Aardbeientaart

Het is als een lekkernij waarvoor je vroeger een moord had kunnen plegen: de aardbeientaart met veel slagroom en veel aardbeien van je kindertijd.

Je dacht: tussen de taart en mij is het voor het leven. Wij zijn onafscheidelijk, van wieg tot graf.

Maar het leven is slinks en pernicieus. Naarmate je groter, dikker en rijker wordt ga je steeds meer aardbeientaart verorberen. Totdat op een dag de aardbeien in je zakdoek belanden. Via je neusgaten. En totdat de slagroom in je maag begint te klotsen, als een misselijkmakende pap vol klonten. Dan ontstaat een chemie waarin het zuur het zoet overwint. Van extase naar walging. En op een dag is het definitief voorbij. De taart wordt een herinnering die naar spruitjes smaakt.

Het is als de vrouw van je leven. Zij die alleen al door in je dromen te verschijnen een vlucht vlinders in je buik liet opstijgen. Een golf van tintelingen over je vel liet rollen. Je keek naar haar en dacht, nu kan ik blind worden.

Totdat, als heel wat jaren voorbij zijn gegaan, je je begint af te vragen of het niet beter zou zijn geweest als je destijds inderdaad door acute blindheid was getroffen. Want alleen al het zien van dezelfde neus midden in hetzelfde gelaat doet een zwerm vliegende kakkerlakken in je buik opstijgen. En je kijkt naar die mond, kauwend op een stuk aardbeientaart die je allang niet meer lust. En je denkt aan vroeger toen jullie over de hei rolden, oog in oog, innig verstrengeld, onder een sterrenhemel. En je vraagt je verbaasd af hoe dat in godsnaam kon gebeuren, terwijl je nu met haar in de gang, op de koude stenen vloer, schokkerig ligt te rollebollen. Zij met het keukenmes in haar hand, jij de klauwhamer in je vuist.

Het is als je lievelingskindje, de liefste en mooiste van allemaal, waarvoor je door het vuur had kunnen gaan. Je geadoreerde kroost met zachte huid en de geur van dennenbomen. Maar op een dag sta je versteld van de metamorfose: het tedere lichaampje is monsterlijk groot geworden. Het neemt alle plaats in, loopt je voor de voeten, ledigt je koelkast, je portefeuille en je drankflessen. Zijn huid wordt verteerd door etterende puisten en is bedekt met vet haar. De geur van dennenbomen is verjaagd door de stank van gegrilde skunk. En dat ding schreeuwt de hele dag tegen je, met twee enorme opgeheven vuisten. En denkend aan de rozige handjes van weleer peins je je suf over de beste manier om het ding zo snel mogelijk je huis uit te krijgen.

Het is als met Jan Marijnissen. Toen hij in de kamer verscheen waaide plots een storm van frisheid door je hoofd. Eindelijk wat afwijkends en rebels, een zachte g en een hard hoofd, een brutale kijk op een fossiele wereld. Maar op een dag kun je geen toestel meer aanzetten en geen apparaat openen zonder dat zijn hondenblik en zijn slagroomstem je tegemoettreden.

In de koelkast zie je duizenden tomaten en je begint zelfs pizza’s te haten. De rebellie is de redelijkheid zelf geworden. Hij wil behagen, droomt dat hij Christus van zijn kruis stoot en zegt in de krant: ‘Ik ben misdienaar geweest’.

Het is net als met Paul van Buitenen. Toen hij de klokken begon te luiden sprong je van je stoel en wou je hem liefdevol omhelzen. Maar hij bleef aan dat touw hangen, werd verliefd op zijn klokken en beroerde ze totdat je doof werd van het kabaal. Hij schreef een boek, maakte zijn eigen home page, krijgt de prijs van de Europese Associatie van Belastingbetalers, huurde een directe verbinding met Barend en Van Dorp en werd in Engeland in de top 100 van de meest invloedrijke mensen opgenomen. Ging in het hoogste beroep.

En nu kun je hem geen seconde meer verdragen. Je hoopt dat zijn berisping in levenslang wordt omgezet in het Almere van Veronica, dat hij de hele dag wordt bespied door 24 camera’s, met als enig gezelschap dat van Jan Marijnissen en alleen een enkele aardbeientaart als dagelijkse kost.