Aardappel

‘Het zachte ritselen van de elkaar loslatende weefsels is een vreugd voor het oor. De ontdekking van het eetbare binnenste een verrukking. Je weet - wanneer je de volmaaktheid van de naakte vrucht ziet, de verschillen, de gelijkenis, de verrassing en het gemak van de handeling - dat je iets goeds hebt verricht, lang geleden al door de natuur voorzien en gewenst maar waarvan de verdienste het gedaan te hebben aan jou toekomt.’

Over het schillen van een aardappel. Door Francis Ponge.
Iets dergelijks geldt voor de gelatinepudding. Wanneer je alle handelingen optelt die daar aan vooraf dienen te gaan, kun je deze pudding niet anders zien dan als de opperste bekroning, soms gezien de vorm zelfs in letterlijke betekenis, van de tafel.
Waar het begint, valt al lang niet meer te zeggen. De vonk die je gisteren tot verdere ontbranding bracht, was zelf al het resultaat van een reeks voorvallen en elkaar logisch opvolgende processen.
Toevallig woonde ook de broer van Sinterklaas bij ons in de buurt. Maar dat was nog niks. We hadden zelfs een echte visser op de gracht. Ik ging met zijn zoon, een met restjes wol omwikkeld stalen brilletje op z'n vettige neusvleugels hangend, op de Zeedijk een brood kopen. Niet veel meer dan een dikke, bijna zwarte steenharde korst. Vijfenveertig gulden.
Een paar keer in de week belde een jochie met een hoofdje als een doodskop aan en vroeg om soep voor zijn zusje. De goudsmid naast ons bracht wel eens een half pond tarwe. Gemalen in de koffiemolen tussen je knieën leverde dat met water en gist, op de uiterste rand van de kachel gebakken, stevige naar iets heel onbekends smakende broodjes op.
Nu weet ik eindelijk dat het de geur van een korenveld moet zijn geweest. Maar daarvan kende ik het bestaan niet eens. Gebeurtenissen strekken zich uit naar alle kanten. Vooruit en achteruit stellen daarbij niets voor.
Maar omdat die eerste gelatinepudding met bladgoud was doorspekt en niemand behalve ik dit zag, wil ik dat nog wel eens gezegd hebben.