Aap noot ali

‘IK BEN RIK’, zegt het blonde jongetje in het schoolboek Veilig leren lezen. ‘Ik vis’, zegt het Surinaamse jongetje dat op het plaatje ernaast met een hengel aan een oer-Hollandse slootkant zit. Directeur Rien Stout van de Jules Verne-school in De Grote Waal, een buitenwijk van Hoorn, kijkt toe hoe de leerlingen uit groep drie zwoegen op de leesles. Hij wijst: ‘Dat is een Turks kind, die komt uit Marokko, dat meisje is Somalisch, dat groepje komt uit Joegoslavië en dat jongetje daar uit Irak. Zijn vader is voor zijn ogen vermoord.’

Van de 220 kinderen op deze openbare basisschool zijn er zo'n 180 allochtoon. Voor het hek wachten Turkse, Marokkaanse en Nederlandse moeders tot de school uitgaat. Maar veel ‘witte’ ouders fietsen ’s ochtends vroeg met hun kinderen langs en trappen flink door, naar een andere, minder gekleurde school. Of ze gaan definitief weg uit De Grote Waal. Voor dat kilometers omfietsen en dat verhuizen bestaat al een naam: de witte vlucht.
De segregatie in het basisonderwijs is de laatste jaren alleen maar verder toegenomen, meldde onlangs het Sociaal en Cultureel Planbureau. Neem de Burgemeester Visserschool in Naarden - daar kwamen opeens veel Marokkaanse leerlingen. Waarop de witjes wegbleven. De school liep leeg en moest deze zomer zijn deuren sluiten.
Rien Stout geeft een rondleiding door zijn Jules Verne-school. 'Er zijn hier gelukkig nog witte ouders die vinden dat hun kinderen op een multiculturele school horen te zitten, maar als zij een klassefoto laten zien aan de visite, wordt er geschokt gereageerd: zitten er zóveel buitenlandse kinderen bij Marietje in de klas? Het zijn de volwassenen die er een probleem van maken, niet de kinderen. Die zien het verschil niet eens. Toen ze voor het eerst hun ogen open deden, liep er toevallig een Marokkaans jongetje langs.’
Maar dat Marokkaanse jongetje trekt natuurlijk het niveau naar beneden van Marietjes klas. 'Onzin’, zegt Stout. 'De schoolprestaties van de allochtone kinderen zijn niet anders dan die van de Nederlandse. Het kost wat meer inspanning, maar ze komen er. Ik doe al twintig jaar dezelfde toets hier op school, juist om die geruchten tegen te kunnen spreken. Vorige week scoorde een Turkse jongen als hoogste van de klas op die toets, zelfs als hoogste van de laatste paar jaar. En vorig jaar hadden we acht Marokkaanse kinderen in de hoogste groep, van wie er zes naar havo/vwo gingen. Als het in een kind zit, halen wij het eruit.’
We lopen door naar groep 5, een paar lokalen verder. Daar haalt de klas net met veel lawaai de boekjes Taalkabaal te voorschijn.
Vandaag gaat het over Said en Tom. Ze spelen bij Said thuis. Zijn moeder is er ook. Ze heeft een hoofddoek om. 'Tom kijkt naar de moeder van Said. Ze schenkt thee in de kleine kopjes.’
'Het valt niet mee’, zegt Stout, 'om geschikt lesmateriaal voor onze leerlingen te vinden. Wij willen dat het in die boekjes niet alleen gaat over Martin en Truus, maar ook over Ahmed en Samira.’ Maar wat politiek-correcte namedropping is niet voldoende. Het is heel belangrijk, zegt Stout, dat ook de buitenlandse kinderen zich aangesproken voelen door een leerboek. De schooldirecteur pakt een deeltje Wereldorientatie uit de kast, en wijst met instemming op de hoofdstukken 'Godsdiensten van de wereld’ , 'Wonen in Marokko’ en 'Nederland en vluchtelingen’. 'Wij doen hier geen interculturele activiteiten’, zegt Stout. 'We gaan niet met z'n allen Turkse thee zetten of dia’s kijken over Marokko. Dat stadium zijn we voorbij. We zijn een multiculturele school en dat moet vanzelfsprekend zijn, ook in de leerboeken.’
HET ONDERWIJS moet intercultureel worden. Al sinds 1985 staat dat in de Onderwijswet. Want kijk naar Amsterdam-Zuidoost. Daar wonen mensen van meer dan honderd verschillende nationaliteiten, wier nageslacht allemaal bij elkaar op school zit. Dan krijg je als onderwijzer met de meest uiteenlopende problemen te maken. Zoals de bekende taalachterstand. Vierjarige allochtone kleuters spreken vaak nauwelijks een woord Nederlands, en begrijpen dus niets van het dagelijkse kringgesprek met de juf. Of neem de Iraanse rekenmethodiek. Daarin komen, anders dan in de Nederlandse, optellen en aftrekken vóór vermenigvuldigen en delen. Met dus een heel andere uitkomst. 36 - 8 x 3 is volgens ons 12, maar in Iran is dat 84. Dat moet je maar weten, wil je iets snappen van de rekenproblemen van dat verder helemaal niet domme Iraanse meisje. En welke feesten vier je als school? Alleen Sinterklaas en Kerst, of ook het einde van de ramadan en het Turkse kinderfeest op 23 april?
De Pedagogische Academie voor het Basis Onderwijs in Amsterdam (Pabo) leidt stagiairs en docenten op voor scholen in Amsterdam en omgeving met een hoog percentage allochtone leerlingen. 'Die leerlingen hebben vaak problemen met het begrip van het Nederlands, want dat is hun tweede taal’, zegt Pabo-docente Corry Brouwer. 'Niet hun denkkracht schiet tekort, maar hun woordenschat. Dat werkt door in alle vakken op de basisschool. Ze lopen stuk op de “schooltaal’, op woorden als omcirkelen, produkt, turven, en vervolgens. Daar moet dus extra veel aandacht aan gegeven worden.’
De Pabo-studenten moeten de didactiek van Nederlands als tweede taal in de vingers krijgen, moeten potentiële struikelwoorden voor hun leerlingen leren herkennen en uitleggen in plaats van ze te omzeilen (dus leg maar eens uit waarom de tafel van zes een tafel is), en het enorme belang van goed woordenschatonderwijs inzien. 'De multi-etnische leraar heeft net iets meer’, zegt Brouwer. 'Die weet wat van de islam af en kan communiceren met Turkse ouders. En onze studenten moeten - veel meer dan vroeger - in staat zijn om aan een klas op verschillende niveaus les te geven. Dat is ook goed voor de Nederlandse kinderen, want volgens de Onderwijswet hebben kinderen recht op hun eigen ontwikkeling.’
Veel leraren hebben aanvankelijk verkeerd gereageerd op de verkleuring van hun klas, zegt Brouwer. Ze gingen simpel praten en moeilijke dingen overslaan, waardoor allochtone kinderen nog verder achterop raakten en niet goed konden doorstromen naar de hogere middelbare schooltypen. Rien Stout bevestigt dat: 'We deden maar wat. In 1969 zijn we hier begonnen met vier Turkse kinderen. Die stonden hier met blote voetjes op de stoep. We hebben ze zo goed en zo kwaad als dat ging opgevangen.’ Van de leesles begrepen de Turkse kinderen niet veel, en aanvullend lesmateriaal was er niet. Dat maakte men op de Jules Verne-school maar zelf.
Inmiddels is er in Hoorn van alles veranderd. De school biedt de mogelijkheid tot kleuterschoolverlenging - kinderen die op grond van hun leeftijd in groep 3 kunnen zitten maar het Nederlands niet genoeg beheersen, gaan nog een jaartje in de 'tussenklas’. Stout: 'In de loop van dat jaar gaan ze vaak spontaan lezen en wordt de achterstand een voorsprong in het volgende schooljaar.’ Overal in de school zitten groepjes kinderen apart om bijgespijkerd te worden. 'Vaak geven we preventieve hulp’, zegt Stout. 'De dag voor er les is over de watertoren, waarin bijvoorbeeld moeilijke begrippen voorkomen als "communicerende vaten”, komt onze Turkse leerkracht dat aan de Turkse kinderen uitleggen. Een dag later wordt het klassikaal besproken en dan snappen zij het al - dat geeft hen een veilig en trots gevoel.’
TOEN DE Nederlandse overheid begin jaren tachtig eindelijk ging toegeven dat veel migranten en dus ook hun kinderen hier bleven, begon in het onderwijs door te dringen dat alles anders moest. Opeens kon het echt niet meer: met de hele klas Ot en Sien lezen. Dat verhaal over Mariannetje en Moriaantje! 'De negers wonen in een land hier heel ver vandaan, zegt moeder. Ze zijn zwart. De vaders, de moeders, de kinderen, allemaal zijn ze zwart. Wat vies, zegt Trui, waarom wassen ze zich dan niet?’ In de brochure 'Lezen met een andere bril’ werd een paar jaar terug een opsomming gegeven van zo'n 200 leesboeken die wèl passen bij een 'geëmancipeerde en multiculturele samenleving’. En toen vielen óók rekenboekjes af waarin moeders altijd de boodschappen doen en vaders de huur betalen, en leesboeken waarin jongens altijd stoere helden zijn en meisjes om de haverklap moeten huilen.
'Wil je kinderen wat leren, dan moet je zorgen dat ze zich in het lesmateriaal herkennen’, zegt Ineke Mok van het Project AntiRacistische Evaluatie van Leermiddelen (Parel). Allochtone leerlingen die belangstelling krijgen voor literatuur, willen vaak boeken van 'zwarte’ schrijvers lezen. 'Je zoekt als kind altijd een lijntje’, zegt Mok. Het onderwijs zou daarop moeten inspelen. In de multiculturele klas voor elk wat wils, en dan graag interactie daarover. Dat is ook voor Nederlandse kinderen beter. Want 'witte’ scholen die ook nog eens alleen maar les geven over Wim, Zus en Jet, bereiden kinderen voor op een niet meer bestaande werkelijkheid. Intercultureel onderwijs daarentegen, zo heet het in pedagogisch jargon, zal jongeren 'voorbereiden op de multiculturele samenleving, respect meegeven voor culturele verscheidenheid en vooroordelen en racisme tegengaan’. En - als witte ouders deze voordelen tenminste ook believen in te zien - segregatie in het onderwijs tegengaan, is de hoop.
Alles moet anders; het schiet alleen niet erg op. De helft van de scholen doet nog altijd niets aan intercultureel onderwijs, want 'dat is iets voor allochtonen’. 'Ook bij sommige uitgevers leeft dat idee nog’, zegt Mok. 'Dat is echt onzin: intercultureel lesmateriaal is geschikt voor alle scholen, terwijl dat omgekeerd niet geldt.’
Schoolboekuitgevers proberen soms goede sier te maken met een haastig toegevoegd hoofdstuk over 'medelanders’, maar nog al te vaak, zegt Mok, wekt de rest van het boek de indruk dat Nederland uitsluitend bewoond wordt door blanke mensen uit de middenklasse. 'Het is schrijnend hoe vaak allochtonen enkel in verband worden gebracht met problemen.’ Ze pakt er een aardrijkskundeboek bij, waarin een hoofdstukje staat over 'problemen in stedelijke gebieden’. Als probleem numero een wordt genoemd: 'Concentratie van probleem- en kansarme groepen, zoals etnische en andere minderheden en werklozen.’ In een geschiedenisboek een foto van zes buitenlandse mannen die op een bankje in de zon zitten, met daaronder de briljante tekst: 'De werkloosheid onder buitenlanders is hoog.’ 'Er zijn er nog altijd méér die wel werken’, zegt Mok, 'maar positieve kanten worden niet getoond.’
Veel scholen houden krampachtig vast aan hun onderwijsmethode, zo stelde René Appel, hoogleraar Nederlands als tweede taal aan de Universiteit van Amsterdam, onlangs in zijn oratie. Hij sprak vooral over het taalonderwijs: voor Turkse en Marokkaanse kinderen met een taalachterstand is de leerstof doorgaans niet geschikt, maar toch wordt die niet ter discussie gesteld. En vol afgrijzen verhaalde hij over een Turks meisje dat het woordje 'balk’ tien keer in een schriftje moest schrijven, maar niet bleek te weten wat een balk eigenlijk is.
Ze zijn er wel, de intercultureel correcte leerboeken, en ze blijken niet alleen op 'zwarte’ scholen een succes. Ze proberen namelijk voor alle leerlingen glashelder te zijn, uit te stijgen boven stereotypen en kinderen serieus te nemen door recht te doen aan hun verschillen. Neem De grote reis. Dat is de eerste interculturele methode wereldoriëntatie voor alle klassen van de basisschool. 'Alle kinderen kunnen zichzelf in het lesmateriaal herkennen’, zegt leerkracht Bert Kouwenberg van de De la Rey-school in Den Haag, een openbare basisschool met ongeveer 75 procent allochtone leerlingen. In de hal, boven een rij kleine jasjes aan de kapstok, staan de namen van de kinderen: Ozlem, Lizzie, Nabila, Nina, Nawal, Nikkie. Kouwenberg werkt al vijftien jaar met anderen aan het ontwikkelen van intercultureel lesmateriaal, zoals De grote reis. 'Taal speelt een belangrijke rol in de lessen. We zeggen niet: dit is toch maar voor een zwarte school, dus we houden het simpel. Want als wij er niet in slagen om de kinderen voldoende taal bij te brengen, komt de klap bij het voortgezet onderwijs erg hard aan.’
Hij pakt er een deeltje van De grote reis bij voor de hogere klassen, waarin een vrolijke tekening staat van het Surinaamse jongetje Delano. Hij vertelt: 'Mi na Delano. Ik heet Delano. Laat me je vertellen fu mi granma, over mijn grootmoeder: Jessie. Aaj!’ 'We draaien de zaken vaak om in De grote reis’, zegt Kouwenberg. 'Wij proberen kinderen op verschillende manieren naar hetzelfde te laten kijken. Bij de behandeling van de middeleeuwen komt de hoofdpersoon in onze les terecht in Perzië, en ziet hoe ver de medische wetenschap daar is ontwikkeld. De ontdekkingsreizen kun je ook laten zien vanuit het perspectief van de Indianen.’
VANDAAG LEEST juf Tosca de kleuters van de De la Rey-school voor uit De grote reis. Kikker Kurba, afgebeeld op kleurige platen, beleeft tal van avonturen in het bos met de andere dieren. Rachid maant de springerige klas tot stilte: 'Luister naar de juffrouw!’ Mehmet komt net uit Turkije en kan het niet goed volgen. Als de andere kinderen gaan spelen, neemt Tosca met hem nog eens de woordjes door uit het verhaal. 'Er zijn ook veel Nederlandse kinderen die een kleine woordenschat hebben,’ zegt ze. 'Je ziet enorme verschillen in wat ze van thuis meekrijgen. We proberen hier op school aan te sluiten bij hun niveau en constant alles te benoemen.’
'Het is natuurlijk niet voor niks dat we zelf methoden zijn gaan maken’, zegt Kouwenberg. 'Er was niet veel op de markt dat wij geschikt vonden voor onze school. Als je de kinderen voldoende kennis wilt meegeven om de kloof te overbruggen tussen de wereld waar ze vandaan komen en deze prestatiemaatschappij, dan moet je perfect lesmateriaal hebben. Maar het was allemaal pionierswerk.’
Nederland loopt zijn achterstand in en probeert de allochtone jeugd wat te leren. Zo is er de nieuwe onderwijsmethode Taalplan Kleuters, die beoogt alle kleuters elke dag acht nieuwe woorden te laten leren, zodat ze na twee jaar kleuterklas niet alleen kunnen knippen en plakken, maar ook 1500 woorden kennen. Maar ondertussen is er een hele generatie van school gekomen met een onnodige achterstand.
Twee elfjarigen - Zakia, een Marokkaans meisje met prachtig lang haar en veel praatjes, en haar verlegen vriendinnetje Najab (Pakistaanse), geven een rondleiding door hun school. Ze laten de bibliotheek zien, het theatertje en hun zelfgemaakte 'kindermuseum’. 'Als mensen praten over zwarte scholen, denken ze niet aan dit soort dingen’, zegt Kouwenberg. 'Men heeft daar nog altijd een soort getto-idee over: allochtone kinderen zouden zich slecht kunnen concentreren, geen interesse hebben voor boeken, cultuur en kunst. Terwijl wij op school denken dat dat juist de weg zou kunnen zijn om de kansen van deze kinderen te vergroten.’
Er hangen foto’s aan de muur van de leerlingen uit groep acht. Zij gaan volgend jaar naar het voortgezet onderwijs. Kadir (12) poseert voor het schoolbord, met een tekstje eronder waarin hij vertelt dat hij later 'computerspecialist’ wil worden. 'Je moet op hoge scholen om het te worden. En daar laten ze je leren hoe je dat moet doen.’