te worden het ‘verkeerde’ standpunt te omarmen en lopen daarom altijd achteraan, zeker in Europa. Karel van het Reve was niet echt geliefd toen hij zich in de jaren zestig en zeventig verzette tegen het communisme. Ik legde dit mijn Engelse vrienden voor.

‘Hm… Ik zie geen verschil tussen Britse en Nederlandse schrijvers’, zeiden ze.