Jhumpa Lahiri, The Lowland

Aardig versus meeslepend

Op 15 oktober wordt de Man Booker Prize uitgereikt. De jury noemde de shortlist, waarop vijf nationaliteiten vertegenwoordigd zijn, de meest diverse in jaren. In Dichters & Denkers besprekingen van alle genomineerden. Eerst de langverwachte roman van de Bengaals-Amerikaanse Jhumpa Lahiri.

Jhumpa Lahiri, The Lowland, Meulenhoff.

Medium the lowland

De afgelopen maanden woedde er in Amerikaanse literaire kringen een verhit debat over aardige romanpersonages. Het begon met Clair Messud, die in haar nieuwe roman The Woman Upstairs een razende hoofdpersoon opvoert. Om preciezer te zijn: een woedende vrouw, iets wat nog moeilijker te verkroppen is dan een boze man. Toen een interviewster Messud vroeg of ze wel bevriend wilde zijn met die door haar zelf geschapen kenau werd ze zelf boos. ‘For heaven’s sake’, beet ze de interviewster toe, ‘what kind of question is that? Would you want to be friends with Humbert Humbert?’ Na het noemen van de vuige verteller van Nabokovs Lolita hoestte ze nog een lijst onaangename personages op, om te eindigen met: ‘If you’re reading to find friends, you’re in deep trouble. We read to find life, in all it’s possiblities.’

In de discussie die volgde, werden akelige personages al snel als een kenmerk van ‘echte’ literatuur gezien en, omgekeerd, hoofdpersonen waar je best vrienden mee wil zijn als een teken van boeken die vooral een fijne leeservaring bieden. Allerlei schrijfsters, van Margaret Atwood tot Zoë Heller, werden uitgenodigd te reageren; ze schaarden zich unaniem achter Messud, want aardige personages, dat werd gemakshalve als typisch vrouwelijk aangemerkt.

De hoofdpersoon Subhash van The Lowland, de onlangs verschenen roman van de Bengaals-Amerikaanse schrijfster Jhumpa Lahiri, is ontegenzeggelijk aardig en toch is het maar de vraag of je bevriend met hem wil zijn. De lezer maakt kennis met hem als hij nog een jongen is, en samen met zijn broer Udayan opgroeit in een buitenwijk van Calcutta. De twee jongens schelen iets meer dan een jaar en zijn, ondanks hun verschillen, als een eeneiige tweeling. Waar Subhash gaat, gaat Udayan en waar Udayan gaat, gaat Subhash. Ze zitten bij elkaar in de klas, schrijven in eendere schriften de beknopte geschiedenis van India, voetballen samen op het laagland vlak bij hun huis, klimmen samen over de muur van de chique Tolly Club, waar ze stiekem golfen op de gladgeschoren heuvels. Maar waar Udayan avontuurlijk en dapper is, en geen besef heeft van zelfbeperking, ‘zoals een dier dat bepaalde kleuren niet kan onderscheiden’, daar is Subhash voorzichtig en liefst onopvallend, ‘zoals dieren die de kleur en vorm aannamen van boombast of sprietjes gras’.

Het merkwaardige is dat hun ouders niet de voorkeur hebben voor de gezeglijke, bescheiden Subhash. Integendeel, hun liefde lijkt eerder uit te gaan naar dwingeland en onruststoker Udayan.

De goeiigheid van Subhash neemt hand over hand toe. Als beide broers gaan studeren, werpt Udayan zich in het radicaal linkse verzet tegen de machthebbers – in de sixties op z’n Indiaas, met Marx en Adorno en Mao en al. Hij gaat zich inzetten voor het illegale naxalisme, naar het dorpje Naxalbari, waar de arme boeren in opstand kwamen tegen politie en grootgrondbezitters (als Lahiri uitweidt over de historische politieke ontwikkelingen blijft haar heldere, poëtische taal achterwege en lijkt het of je opeens in een droog leerboek terecht bent gekomen).

Hoofdpersoon Subhash is de goedheid zelve, maar hij is ook weinig opwindend, om niet te zeggen: doodsaai

Wat Udayan uitspookt, blijft lang vaag, maar kennelijk is het genoeg voor de politie om hem dood te schieten. Subhash, die inmiddels in Amerika aan zijn proefschrift werkt, komt terug naar huis en als hij daar ziet hoe zijn rouwende ouders de weduwe van zijn broer, Gauri, behandelen – erger dan een dienstmeid – offert hij zich op. Hij vraagt haar ten huwelijk, om haar, en het kind waarvan ze in verwachting is, in de Verenigde Staten een nieuw bestaan te bieden.

Het zijn, in kort bestek, de dramatische ontwikkelingen in The Lowland, die Lahiri heen en weer springend in de tijd, beetje bij beetje uit de doeken doet. Langzaam krijg je inzicht in wat Udayan op zijn kerfstok had, in hoeverre zijn vrouw Gauri medeplichtig was, en wat het betekent dat Subhash zich als een vader over hun dochter Bela ontfermt. Ondertussen leest The Lowland bovenal als een epische familieroman, die vier generaties omvat. Daarbij thematiseert Lahiri het verstrijken van de tijd, dat soms angstwekkend snel gaat, alsof een jaar geleden nog gisteren was, en soms is het alsof de geschiedenis nooit voorbij gaat. Ze symboliseert dat met het – wat clichématige – beeld van voetstappen in het zand, die binnen de kortste keren door de golven weggepoetst worden. En in het mooie beeld van de voetafdruk van Udayan in de met cement bedekte voorplaats van het ouderlijk huis in Calcutta: de ongehoorzame Udayan trotseerde het verbod van zijn ouders om naar buiten te gaan en verloor zijn evenwicht op het tijdelijke plankier, waardoor zijn voeten wegzonken in de nog natte cementlaag.

In die familiegeschiedenis neemt, zoals in de eerdere roman en verhalenbundels die Jhumpa Lahiri publiceerde, de immigrantenervaring een kleurrijke plaats in. Ze laat zien hoe de wereld waarin de nieuwkomers leven, waarbij ze vooral voormalig landgenoten opzoeken, aan de ene kant klein en claustrofobisch is. Aan de andere kant heeft Subhash op Rhode Island, waar hij woont, het gevoel dat hij zijn hele leven juist naar die plek op zoek is geweest, en dat hij vrij kan ademen juist in dit ‘piepkleine maar majesteitelijke hoekje van de wereld’.

En dan nog even over dat debat over aardige romanpersonages. Subhash is de goedheid zelve, maar hij is ook weinig opwindend, om niet te zeggen: doodsaai. Tegenover hem staat de charismatische Udayan, die zijn vrouw en ouders in het verdriet stort, als slachtoffers van zijn hogere doel. En er is Gauri, die in Amerika vooral eenzaamheid vindt, opgesloten in haar rouw. Zij is niet in staat een moeder voor haar dochter te zijn; Subhash neemt de ouderlijke taak liefdevol op zich.

Maar naarmate je verder leest begint het te schuiven. Udayan was vurig en idealistisch, maar ook egoïstisch. Subhash wijdt zich keurig aan zijn studie, de buitenwereld lijkt voor hem niet te bestaan, is brave zoon en toegewijde vader. Maar waar gaan plichtsgetrouwheid en aangepastheid over in gelatenheid en onverschilligheid? En is al die opofferingsgezindheid niet ook egoïstisch? Je kunt Lahiri voor de voeten werpen dat Udayan en Subhash als personages behoorlijk schematisch zijn: aardig versus meeslepend maar onverantwoordelijk. Gelukkig is er ook nog de in zichzelf gekeerde Gauri, de vrouw die na het verlies van haar man van de wereld afziet en zich in de filosofie stort. Net als de woedende vrouw van Clair Messud is zij een controversieel vrouwelijk personage, omdat zij niet van haar dochter kan houden. Zij is meteen ook het meest geheimzinnige personage van het boek.


De Nederlandse vertaling, Twee broers (vertaling Ko Kooman, Meulenhoff, 431 blz., € 19,95) verschijnt later deze maand