Aardig ventje

Walter van der Kooi ziet veel meer dan hij in zijn papieren kroniek kan bespreken. Deze week: Teledoc Campus voor korte ‘filmische’ documentaires.

De zesde jaargang van Teledoc Campus voor korte ‘filmische’ documentaires door jonge regisseurs en producenten. Filmisch in de zin dat ze, in hun 25 minuten, de reportage overstijgen door doordacht scenario en aandacht voor vormgeving. Financiering door CoBO, Nederlands Filmfonds en NPO-fonds. Begeleid door afzonderlijke omroepen. Er is al veel vakkundigs en soms fraais uit voortgekomen. Dit jaar zijn het er negen. Hier over de eerste vier.

De Boontjes. Op de de website van koffietent Heilige Boontjes staat: ‘Wat krijg je als een agent en een ouwe boef besluiten dat re-integratie beter, duurzamer en vooral leuker kan zijn?’ Nou: agent Marco en (oud-)boef Rodney laten (kwaliteits)koffie en veel meer schenken in een omgebouwd oud politiebureau, en wel door jonge Rotterdammers ‘met een randje’. Eten kun je er ook. De boontjes dus letterlijk en, ironisch, figuurlijk.

Rodney is hoofdpersoon. Meteen al: hij opent de personeelsvergadering met wat hem duidelijk hoog zit. Hij heeft iemand ontslagen die hem verrot schold nadat hij scherpe kritiek op haar werk en gedrag had geuit. Dat ontslag, of liever, het verscheuren van de door beide partijen getekende intentieverklaring, inclusief strenge afspraken over drank-, drugs- en medicijngebruik, is nogal wat, want het betekent dat een vrouw met een weerbarstig (arbeids)verleden deze zoveelste kans heeft verknald. Hij vraagt, misschien wel eist, begrip daarvoor van de anderen, die dus allemaal ook ‘een randje’ hebben. De eerste reactie heeft iets kritisch, in de zin van ‘we kunnen jou niet tegenspreken, want dan liggen we eruit’. Van de anderen volgt juist louter bijval voor het besluit: vanwege verwerpelijk gedrag van de weggestuurde maar vooral vanwege de enorme verdiensten die de patron voor hen heeft – een heiligverklaring.

Na de film denk je, ongeacht wat er gebeurd is en de zware sanctie, dat in allebei wel wat zal zitten. Rodney blijkt immers ijzersterk in zijn veeleisende omgang met personeel/pupillen/probleemjongeren. Zijn taal en toon werken en je hoeft hém niks te vertellen over ‘randjes’, middelengebruik, strafblad, schulden en problemen met discipline en regelmaat, want hij deed en had het allemaal zelf. Dat er een gigantische foto van hem aan de muur hangt zegt ook wel iets. Hij is autoritair en, lijkt me, moet dat ook zijn. Pappen en nathouden heeft bij de doelgroep meestal niet geholpen.

Gezien de geringe filmlengte is het logisch dat maar één casus echt wordt behandeld. Die van Mitchel. Een ‘aardig ventje’ tot het op zijn tiende bij hem thuis gierend misgaat: papa weg, mama drank. Hij wordt beschadigd en gaat beschadigen, zichzelf voorop. Het lijkt allemaal verdomd veel op de autobiografie van Rodney. Mitchel zit nu in een begeleid-wonenproject. Zijn Werdegang bij de ‘boontjes’ kent botsen en deuken. Je vreest, maar hoopt ook, in het besef dat ‘één casus = één mislukking’ voor alle personages, makers en kijkers bitter zou zijn. Herstel van contact met zijn familie is een van Mitchels doelen, en met Kerst mag hij bij moeder komen. Bloednerveus, maar Rodney is achterwacht: hij brengt hem en als het zou mislukken haalt hij hem meteen op en slaapt hij bij Rodney op de bank. Rodney is een 21ste-eeuwse, ongepolijste heilige, redder van verworpenen als hij zelf was. Er zijn al twee vestigingen, las ik, en Rutte kwam op bezoek, dus ze zijn het visitekaartje van sociaal ondernemerschap geworden.

Dichterbij. We blijven in de rafelrand van de Grootstad: Mokum dit keer. Met als charismatische en weerbarstige hoofdpersoon De Dakloze Dichter Hilmano; met in een belangrijke bijrol diens geliefde Iris. Hier geen afkicken maar fixen en fiks gebruiken. We zien hen herhaald in hoger sferen en horen via telefoongesprekken hoe ze daar weer uit vallen om in heftige conflicten te belanden. Geld voor dealers en andere leefkost is een continu probleem dat deels wordt opgelost door het aanspreken van voorbijgangers in het uitgaansleven met de vraag of ze in poëzie zijn geïnteresseerd. Zijn outfit van bontmantel in combinatie met hoodie zal menigeen afschrikken, hoe vriendelijk en charmant hij ieder ook benadert; en de onverwachte vraag naar poëzieliefde schrikt beduidend vaker af dan dat die interesse wekt, maar zijn incasseringsvermogen schijnt eindeloos. Een buitengewoon originele manier van hosselen.

Charmant dus, maar bepaald niet nederig: Hilmano heeft volop zelfvertrouwen en, specifieker, vertrouwen in zijn dichterstalent. Zijn declamatie is dubbel opvallend: een beeldend, haast klassiek taalgebruik en een upperclass-tongval die je niet meteen verwacht van een diep donkere man die als kind van zijn vader geen Saramaccaans meer mocht praten – de taal van Surinaamse Marrons uit het binnenland die de plantageslavernij verworpen hadden door te ‘vluchten’. ‘We zijn nu in Nederland’, was de boodschap. Daarna zweeg Hilmano, uit protest, maar toen hij hoorde hoe iemand zei dat hij te dom was om Nederlands te spreken, draaide het om: hij veroverde de bovenlaagtaal. Bijzonder kind, bijzondere man, met grote taaltalenten. Van zijn gedichten ben ik niet stuk, maar menigeen is diep onder de indruk. In een liefdesgedicht voor Iris koppelt hij, klassiek, eros aan thanatos. We zien hem zelfs in gesprek met, als ik me niet vergis, het management van populaire rappers (al behoort hij niet tot dat segment van de kunsten) en hij maakt opnames. Hij komt in contact met een uitgever, verwacht een uitnodiging van Matthijs van Nieuwkerk (in DWDD-tijden) en wordt razend als dat nergens toe leidt. Daar wordt zijn schaduwkant zichtbaar.

Er zijn drie queestes: de alledaagse naar geld en drugs; de hogere naar erkenning en roem (hij treedt soms op voor well-to-do-publiek en protesteert als mensen er doorheen praten); en de particuliere naar verzoening met zijn vader, met wie hij een complexe relatie had. Liefde en erkenning kreeg hij als kind niet, klappen wel en zoals vaak blijft er toch, hoe oud ook, het verlangen door de vader gezien en erkend te worden. Maar die zoektocht, na lange jaren (de man zou ergens in Almere wonen, er wordt hier en daar aangebeld maar niet opengedaan; familieleden zeggen het adres niet te weten of weigeren het te geven omdat de zoon te veel op zijn kerfstok heeft en pa absoluut niet zou willen), levert uiteindelijk niets op. Je vraagt je ook af wat er van hereniging te verwachten is als de zoon, duidelijk in hoger sferen, aan zou kloppen. Soms vermoed ik even dat Hilmano, die niet voor niets literator is, de Vatersuche wel een mooi gegeven voor de documentaire vindt. Dat hij zijn familie zo gruwelijk mist heeft soms ook iets van dronkemansverdriet. Al moet hij absoluut beschadigd zijn. Net als Mitchel. Een bijzonder portret.

Honds. Een film over huisdieren gaat uiteindelijk bijna altijd over mensen. Zo ook deze over een landelijk (her)opvoedingsinstituut voor honden. In college één krijgen de eigenaars te horen dat hun huisgenoten geen mensen zijn. ‘Voor honden geldt: als je de leider bent is alles van jou. Jullie zijn dus bezit van een leider. Dat moet je omdraaien. Je moet niet meer de teef van de leider willen zijn.’ Ga er maar aan staan, blijkt bij de praktijkoefeningen, die uiteraard hilarische beelden opleveren van baasjes en bazinnetjes die iets willen maar het afleggen tegen de wil van de hond. Verbluffend trouwens, die beelden van grote aantallen honden in alle soorten, maten, rassen op het terrein, die schijnbaar ontspannen rondlopen of zelfs liggen zonder geblaf, gejank, gevecht. Zolang hun tweebenige roedelgenoot maar niet in de buurt is, krijg je de indruk. Net kinderen.

Het zou een aardige film zijn, met een aardig portret van de baas van het spul, Ron en diens methoden van wat toch vooral mensentraining is. Een veel minder ijdele Martin Gaus die levenswijsheden (je moet je mensenliefde ombouwen tot hondenliefde die autoritair is) paart aan behoorlijke resultaten. Maar het wordt meer dan aardig door een casus die eruit springt. De vrouw, beetje ‘mooiste meisje van de klas’, met een ‘schattig’ schoothondje dat een secreet blijkt. Aanleiding voor haar deelname: hij ‘hapt’ iedereen, eufemisme voor bijten. Niet alleen vreemden maar ook huisgenoten. De enige die veilig is: zijzelf. Dan doe je het beest toch weg, zegt iedereen. En daar ligt een deel van haar tragiek: hoe kun je wegdoen wie van je houdt en van wie je houdt? Mensen begrijpen het gewoon niet. Ron en zijn staf wel, maar dat dit een zware casus is wordt overduidelijk als hij op huisbezoek komt. Hij wil de kinderen van zijn cliënt leren ‘niet bang te zijn’.

De aanblik van haar oudste zoon die het beest zou moeten benaderen is erbarmelijk. Doodsbang is het stevige joch en er lijkt hier een lange weg te gaan. ‘Wat heb jij nodig om boos te worden?’ vraagt Ron de vrouw. ‘Als iemand aan mijn kinderen zit.’ Nou, zegt Ron in andere bewoordingen, die iemand is je hondje. ‘Wat is nodig om hier iets aan te doen?’ ‘Zelfverzekerdheid’, zegt ze. Precies: dus moet ze strenge bevelen geven en straffen. Misschien valt dat te leren. Maar je denkt prompt terug aan een eerdere opmerking als tegen haar gezegd wordt dat dieren geen dubbele agenda hebben. ‘Nee’, zegt ze bitter, ‘de hond is een van de weinigen in mijn leven die dat niet heeft.’ Lijkt er daarom geen vader in huis? De hondentraining leidt bij haar geregeld tot tranen – van een mens over mensen. Ze blijkt de enige niet met trauma’s.

Personae. De meest gewaagde van het eerste kwartet. De enige zonder taal of tekst. Louter observerende, registrerende camera. In de proloog zien we gezichten van vrouwen, wachtend op of zittend in openbaar vervoer. Daarna zijn we bij zes vrouwen in het laatste deel van hun slaap; bij het afgaan van wekker(radio) en het tot bewustzijn komen; bij de ochtendrituelen van reiniging en aankleden; bij het opmaken voor de spiegel. Vooral dat laatste levert, afhankelijk van het personage, een kleine tot grote metamorfose op, voordat ze de wereld van genoemde proloog in gaat. ‘Deze essayistische documentaire, een vrouwelijke blik op vrouwzijn, nodigt het publiek uit om na te denken over (vrouwelijke) identiteit.’

Lukt dat? Alleen als de kijker zich overgeeft. Die kan het, vrouw of man, uiteraard totaal oninteressant vinden hoe deze selectie aan de dag begint. ‘Willekeurige’ had ik willen zeggen, maar dat klopt alleen al niet omdat deze zes bereid waren een zo intiem proces te laten filmen, zonder dat dat exhibitionisme verraadt en zonder dat het een gevoel van voyeurisme oplevert. En willekeurig ook al niet omdat leeftijden, stijl van interieur en kleding en manier van kappen en opmaken verschillen. De plastic rozen als badmuts op het haar van de oude dame die gaat zwemmen; de creoolse hoofddoek waar al het haar onder verdwijnt op een geestig krulletje na; de uitgebreide krultang-operatie of juist alleen maar de hand die even door het korte haar gaat. De sneaker, de naaldhak.

Ik bespaar u mijn particuliere associaties, behalve het plots terugkerende besef dat opmaken in mijn jeugd en omgeving ‘ordinair’ was en dat de meeste vrouwen, en zeker schoolmeisjes, dat niet deden – puritanisme ook in onze niet-religieuze kring. En het hernieuwde besef dat veel vrouwen niet alleen elkaar veel beter ‘zien’ dan ik hen en dan ik andere mannen, maar dat ze zich veel meer bewust zijn van hoe ze gezien wórden. Al lijkt ook de mannelijke aandacht voor eigen uiterlijk sterk toegenomen. Dat besef van gezien worden brengt keuzes en smaak met zich mee, kunde om het beeld van jezelf te realiseren dat je wilt en vaak een fikse tijdinvestering eer je de deur uit kunt. Vrouwen hebben het zwaarder (ik denk aan de onwaarschijnlijke hoeveelheid tijd die Hillary Clinton kwijt was om te kunnen gaan doen wat haar man met een kam door zijn haar deed). Nee, de film boeide me niet van begin tot eind, maar deed wel denken.


Teledoc Campus, 3 Lab, zondags, NPO 3, 23.05 uur.
Anne van Helvoort, De boontjes, BNNVARA, 11 oktober.
Caroline Keman, Dichterbij, EO, 18 oktober
Josefien van Kooten, Honds, KRO-NCRV, 25 oktober
Maartje Bakers, Personae, BNNVARA, 1 november