Aardappel

Ik zal acht of negen zijn geweest toen een van onze buurvrouwen God ontdekte. Of liever gezegd: het gezicht van God. In een aardappel. Eerst staarde ze alleen maar, daarna legde ze hem voorzichtig op het aanrecht, liet haar mesje vallen en holde het huis uit. De hele middag zat ze bij mijn moeder in de keuken, bij te komen van de schrik. Een magere vrouw met een toen al ouderwets aandoend bloemetjesschort en lange, gelige nagels. Jaren heb ik niet aan haar gedacht, tot ze me zojuist te binnen schoot tijdens het snijden van een courgette. Dat gezicht. Die stem. De manier waarop ze, terwijl ze met grote ogen naar mijn moeder keek, één zin steeds herhaalde, op hoge toon: ‘Dat hij mij nou toch heb uitgekozen!’ Er sprak verbazing en een zekere nederigheid uit, maar het had ook iets kokets, denk ik nu. Alsof ze eigenlijk wel gedacht had dat Hij zich op een dag zou vertonen, speciaal voor haar, maar dat nooit toe zou willen geven. Terwijl mijn moeder koffie en cognac voor haar inschonk zat ze daar, met dat bloemetjesschort en die nagels, in een hoekje van de keuken te huiveren. Ik vraag me nu ineens af wat er met die aardappel is gebeurd. Waar laat je het gezicht van God? Als ik alle courgettes gesneden heb bel ik mijn moeder. ‘Och mevrouw Dalebout’, zegt ze. ‘Ja, dat was een merkwaardige hoor.’ Er volgt een behoorlijke opsomming van al dan niet geschiede wonderen, waar de buurvrouw ooggetuige van meende te zijn geweest. Een kruisbeeld in het ijs van de vijver. Een vochtvlek in de vorm van een ichthusteken op het behang. Een engel die zich ’s nachts aan haar vertoonde, vleugels en al. ‘Ze was niet gek’, stelt mijn moeder. ‘Ze verlangde naar iets dat haar bijzonder zou maken.’ Ik vraag hoe het met de aardappel is afgelopen. ‘O, die heeft ze de volgende dag gepoot’, zegt ze. ‘Maar er kwam nooit iets op.’ Een sneu beeld, vind ik toch, zoveel geloof in zulke onwillige aarde.

Een wonder, denk ik, laat zich niet ver­menigvuldigen.