Aapje olifantje

Een man/vrouw of acht aan de stamtafel, de stemming nadert melig, hij is er bij, zij ook, hem ken je niet, die daar weet je de naam niet van, de aandacht verslapt, daar is het nieuwe bier. Je slaagt er niet in de aandacht systematisch naar je toe te trekken. Schreeuw dan: ‘Wie kan dit precies nadoen?’ Tik vervolgens nogal nadrukkelijk en plechtig met de wijsvinger van de linkerhand achtereenvolgens tegen het topje van de pink, de ringvinger, de middelvinger en de wijsvinger van de gespreide rechterhand en zeg daarbij ‘aapje’, ‘aapje’, ‘aapje’, ‘aapje’. Dus vier vingers aantippen en vier keer aapje zeggen. Glij vervolgens met dezelfde linkerwijsvinger langs de rechterkant van de wijsvinger van de rechterhand omlaag, daarna omhoog naar de top van de duim, verlies niet het contact met de hand en zeg hierbij langgerekt ‘óóóóólifantje’.

Het gezelschap doet het na, ze hebben enorm goed opgelet en willen zich niet laten kennen. Aapje, aapje, aapje, aapje, óóóólifantje. Je ziet direct dat het helemaal fout is. Je doet het weer voor, nu wat langzamer. Aapje, aapje, aapje, aapje, ó óóóólifantje. De hele club in de weer, hilariteit, maar ook lichte wanhoop. Doen ze het goed? Eentje heeft je door, giechelend doet hij het voor. ‘Jij doet het goed’, zeg je, maar je zegt niet waarom. Dan doe je het weer voor, nu heel snel, aapjeaapjeaapjeaapjeóóóóólifantje. Er is nu een tweede die het door heeft, gelukkig is zij het. Zullen we het even samen voordoen, zeg je. Goed opletten, zeg je tegen de anderen, ik geloof dat jullie stront in de ogen hebben. De rest kijkt wanhopig toe hoe jullie gezamenlijk heel rustig nog maar eens even aapje, aapje, aapje, aapje, óóóóólifantje zeggen en daarbij het juiste ritueel uitvoeren. Een paar nieuwen hebben het door. Wat een lullige grap, roepen ze.
Bij de anderen is nu het angstzweet uitgebroken, ze voelen zich dom, anderen snappen wel wat zij niet snappen, ineens zitten ze weer in de schoolbanken, ze dreigen uit de boot te vallen, je voelt je nu kiplekker. Goed kijken, zeg je en daar ga je weer. Je ziet ze schichtig kijken, en nog steeds doen ze het fout, zelfs nu verder vrijwel iedereen het doorheeft en lekker met je mee zit te schreeuwen want zij voelen zich verschrikkelijk opgelucht. Het hele café roept ondertussen mee. AAPJE, AAPJE, AAPJE, AAPJE, OOOOLIFANTJE. Twee snappen het hierna nog steeds niet, hij is er ook bij. Die zullen het gewoonweg nooit snappen.
Nu kom je voor de keuze. Uitleggen of niet? Niet uitleggen betekent wanhoop en de hele avond aapje aapje olifantje, wel uitleggen is een zwaktebod. Je besluit wel uit te leggen. 'Moet je luisteren’, zeg je, 'steeds als ik aapje aapje etc zei en deed vouwde ik daarna mijn armen over elkaar, dat hoorde er dus ook bij, ik bedoel, dat armen vouwen moest je ook doen, snap je wel, dat was deel van de voorstelling.’ Ze snappen het, ze haten me, ze haten zichzelf en de wereld, de anderen grinniken. Laten we toepen, zegt iemand.