Willeke van Ammelrooy in de reclamefilm Gasunie 225, voor centrale gasverwarming, 1970 © Filmbank Groninger Archieven

Het is puur toeval. Maar zo gaat dat. We groeiden beiden op in Bilthoven, onder de rook of in dit geval beter ‘binnen het energienetwerk’ van de stad Utrecht. Weliswaar is hij, George Verberg, mede-auteur van Lubbers’ ‘Energienota’ uit 1974, directeur-generaal Energie bij het ministerie van EZ in de jaren tachtig en achtereenvolgens eerst commercieel, daarna algemeen directeur (ceo) van de Gasunie (1988-2004) een jaar of dertien ouder, maar we arriveerden bijna tegelijkertijd in het dorp. Hij in 1953, elf jaar, kwam uit Indië, stond op het punt naar de middelbare school te gaan en ging daarom alvast in het ouderlijk huis bij zijn grootouders wonen, in Bilthoven dus. Daar bleef hij vervolgens tot het begin van zijn studietijd, begin jaren zestig.

Ik volgde hetzelfde patroon, zij het dat ik enkele jaren later arriveerde, bij aankomst veel jonger was en vanwege dat leeftijdsverschil ruim tien jaar later vertrok. Niettemin lopen onze herinneringen aan de wereld van vóór de aardgastransitie behoorlijk parallel. Zo begin ik te lachen als Verberg terloops de naam van de plaatselijke kolenboer vermeldt. Verdomd, ik zie de vrachtwagen nog staan, met daarop in grote witte letters: Van Eck. Kolenhandel.

Het huis waarin George Verberg destijds woonde, was vooroorlogs en daarom deels uitgerust met energievoorzieningen die hun tijd weliswaar langzamerhand hadden gehad maar nog altijd, sinds het midden van de negentiende eeuw en her en der zelfs langer, gebruikelijk waren. Het belangrijkste was het (giet)ijzeren fornuis in de keuken. Dat was een enorm ding met relingen om was of doeken aan te hangen, twee of meer ovens en een heleboel ruimte voor ketels en pannen. Het fornuis gaf ook warmte en was in dorpen waar men grotendeels in de keuken woonde, zoals op het platteland gebruikelijk, vaak de enige warmtebron. In burgermanshuizen zoals die in Bilthoven was dat nog maar zelden het geval. Daar was het fornuis bijna uitsluitend bedoeld om te koken. Vandaar dat het in steeds meer huizen vervangen was door een petroleumstel (stonk en had zwak vuur), een gasstel (flessengas, gedoe) maar in verreweg de meeste gevallen een gasfornuis.

Voor zo’n gasfornuis moest je echter wel beschikken over een aansluiting op ‘fabrieksgas’, ook wel stadsgas of (vanwege het oorspronkelijk gebruik) lichtgas genoemd. Dergelijk gas werd uit kolen (soms olie) gewonnen in een van de talloze gasfabrieken die Nederland sinds het einde van de negentiende, begin twintigste eeuw rijk was. Die fabrieken stonden over het algemeen alleen in steden en de wat grotere dorpen. Bilthoven, bijvoorbeeld, heeft nooit een eigen gasfabriek gekend. Toch beschikte het dorp over fabrieksgas. Dat werd via een ondergronds buizensysteem aangevoerd vanuit Utrecht en geleverd door het gevu, het Gemeentelijk Energie- en Vervoerbedrijf Utrecht, dat voortgekomen was uit het in 1862 opgerichte Gemeentelijk Gasbedrijf en na tal van verwikkelingen uiteindelijk in Eneco opging. De Verbergs gebruikten dat gas begin jaren vijftig alleen voor warm water, voor de geiser dus. Koken op gas werd niet nodig, te duur, te onhandig of te gevaarlijk gevonden. Daarom voorlopig nog dat keukenfornuis.

Evenals het fornuis werden ook de kachels bij de Verbergs gestookt op kolen. Vandaar dat aan het huis een ‘kolenbunker’ was gebouwd, een manshoog hok met bovenin een luik om het zwarte goedje in te storten en onderin een luikje om het er voor dagelijks gebruik weer uit te halen. Die kolen waren ook bestemd voor de kachel in de zitkamer, een flink, halfrond ding dat net zoals het keukenfornuis van binnen en buiten roetzwart was. Diezelfde kleur hadden ook de kleinere kolenkachels (‘salamanders’) die op de slaapkamers stonden. Maar die gingen alleen aan als het echt koud was.

Overigens voorkwamen al die kachels niet dat overal, zeker waar net ietsje minder gestookt werd, ‘bloemen’ op de ramen verschenen. Immers, zoals alle huizen was ook dat van de Verbergs voorzien van enkelglas terwijl de isolatie minimaal was. De warmte vloog er bij wijze van spreken net zo snel weer uit als ze opgewekt werd. Door de waterdamp aan de binnenkant van de ramen vormden zich daarbij zogenoemde ijsbloemen. Die dingen waren prachtig, maar gaven tegelijkertijd aan dat je het beste diep onder de dekens kon blijven.

Kolen om te stoken en gas om water te verwarmen waren niet de enige energiebronnen in huize Verberg, net zoals in de meeste Nederlandse huizen overigens. Er was vanzelfsprekend ook elektriciteit. In Bilthoven werd deze geleverd door de puem, zeg maar het neefje van het gevu oftewel de Provinciale Utrechtse Elektriciteits-Maatschappij die uiteindelijk eveneens door Eneco opgeslokt werd. In de jaren vijftig beschikte bijna elk Nederlands huishouden over elektriciteit. Dat was al een jaar of dertig zo. Maar deze energiebron werd eigenlijk alleen gebruikt voor licht en huishoudelijke apparaten. Deze laatste (radio, koelkast, wasmachine, droogtrommel, tv, broodrooster, strijkbout) waren nog lang niet overal aanwezig. In het rijke dorp Bilthoven meer dan op de meeste andere plekken, maar zelfs daar: niet overal.

Bij ons thuis – een paar kilometer verderop, aan de andere kant van het dorp – was er wél een radio, ook een koelkast en een strijkbout, maar een wasmachine ontbrak en een tv stond er nog lang niet. Toch verwarmden wij het huis niet zoals de Verbergs met losstaande kachels. Ook hadden we in de keuken geen kolenfornuis. Nee, wij hadden ‘centrale verwarming’ en gebruikten het Utrechtse gas niet alleen voor warm water maar dus ook om te koken. De verklaring voor zoveel ‘moderniteit’ is eenvoudig: ons huis was nieuw, uit 1957, en daarom voorzien van de gemakken die op dat moment in zwang kwamen. Daartoe behoorde naast centrale verwarming en zo’n gasfornuis ook een douche. Oudere huizen, in Bilthoven en elders, hadden die veelal (nog) niet. Die hadden een bad, met daarin eventueel een slang met douchekop. Een zeer groot deel van de Nederlandse huishoudens had zelfs dat niet. Daar ging men nog ‘in de teil’.

Toch moet je je de moderniteit van ons nieuwbouwhuis niet al te mooi voorstellen. Zo draaide ook onze centrale verwarming op kolen. Daartoe stond in de kelder een enorme ketel. In mijn herinnering was dat ding heel wat breder maar ook een stuk hoger dan ik, destijds, toen ik halverwege de jaren zestig geacht werd kolen te scheppen, een jochie van een jaar of acht, negen. Gauw een meter of twee hoog dus en één meter breed. Als je het luik van die ketel opendeed, spatte de hitte je tegemoet en moest je de kolen er dus zo snel mogelijk in kieperen. Vervolgens snel de deur weer dicht, wat rommelen met schuifjes en klepjes voor de luchttoevoer en klaar is Kees. Het huis kon er weer even tegen.

Willeke van Ammelrooy in de reclamefilm Gasunie 225 voor centrale gasverwarming, 1970 © Filmbank Groninger Archieven

Gedoe! Dat was kenmerkend voor de energiehuishouding in het Nederland van vóór de aardgastransitie, vóór, zeg, de tweede helft van de jaren zestig. Binnen het huishouden stond dat gedoe voor gesleep met kolen, gasflessen, petroleum, voor kachels die aangestoken en brandend gehouden moesten worden maar toch uitgingen of onvoldoende dan wel te veel warmte gaven, voor gehannes met lucifers, klepjes, schuifjes, voor lichtuitval, gaslekken en een heen-en-weer van olie-, kolen- en gasboeren. Op het platteland kwam daar vaak ook nog gezeul met hout en soms zelfs turf bij, en dat alles tijdens winters die deze naam nog verdienden. Kortom: wie denkt dat we het tegenwoordig moeilijk hebben met de energievoorziening zou zich eens een uurtje moeten verdiepen in een dag uit het leven van zijn of haar groot- of overgrootmoeder. Dan vergaat het klagen wel.

‘Gedoe, zeker’, zo beaamt ook George Verberg. ‘Maar vooral complex.’ In zoverre is zijn commentaar op de Nederlandse energiehuishouding niet uitzonderlijk. Uitzonderlijk is het omdat er weinigen te bedenken zijn die in de nasleep van de aardgastransitie dermate professioneel betrokken zijn geweest als hij. Het verklaart vermoedelijk dat Verberg inziet dat er ook een positieve kant zat aan dat complexe gedoe van weleer. Die ligt bij het fenomeen diversiteit. Tegenwoordig hebben we ons vastgelegd op een beperkt aantal bronnen. In het huishouden is dat vooral aardgas. Als dat wegvalt, zijn de problemen niet te overzien. ‘Zie wat er op dit moment gebeurt. Destijds lag de situatie volstrekt anders. Als de ene bron niet functioneerde, dan was er altijd nog een andere.’

Iets dergelijks besefte voorlopig niemand. Want spoedig na de vondst bij Slochteren (mei 1959) waren alle ogen gericht op Kwatta: aardgas zou het antwoord zijn op alle ‘energieproblemen’. Olie was om te rijden, elektra voor het licht en de huishoudelijke apparatuur, maar gas, aardgas, diende voor alles wat verwarmd moest worden: huis, water, voedsel.

Aardas is nu onze belangrijkste energiebron. Als dat wegvalt, zijn de problemen niet te overzien

Bij nader inzien is onmiskenbaar dat de aardgastransitie van de tweede helft van de jaren zestig – onbedoeld, dat wel – al vóór Slochteren begonnen was. Zo maakten steden als Coevorden (1951) en Leeuwarden (1959) na kleine aardgasvondsten in, eveneens, Coevorden, De Wijk, Staphorst en elders al in de jaren vijftig gebruik van aardgas. Ook werd op hetzelfde moment door de aanleg van regionale (fabrieks)gasnetwerken in het noorden (Staatsgasbedrijf), zuiden (Staatsmijnen) en westen (Hoogovens) een begin gemaakt met een landelijk buizensysteem. Niettemin betekende de aardgastransitie in zo goed als elk gezin zoiets als een revolutie.

Dat die revolutie enorme politieke, economische en maatschappelijke consequenties had, werd duidelijker naarmate de bel van Slochteren groter bleek te zijn. Aanvankelijk sprak men immers ‘slechts’ van 60 maar spoedig al van 300 miljard m³, in 1962 werd dat cijfer bijgesteld naar 470, in 1963 naar 1110 en in 1967 zelfs naar 2000 miljard m³. Eenmaal zover was het besef dat aardgas alle energieproblemen (en begrotingsproblemen!) kon oplossen gemeengoed en het transitieproces in een vergaand stadium. Nederland ging aan het gas. Het huishoudelijk gehannes met kolen, flessen, olie, hout, turf, lucifers, schuifjes en klepjes leek voorgoed verleden tijd.

Rij voor de kolenhandel, februari, 1956 © Ben van Meerendonk / Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis

Het startschot van de aardgastransitie legt men traditioneel bij de ‘Nota De Pous’, openbaar gemaakt op 17 juli 1962 en genoemd naar chu-minister van Economische Zaken Jan de Pous. Al liet hij in zijn nota nog vele wegen open, de door hem geschetste hoofdweg was duidelijk: Nederland ging niet alleen aan het aardgas, het móest dat ook doen omdat energielevering op basis van bestaande bronnen op den duur tekort zou schieten. Na de wederopbouw was groei immers nog altijd opdracht nummer één van de naoorlogse samenleving.

Wat dit in concreto betekende, schreef De Pous niet. Wel dat het om te beginnen noodzakelijk was om voor zowel de exploitatie als de distributie van het aardgas een nieuwe organisatiestructuur op te tuigen. Zo ontstonden het zogenoemde Gasgebouw, een samenwerkingsverband van diverse commerciële partijen en de Nederlandse staat, voor de exploitatie – en de Gasunie voor de verkoop en distributie van het aardgas. Belangrijk volgens De Pous was ook dat bestaande exploitanten en leveranciers (bedoeld werden met name die van kolen en fabrieksgas) ontzien werden.

De Nota De Pous passeerde de Kamer zonder veel discussie en met unanieme instemming. ‘Een debatje’, noemde Shell-directeur Lykle Schepers het later (1983) tegenover twee journalisten van Vrij Nederland. ‘Dat was maar heel even.’ Sven Ringelberg en Sam Gerrits bevestigen het in hun recente studies over de aardgastransitie. ‘Geen interpellaties, geen moties, geen stemmingen, bijna geruisloos wordt het nieuwe winningsplan een voldongen feit’, schrijft laatstgenoemde in De aarde en het gas. Maar bij alleen instemming bleef het niet. De plannen werden meteen daadkrachtig ter hand genomen.

Dit betekende om te beginnen dat er een landelijk netwerk aangelegd moest worden. De bestaande fabrieksgasnetwerken werden daarin geïntegreerd en moesten daarom ook gedeeltelijk aangepast worden (fabrieksgas heeft andere kenmerken dan aardgas). Alleen dat was al een megaklus, niet in de laatste plaats omdat er in Nederland onvoldoende kennis en ervaring was met de aanleg van (olie- en/of gas)leidingen van zo grote lengte en buizen met een diameter van negentig centimeter. In de VS was die expertise er wel en dus werden ontwerp, berekeningen en toezicht in eerste instantie aan een Amerikaanse firma (Bechtel) toevertrouwd. Ondertussen ging de Gasunie op zoek naar bedrijven die het praktische werk konden doen. Ook werd gezocht naar leveranciers (aanvankelijk vooral buitenlandse) van buizen, koppelstukken en andere benodigdheden.

Dat alles slaagde, verbijsterend snel zelfs. De Nota De Pous ging in oktober 1962 door de Kamer, de Gasunie werd in april 1963 opgericht, in augustus van datzelfde jaar werd het contract met Bechtel getekend, in oktober werden via oproepen in de krant eventuele gegadigden voor de aanleg van het gasnetwerk geworven, in december werden de eerste bestekken verzonden en spoedig daarop werden vier aannemerscombinaties gekozen voor als eerste aan te leggen trajecten: Hoogezand-Ommen-Zutphen, Ommen-Utrecht-Gouda, Zutphen-Ravenstein-Boxtel en Ravenstein-Geleen. Bedoeling was dat hun spades in april 1964 de grond ingingen. Zo gebeurde, en wel zo voortvarend dat het Algemeen Dagblad al anderhalf jaar later een kaartje van een landelijk aardgasnetwerk kon presenteren. ‘Slochteren dringt op’, stond in de begeleidende tekst. ‘Meter na meter woelt zich het leidingnet als een reusachtige pier verder door onze bodem. Machtige buizen van negentig centimeter doorsnee als hoofdleiding, ‘spaghetti’s’ van zestig centimeter op tracés waar de gasafname iets minder zal zijn.’

Voor deze aanleg had de Gasunie – zie haar fraaie gedenkboek ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan in 1988, Ondergronds rijk – ondertussen een onvoorstelbare hoeveelheid werk verricht. Zo moesten alleen al voor de eerste achthonderd kilometer van het nieuwe buizenstelsel zesduizend percelen doorkruist worden, waren vijfhonderd vergunningen nodig van publieke instellingen als Waterstaat, Spoorwegen en gemeentes en dienden honderdduizend grondbezitters en -gebruikers gecompenseerd te worden. Voor dit alles werden in het eerste jaar van het bestaan van de Gasunie achtduizend contracten gesloten.

Ook de bouwers hadden tal van moeilijkheden te overwinnen. In moerassig gebied zakten de graafmachines weg. Waar het grondwater te hoog stond, gingen de buizen drijven. Regelmatig moesten rivieren gekruist worden. En bij het maken van verbindingen ging er nogal eens iets fout. Zo was het een groot probleem dat men aanvankelijk niet goed in staat was om buizen van grote diameter te buigen. Voor een soepele aansluiting is soms enige kromming vereist en als men die niet kan aanbrengen, kost dat veel tijd. Een van de weinige firma’s die hiervoor uiteindelijk een oplossing vond, was A. Hak, tegenwoordig gevestigd in Tricht, Betuwe. Begonnen met transport en verhuur van zwaar materiaal (betonnen buizen, graafmachines, hydraulische kranen), besloot oprichter en eigenaar Arie Hak in 1963 het roer om te gooien en zich te specialiseren in het aanleggen van pijpleidingen. De eerste grote klussen betroffen drinkwaterleidingen, maar vanaf de tweede helft van de jaren zestig ging Hak steeds vaker voor de Gasunie werken. Toen ook kocht het bedrijf in de VS een zogenoemde buigmachine. Kosten: twee miljoen gulden, een enorm bedrag. Het was de investering waard. Want eenmaal in het bezit van zijn tovermachine kwam Hak om in het werk.

Een tweede megaklus voor de Gasunie had betrekking op de integratie en ombouw van het reeds bestaande gasnetwerk en bestond dus uit onderhandelingen met de talloze lokale en regionale gasbedrijven die Nederland rijk was. Een groot deel daarvan was overigens in publieke handen, gemeentebedrijf dus. Daarvoor was gas een belangrijke inkomstenbron. Vandaar ook dat De Pous in zijn nota duidelijk gesteld had dat de overgang op aardgas niet tot grote verstoring in de markt mocht leiden. ‘Maar het ging niet alleen om de markt’, voegt Verberg toe. ‘Het ging ook om de staatsinrichting. Het aardgas mocht dan centraal geëxploiteerd, verkocht en gedistribueerd worden, het mocht niet leiden tot een verzwakking van de gemeentelijke en provinciale rollen in de energievoorziening.’ Vandaar dat besloten werd dat de Gasunie het gas slechts tot de poorten van de gemeente of regionale distributeur zou leveren. Deze zou er vervolgens voor zorgen dat het spul bij de consument kwam. Win-win, zo luidde de boodschap.

Boerengezin met buurkinderen in de keuken met een moderne kolenkachel en een elektrisch fornuis en boiler. De foto is gemaakt in het kader van streekverbetering in de Peel, 1960. © Jan van Eyk / Nationaal Archief / Collectie Spaarnestad

Lang niet iedereen was hier gelukkig mee, zeker grotere spelers als de Hoogovens of een stad als Rotterdam niet. Tegelijkertijd was onmiskenbaar dat het niet anders kon. Het was alles of niets, iedereen of niemand. Het werd alles en iedereen, wat zoveel wil zeggen als: het aardgas won elk pleit. De verklaring ligt voor de hand: de productie was eenvoudiger en ging sneller, de prijs lag lager en, niet te vergeten, de voorraad was voldoende om voorlopig in alle behoeften te voorzien. Vandaar dat niet alleen de planningsfase maar ook de aanleg van het aardgasnetwerk verbijsterend soepel verliep. Of zoals het Algemeen Dagblad schreef: ‘Toch eigenlijk wel een wonder dat in ons dichtbevolkte land in twee jaar tijd ongeveer achthonderd kilometer pijp in de grond is geschoven, zonder een lawine van ingezonden stukken in de krant, zonder ernstige schriftelijke vragen van verontruste Kamerleden.’

‘Aardgas werd in de beginjaren gezien als teken van vooruitgang. Nee, wás een vooruitgang’

‘Inderdaad’, stelt Verberg. ‘Er zijn dan ook een paar opmerkelijke verschillen tussen de toenmalige en de huidige energietransitie. Een daarvan is dat alle leidende figuren er destijds achter stonden. Aardgas werd gebracht als een uitermate positieve ontwikkeling. Het was niet alleen goed voor het huishouden, het was ook goed voor de economie, de werkgelegenheid en Nederlands positie op de wereldmarkt. Het publiek begreep dat en ervoer hetzelfde. Ik herinner het me nog goed. Rond aardgas hing een aura van optimisme. Aardgas werd gezien als teken van vooruitgang. Nee, wás een vooruitgang. Alles, iedereen werd er beter van. Dat ligt tegenwoordig anders. Nu wordt de energietransitie vooral ervaren als noodzakelijk en onvermijdelijk. Hier komt bij dat de verhoudingen tussen bestuurders en publiek destijds volstrekt anders lagen. Men gehoorzaamde. Had vertrouwen. Wat de elite beweerde, sijpelde zonder noemenswaardig protest door naar de rest van de samenleving.’

Dat was ook nodig, want ten grondslag aan de aardgastransitie en meer nog aan de snelheid waarmee deze zich voltrok, lag aanvaarding. Niet alleen door de politiek en het bedrijfsleven maar ook en zelfs vooral door het publiek, de consument. Een ieder moest immers actief meewerken: nieuwe apparatuur aanschaffen, oude apparatuur laten verbouwen, aanpassingen in huis doen en leren anders te koken, anders te verwarmen en (zich) anders te wassen. Je zou bijna zeggen: leren een ander mens te zijn. Vandaar dat de Gasunie, overheden, gasbedrijven en leveranciers aan de vooravond en ook nog tijdens de transitie een enorme reclamecampagne, of eigenlijk een lawine aan reclamecampagnes, optuigden. Het is ondenkbaar dat iemand halverwege de jaren zestig van de vorige eeuw, ongeveer op hetzelfde moment dus dat de westerse wereld ook op politiek en ideologisch gebied op zijn kop stond, níet doordrongen werd van de verandering in de dagelijkse huishoudelijke praktijk die op stapel stond. Kranten stonden er vol van: advertenties, artikelen, commentaren, tips. Op radio en tv was aardgas het gesprek van de dag. Steeds weer vielen er brochures door de bus. Overal werden bijeenkomsten gehouden.

Het hield niet op, net als nu, met als verschil dat de toenmalige boodschap eenduidig was: aardgas, aardgas, aardgas. Een vermakelijk, zij het iets later voorbeeld uit dit propagandaoffensief is de bijna veertien minuten durende film die de Gasunie in 1970 liet maken, met in de hoofdrol niemand minder dan Willeke van Ammelrooy en de Engelse acteur John Clive. Het verhaal begint in het jaar 225 met een stel holbewoners die, gehuld in dierenvellen, bibberend en ruziemakend vanwege de vele alledaagse ongemakken, boven een houtvuur een stuk rauw vlees proberen te verwarmen. Het eindigt met een dolgelukkig, kussend stel in een centraal verwarmd huis dat door eveneens in de film optredende installateurs ook nog eens voorzien is van de modernste kook- en warmwatergemakken. In het laatste shot zet Van Ammelrooy het zojuist in liefde ontvangen boeket bloemen in een kolenkit. Einde film – einde tijdperk.

Heel wat prozaïscher waren de informatiekranten, ombouwboekjes, handleidingen en andere praktische gidsen die door de Gasunie, aardgasleveranciers en verkopers van apparatuur aangeboden werden. Een voorbeeld, uit honderden, is de in 1965 door het Gemeentelijk Energiebedrijf in Haarlem verspreide ‘Aardgaskrant’. Zestien pagina’s met allerlei wetenswaardigheden (‘hoe ontstaat aardgas?’, ‘hoe wordt het aardgasnet aangelegd?’, ‘is ombouw van apparatuur noodzakelijk?’, ‘wat wordt de prijs van het aardgas?’) en de dubbele boodschap: dat iedereen mee moet doen en daar vervolgens ook beter van wordt.

De campagne werkte, niet in de laatste plaats omdat bij nader inzien duidelijk werd dat de boodschap niet eens verkocht hoefde te worden: zij verkocht zichzelf. Want van aardgas, daarover was men het eens, werd alles en iedereen beter. Aardgas was gemakkelijker, sneller, goedkoper én schoner. Wie wil zoiets niet?

‘Er is nog een verschil tussen toen en nu’, zegt Verberg. ‘Vergeet niet dat de huidige energietransitie door een spraakmakend deel van de bevolking aangegrepen wordt om een structurele ingreep in de samenleving te bepleiten. Daarvan was destijds geen sprake. Het aardgas zou eerst en vooral verbetering in de bestaande situatie brengen. De transitie was vooral praktisch. De huidige transitie daarentegen kent ook een sterk ideologische kant. Zij maakt deel uit van het pleidooi voor een ander type samenleving: minder consumptief, minder expansief, minder mobiel, kortom: mínder.’

Aanleg van een pijpleiding door de Gasunie in Borgercompagnie Gronningen, 1968 © Veenkoloniaal Museum Veendam

De alomtegenwoordige instemming met de komst van het aardgas betekende niet dat er helemaal geen tegenstemmen waren. Evenmin dat alles van een leien dakje liep. Wat tot de vele tegenslagen behoorde, was dat na enige tijd bleek dat het gemeentelijk groen het gas slecht verdroeg. De eersten die dat constateerden, waren de medewerkers van de Haagse plantsoenendienst: bomen verloren hun blad, begonnen te hangen, stonden er steeds treuriger bij. Bij kap en verwijdering van de wortels bleek dat de grond stonk en hoe meer je erin groef des te erger de stank. Niemand begreep het. Vandaar dat het onderwerp in september 1967 ter sprake kwam tijdens het jaarlijkse congres van de Nederlandse Vereniging van Hoofden van Gemeentelijke Beplantingen.

Wat bleek? Het probleem speelde ook elders. De oude fabrieksgasleidingen waren her en der onvoldoende aangepast. Fabrieksgas is vochtig, laagcalorisch en wordt daarom onder lage druk getransporteerd. Aardgas daarentegen is droog, hoogcalorisch en moet onder hoge druk getransporteerd worden. Tegen zoveel druk waren de koppelingen in de oude buizen, veelal gedicht met hennepvezel, niet bestand. Ze begonnen te lekken. Gevaarlijk was dat niet, nog niet. Wel fnuikend voor de bomen.

Veel meer aandacht dan naar stervende bomen ging uit naar degenen die koste wat kost wensten vast te houden aan het oude en bekende. In elk dorp of elke wijk, zeker aan het begin van de transitie, woonden er wel een paar tegenstanders. Ze kregen in de media relatief veel aandacht, nu eens omdat hun koppigheid vermakelijk werd gevonden, dan weer als waarschuwing: verzet was immers zinloos! Serieuzer reageerde men op het protest van degenen die de pech hadden dat ze vanwege de transitie erg diep in de buidel moesten tasten. Zo wijdde De Telegraaf in juni 1963, nog helemaal aan het begin van de transitie dus, bijna een hele pagina aan de (aardgas)Victorie die binnen enkele weken in Hilversum, als eerste stad in het westen, te beginnen stond. Maar te midden van alle vreugdekreten stond een kadertje met daarin het verhaal van een oudere vrouw die, aldus de kop, ‘het gelag moet betalen’. Al haar (fabrieksgas)apparaten, fornuis, geiser en kachel, waren door de ‘aardgasmannetjes’ afgekeurd. Kosten: ruim zevenhonderd gulden. Tegemoetkoming: 140. ‘Wij hadden het de resterende jaartjes nog best met onze goed functionerende toestellen kunnen doen’, luidde het commentaar van de vrouw. En onder de afgedrukte portretfoto stond: ‘mistroostig terneer bij haar oude vertrouwde gasfornuis’.

Massaal, en tot op zekere hoogte ook indrukwekkend, was het protest van de branches die onder de aardgastransitie slechts te verliezen hadden, olie- en kolenboeren voorop. Maar zij mopperden al langer. Ruim vóór de aardgastransitie was al duidelijk dat het stoken op kolen zijn tijd gehad had. Niettemin probeerde de branche het tij te keren. Eenvoudig had zij het daarbij niet. In vergelijking met gas hadden kolen immers vooral nadelen: arbeidsintensiever, viezer en ook niet goedkoper. Kolen zouden slechts één voordeel hebben – en dat is dan ook wat de branche vanaf het eind van de jaren vijftig beklemtoonde: dat het leuker was tegen een brandend vuurtje aan te kijken dan tegen een stuk metaal.

Gezelligheid, dát werd het trefwoord. ‘Gezellige mensen stoken kolen.’ Maar het werd een achterhoedegevecht, omdat ook de belangrijkste kolenleverancier, de Limburgse mijnen, stap voor stap overging, eerst door zelf gas te produceren, vervolgens door het eigen gasnetwerk voor het aardgas ter beschikking te stellen en uiteindelijk door zich gewonnen te geven en elke kolenwinning te staken.

In december 1968 werd in Egmond formeel gevierd dat heel Nederland aan het aardgas was. Dat klopt niet helemaal. In sommige steden, Gorinchem onder meer, was nog een conflict gaande en de Waddeneilanden waren evenmin voorzien – Vlieland kwam als laatste, pas in 1986. Maar grosso modo was Nederland voorzien, zij het dat deze voorziening nog lang niet betekende dat het werk klaar was, laat staan dat van het gas overal optimaal gebruik werd gemaakt. Het duidelijkst wordt dit laatste met betrekking tot het fenomeen centrale verwarming. Daarover beschikte begin jaren zeventig nog slechts zo’n dertig procent van de Nederlandse huishoudens. De meerderheid had losstaande kachels, op aardgas, dat dan weer wel.

Ondertussen kwamen de eerste twijfels, voorlopig nog niet zozeer over het gas als wel over de olie. De (olie)crisis van 1973 was het markeringspunt. Spoedig daarna begon George Verberg zijn carrière in de energiesector, eerst als mede-auteur van de onder de verantwoordelijkheid van Lubbers opgestelde Energienota. Aardgas speelt daarin een hoofdrol – vanzelfsprekend, ben je geneigd te zeggen; vijftig procent van het Nederlands energieverbruik bestond volgens de nota daaruit. Dat die rol op den duur minder belangrijk zou worden, stelde de nota ook, zij het dat een begrip als bodemdaling op de ruim 230 pagina’s niet voorkomt. Als het woord ‘bodem’ valt gaat het steeds gepaard met begrippen als ‘rijkdom’ en ‘schatten’. Tegelijkertijd beklemtoonden de auteurs dat zelfs die betrekkelijk waren. ‘De thans bekende reserves van ruim 2300 mld. m³ zullen gezien de gemiddelde jaarproduktie van ca. 5% rond de eeuwwisseling zijn uitgeput’, staat er. En dan?

De laatste paragraaf van het rapport is gewijd aan nieuwe energiebronnen en moderne technologieën. De belangrijkste en in de nota vaakst genoemde is kernenergie. Maar zon en wind worden terloops ook vermeld. Verberg is er nu, na een leven lang ‘in de energie’, van overtuigd dat het precies deze drie zijn die binnen afzienbare tijd volledig in onze behoeften zullen voorzien. Ter bevordering daarvan heeft hij zelfs een organisatie in het leven geroepen, de Stichting Energietransitie en Kernenergie. Haar boodschap is duidelijk: alle bronnen die sinds zijn (‘onze’) jeugd en tot op heden gebruikelijk waren, hebben hun tijd gehad. Kernenergie is weliswaar lange tijd uit de gratie geweest, maar moet en zal volgens Verberg een comeback maken – vandaar ook de naam van de stichting. Maar kernenergie alleen voldoet niet. Net als vroeger moeten we zorgen voor een ‘energiemix’, stelt hij, voor variëteit dus. Naast kernenergie ook zon, én wind.