Aardbeien en liefde

Waar was warmte te vinden? De magiër, die woordenboeken at, wist het antwoord. Een verhaal over de Grote IJstijd.
DAT JAAR WAS DE IJZIGE KOU een slang die beet naar je hielpezen of naar je neerhangende handen, om zich daaraan op te trekken tot ze je hersenen had bereikt. Nadat het dagenlang had geregend tot de wolken zichzelf hadden verspild en de tuin als opgewreven leer blonk in het maanlicht, viel de winter.

Zonder waarschuwing. Het was een avond geweest als een andere. De sterren hadden misschien iets heviger geblonken aan de hemel. Of misschien ook niet. Je sloot deuren en ramen. Je ging slapen. Je werd wakker in een glazen wereld.
Mijn broer en ik krabden de bloemen van de ruiten en moesten onze vingertoppen ijlings terugtrekken anders raakten ze aan het glas vastgevroren. Vlug bracht mijn moeder water aan de kook. Het was nog ochtend toen we al door de voorraad hout heen waren. Mijn vader stapte in zijn schoenen en duwde de deurkruk naar beneden. Niets. Hoe hij ook duwde en trok, het hout leek wel met de muren vergroeid. Het duurde een hele tijd voor hij de voordeur met heet water van het huis had losgeweekt, en dat wil wat zeggen, want mijn vader had schouders als van een stier. Hij vloekte, nam een aanloop en vloog snuivend tegen de krakende deur aan. Keer op keer. Ten slotte bleek het ijs toch niet tegen mijn vaders woede bestand.
Wij, de kinderen, stonden ademloos toe te kijken hoe hij de sissende pot van het vuur haalde en ermee naar buiten stapte. Mijn vader en die dampende, borrelende ketel. Met een zwiep wilde hij het kokende water over de deur gieten, maar de straal bevroor al terwijl hij werd geworpen en viel in scherven tegen het bevroren hout.
Zelfs met onze ogen dicht konden we mijn vader horen lopen. Alsof het gras onder zijn voetzolen knapte, rinkelde en aan het trillen werd gebracht. Een nacht was voldoende geweest om een nieuwe, kristallen tuin te blazen.
Toen mijn vader binnenkwam, beladen met keiharde stukken hout, wees mijn moeder naar zijn enkels. Hij had zich aan het kristal gesneden. Tientallen rode druppels hingen als robijnen aan zijn enkels. Hij haalde zijn schouders op. Zijn lippen kon hij niet meer bewegen.Terwijl mijn ouders het vuur aan de gang probeerden te houden, keken mijn broer en ik naar buiten. Naar die blauwige glans die over de stenen was gegoten, de witte haarstoppels waar het glas was geweest en de ijsnaalden die van de dakgoot afhingen.
Het werd niet warmer in ons huis, hoe wanhopig mijn ouders ook probeerden de kachel op te hitsen. Mijn broer en ik kropen tegen elkaar aan en zagen hoe grillige bloemen zich op de ruiten uitzaaiden. Toen gilde mijn moeder. Gelijktijdig keken mijn broer en ik over onze schouder. Onder onze ogen bevroor het vuur in de kachel.
ALLES WERD IN HET WERK gesteld om het noodweer te bezweren. De koning beval het woord ‘winter’ te schrappen uit alle boeken, maar de bladzijden verkruimelden onder de vingers en dwarrelden als sneeuwvlokken in het rond. Toen verbood hij de woorden 'kou’ en 'warmte’. De onderdanen knikten en sloegen hun armen ritmisch tegen hun ribben. We banden de woorden warmte en kou uit ons hoofd in de hoop dat ons lichaam ze ook zou vergeten.
De aartsbisschop droeg de gelovigen op te bidden, maar de gebeden vielen rinkelend aan scherven nog voor ze goed en wel waren uitgesproken.
De winter trok zich nergens wat van aan en velde de ene na de andere inwoner. Een speciale dienst, bemand door terdoodveroordeelden, kwam ’s morgens de lijken ophalen om die dan in de kerktuin neer te zetten. Het was immers onmogelijk de grond open te breken. Kriskras neergezet in die tuin voerden de lijken de choreografie op van de dood. Omdat de kerk op een heuvel lag, moesten we kousen over onze schoenen trekken om zonder breuken boven te komen.
Zondags stonden de overlevenden in een kring rond die tuin. Weldra waren er meer beelden dan toeschouwers. Alleen een fijn getinkel was te horen: de uitgeademde lucht kristalliseerde op slag, alsof een wolk van gesponnen glas aan je lippen ontsnapte, en bij elke ademstoot hoorde je die poederfijne scherfjes adem neerdwarrelen. Alsof we ijsspuwers waren.
Zo koud was het dat zelfs de kerkklokken stilvielen. De uurwerken stokten. De tijd bevroor. Letterlijk. Mensen werden aangesteld om de seconden te tellen, maar ook hun hersenen werden weldra bedekt met een laagje ijs. De tijd bestond enkel nog uit de herinnering aan de warmte. Maar ook die tijd vervaagde, zo werden we in beslag genomen door de beslommeringen die de winter met zich meebracht. Overleven. Niet doodvriezen. Niet doodvriezen! Maar zelfs deze beslommering verdween. Het menselijk lichaam past zich razendsnel aan. Als een kameleon. We werden even wit en koud als de wereld, om de eenvoudige reden dat we ons bloed niet meer gebruikten. Hoe konden we ook; de wereld was zo koud dat zelfs de aders in onze lichamen bevroren. Takjes van bloedkoraal. Het hoeft dan ook geen verwondering te wekken dat het woord 'liefde’ na een tijdje in onbruik raakte. Wrijf twee ijsblokjes tegen elkaar. Veroorzaken ze warmte? Wel dan.
OP EEN ZONDAG werden we verwelkomd door een vrouw in een bruin kleed. Ze stond tussen de bevroren lijken en de verbouwereerde dorpsbewoners. 'Schuld vraagt boete!’ gilde ze. Ze sprak ons aan met 'zondaars’. Iemand riep terug dat zonden de zon misschien terug zouden brengen. Maar de meesten van ons luisterden niet, we hadden het te druk met de kou uit onze botten te slaan. De vrouw liet echter niet af. 'Schuld vraagt boete!’ Dag en nacht stond ze voor de kerk haar boodschap te herhalen.
Op de derde zondag begon ze over de hemel. Ze zei dat die ooit een spiegel was geweest. Maar de hemel was het zo beu geweest ons, zondaars, te weerspiegelen dat hij uit elkaar was gespat. De scherven waren neergedwarreld en hadden de aarde overdekt. 'Schuld vraagt boete!’ Ze riep ons op om de scherven één voor één op te rapen en aan de kerkmuren te hangen. Als de kerk in een immens spiegelpaleis zou zijn herschapen, zouden de scherven zelf wel hun weg naar de hemel vinden. Zonden zouden vergeven zijn. De zon zou opnieuw schijnen. Warmte. Ze had het verboden woord uitgesproken. Warmte. We deden alsof we haar niet begrepen en keerden haar onze rug toe.
'Er is nog hoop!’ riep ze ons na. 'Vannacht heb ik een stier met brandende horens door het dorp zien lopen! De stier met de brandende kroon!’
Enkele uren later kwam de koning in het dorp aan. Hij knikte ons uit zijn open wagen toe en ging luisteren naar de vrouw. Toen ze het woord 'warmte’ uitsprak, trok hij één wenkbrauw op. De chauffeur gaf lichtjes gas. Toen de eerste ijsscherf tegen de vrouw stukspatte, hief de koning glimlachend zijn rechterarm op en reed de heuvel af.
Kort nadat we het lijk van de vrouw van de kerkheuvel af hadden gekieperd, werden we aan het hof uitgenodigd. De koning hield ervan zich met trouwe onderdanen te omringen. We hoorden de koning achteloos het woord 'winter’ gebruiken in een van zijn gesprekken. Hij leek er zelfs genoegen in te scheppen zich door zijn onderdanen te laten aanspreken als 'vorst’. Mannen met macht geloven graag dat ze deel uitmaken van de natuurelementen.
OP EEN NACHT - zo werd ons door een kamerjongen verteld - lag de koning met open ogen te luisteren naar het getinkel van de ijskristallen tegen het raam. Hij was wakker geschrokken door de fles die naast zijn bed stuksprong en toen hij beter toekeek, zag hij dat de fles precies in twee gelijke helften opengevallen was. Het water had de vloer niet eens bereikt, maar vormde een tweede fles van ijs. Zo was het elke nacht. De koning voelde een vreemd gevoel in zijn borstkas. Het was niet dat knappende geluid dat hem uit zijn slaap hield, het was die vreemde droom. Met open ogen bleef hij dat ene woord herhalen, een woord dat als een luchtbel in zijn mond lag, als een herinnering, als een lepel romig ijs: 'Warmte.’
Warmte? De raadslieden waren verbijsterd. Ze vroegen de toestemming om over het woord na te denken. Elk gingen ze in een hoek van de slaapkamer zitten denken, maar hoe kunnen kippen die geen warmte geven een ei uitbroeden?
Na een week had de koning nog geen antwoord gekregen. IJlboden werden door het hele rijk gejaagd om de herkomst of betekenis van het woord te vinden, maar na enkele weken moesten ze wel onverrichter zake terugkeren.
Op een dag, toen niemand, zelfs de koning niet, nog een antwoord verwachtte, werd een zigeuner naar het paleis gevoerd. 'Warmte?’ vroeg de koning en de zigeuner knikte.
Iedereen keek ademloos toe. De zigeuner haalde twee stenen uit een grote zak, samen met een stok en een bus met een vloeistof die hij benzine noemde. De man trok zijn jas uit, sneed een mouw af en wikkelde die om de stok, sprenkelde er benzine op en sloeg de keien tegen elkaar.
Hoe reageren mensen als ze voor de eerste keer vuur zien?
Alleen de koning vermande zich en beval de zigeuner dichterbij te komen. Die schudde zijn hoofd, maar de koning stond erop de vlam met beide handen beet te nemen. Voor de vorst uitgesproken was, had de zigeuner al een slok benzine genomen en blies een goudkleurige wolk over de hoofden van de hovelingen.
Nog geen seconde later was de zigeuner dood. Hij lag voor de voeten van de vorst, als een egel doorboord met tientallen lansen. Maar de fakkel, de vuurstenen en de benzine waren gered.
DE WARMTE GING ZO lang mee als er benzine was.
Verwoed probeerden de raadslieden van de koning de verwekte warmte ook in het menselijk lichaam te krijgen. Vrijwilligers dronken een brandend glas leeg en stierven een afgrijselijke dood. Een man liet zich omzwachtelen en besprenkelen en rende enkele minuten als een toorts door het paleis. Op geen enkele manier lukte het om de warmte op bevredigende wijze aan een menselijk lichaam te koppelen.
Ten slotte waren er nog twee piepkleine glaasjes benzine over. Het was de koning zelf die besliste wat ermee moest gebeuren. Hij nam de zwangere hofdame en beval haar buik in te strijken met de vloeistof. Eigenhandig klopte hij de stenen tegen elkaar. De buik vlamde welgeteld vijf seconden op. De vrouw was ongedeerd. Het hof moest nu nog vier maanden wachten op de geboorte om te zien of de baby warmte zou uitstralen.
Bleef nog het tweede glas over. Met bevende stem vertrouwde de koning zijn hof toe dat hijzelf en niemand anders het laatste proefkonijn zou zijn. Enkele hofdames verloren het bewustzijn. De raadslieden en ridders bezwoeren de koning luidkeels van zijn plan af te zien, maar niets hielp. Met één armbeweging legde de vorst het hof het zwijgen op. Hij liep op zijn troon af en plechtig goot hij het glas erop uit. De oudste raadsman klopte de stenen tegen elkaar en toen de vlam opklom, ging de koning vliegensvlug op de troon zitten.
Stilte. Er gebeurde niets. Na een tijdje opende de koning zijn ogen. Het hof keek hem ademloos aan en wachtte op een teken. Traag stond de vorst op en knikte. Onder een donderend applaus schreed hij de troonzaal uit. Eerbiedig staarden we naar het schroeivlekje halverwege de koninklijke mantel.
De volgende dag zwermden de ijlboden uit met het bericht dat de koning zelf de vijand had getrotseerd, dat hij zijn leven in de waagschaal had geworpen omwille van het welzijn van zijn onderdanen, meer nog, dat hij ternauwernood aan de dood was ontsnapt.
De koning zat op zijn bed en keek naar de schroeivlek op zijn mantel. Hoe kort alles ook had geduurd, toch had hij de warmte gevoeld. En wie eenmaal van de warmte heeft geproefd, komt er nooit meer van los.
DE KONING HAD NOG vier lange maanden geduld. Toen werd de zoon van de hofdame geboren. De raadslieden onderzochten de pasgeborene, maar in niets week die af van eerder geboren kinderen. Hij zag eruit en voelde aan als een bevroren fles melk.
In het diepste geheim liet de koning de enige magiër van het rijk uit een kerker halen en ontbood hem op zijn kamer. Vele jaren voordien was de man naar het diepste punt van het paleis verbannen. Daar zat hij tot zijn middel in het ijs. Hij had alleen zijn boek mee mogen nemen. Boeken zijn ongevaarlijk. Zeker op zo'n diepte. Omdat het eten altijd al diepgevroren was op het moment dat de bewakers de kelder bereikten, voedde de magiër zich met zijn eigen boek. Toen hij de koninklijke slaapkamer binnenkwam, zat er een hoepel van ijs rond zijn middel.
Warmte? De magiër knikte, excuseerde zich, draaide zich om en begon onbedaarlijk te hoesten. Bij elke hoestbui kwam een blad uit zijn mond te voorschijn. Hij vertrouwde de vorst toe dat hij dank zij het boek een oplossing zou kunnen vinden voor het probleem.
'Hier staat het. Warmte.’
De man legde zijn vinger onder het woord, schraapte zijn keel en las voor: vrouwelijk, geen meervoudsvormen. De koning knikte bemoedigend en de magiër vervolgde: 'De eigenschap of toestand van warm zijn.’
De magiër keek de koning aan. 'Is dat alles?’ vroeg die.
Aandachtig bekeek de oude man het blad, priemde een vinger in de lucht en las verder: 'Ook wordt bedoeld de aanwezigheid der normale lichaamstemperatuur.’ En na enige aarzeling voegde hij eraan toe: 'De warmte van het bloed.’
De warmte van het bloed? Aandachtig betastte de koning zijn arm en voelde de bevroren adertakjes onder zijn huid. En net toen hij in de verleiding kwam de man terug naar zijn cel te jagen, voegde die eraan toe: 'Wordt in barre tijden, bijvoorbeeld in de Grote IJstijd, gevonden in het hart van het Meisje met het Rode Haar.’
'Hier staat het, sire,’ zei de magiër en liet het blad zien. De koning deed alsof hij de letters kon ontcijferen. Verstrooid gaf hij de bewakers het sein de oude man opnieuw op te sluiten.
Waar was het Meisje met het Rode Haar?
Opnieuw zwermden de ijlboden uit en opnieuw kwamen ze onverrichter zake terug. Ten einde raad besloot de koning zelf op zoek te gaan.
Op een dag kwam hij in een bos terecht vol immense bomen die doorbogen onder de sneeuw. Op een open plek was het dat de koning haar vond, het Meisje met het Rode Haar. Ze zat gebogen over spierwit fruit, plukte de grootste exemplaren en rangschikte die op haar schort. Ze zat in de plas van haar witte haren. Maar aan haar voorhoofd stond het haar rechtop, als een flakkerende vlam: rood haar. De koning steeg af en liep op haar toe.
Verbaasd keek ze op en legde een hand op de weerbarstige haarlok.
Op een teken van de koning knielde iedereen neer.
Het meisje sloeg verlegen haar ogen neer en fluisterde iets.
De koning moest zijn oor tegen haar lippen leggen om te horen wat ze lispelde: 'Vannacht heb ik gedanst op gloeiende kolen.’ Iedereen daarentegen hoorde wat de koning haar vroeg: 'Kun jij warmte maken?’
Het meisje antwoordde niet. Ze leek na te denken. Toen legde het meisje haar schort met de witte vruchten op de grond.
'Hier?’ vroeg ze.
De vorst knikte.
Het meisje ging vlak voor de koning staan, die de wachters met een handbeweging beval achteruit te gaan.
Op dat moment kreeg het meisje een visioen. Ze zag zichzelf zitten op de sneeuw, druk in de weer met de vruchten, maar die waren niet langer sneeuwwit, maar dieprood en bezaaid met gouden spikkels. In haar visioen bracht het meisje de vruchten naar haar mond en draaide haar hoofd naar een man die uit het bos te voorschijn was gekomen. Die boog zich over haar heen en zijn mond beet zich op zijn beurt in die vrucht vast.
Aldus gebeurde. De koning beet zich gulzig in de mond van het meisje vast en bijna onmiddelijk voelden ze het allebei, hoe hun lippen begonnen te tintelen, hoe de aders tot leven leken te komen en even later verspreidde een blos zich over hun hele lichaam. De hovelingen waren aan de grond genageld. Maar nog gingen de koning en het meisje door en plots welde een vuurrode druppel op uit hun lippen. Het was onmogelijk uit te maken van wie het bloed afkomstig was, maar het was een feit dat die druppel neerviel op de bevroren grond en ogenblikkelijk opzwol tot een kloppende, hartvormige aardbei. De koning en het meisje hielden niet op met kussen. De druppels bleven opwellen en vallen en aardbeien voortbrengen tot de vruchten zich om de geliefden heen opstapelden.
Aarzelend kwamen de hovelingen overeind en vormden ze een kring, die kleiner en kleiner werd. Een eerste hoveling vergat al zijn verbazing en zijn opvoeding, bukte zich en liet een warm, kloppend hart in zijn mond glijden. Toen was er geen houden meer aan. De hovelingen stortten zich op de vruchten, rolden over elkaar heen, graaiden blind en propten zich vol, gilden: 'Niet kauwen, niet kauwen!’
En daar, in het oog van de storm stonden ze, de Koning en het Meisje met het Rode Haar, en niemand merkte op hoe licht ze waren geworden door hun warmte. Hoe eerst het meisje en onmiddellijk daarna de koning van de grond loskwam en hoe ze langzaam opstegen in hun omhelzing, en tussen twee spierwitte bomen door, in de lucht oplosten.