Opheffer

aardige ideeën

Op een dag kwam Theo van Gogh binnen op zijn kantoor en zei lachend dat hij «minister van Cultuur» ging worden. Pim Fortuyn had hem serieus voor die post gevraagd. Hij wilde het even in overweging nemen. Maar na enkele minuten, toen hij had gehoord welke plannen hij dan zou moeten opgeven (onder meer het filmen van een vervolg op Najib en Julia), zag hij ervan af. In diezelfde tijd speelde Theo heel serieus met het volgende plan. Hij wilde een reality tv-documentaire maken, namelijk: Leefbaar Theo. De bedoeling was dat hij voor Veronica een programma zou maken waarin hij zou proberen een politieke partij te beginnen. Deze plannen waren al zo goed als afgerond. We zouden ons inschrijven, en er waren alleen nog een paar «details». Wat als Theo meer dan één zetel zou halen? (Dat zat er trouwens dik in.) Wilde ik dan meedoen? Nee, absoluut niet. We besloten de overige zetels die we zouden krijgen te verdelen. Stel dat we twintig zetels zouden halen, dan zouden we, als het niet anders kon, de andere zetels verdelen onder de LPF (met For tuyn), de VVD, de SP, GroenLinks. Wat het CDA betreft hadden we een klein probleem. We vonden Joop Wijn een aardige man. Hij zou dus in aanmerking komen voor een zetel, maar eerder vonden we toch dat we Joop moesten overhalen naar een andere partij te gaan. Dus uiteindelijk zouden we het CDA niets geven.

Verder moest er natuurlijk een partij programma geschreven worden en hadden we een opvatting over democratie nodig. Dit lag ingewikkeld. We vonden dat de democratie onder druk stond – dat was de afgelopen jaren een terugkerend gespreksonderwerp – maar wat moest ervoor in de plaats komen? We vonden het begrip «partij» achterhaald; je kon beter ad-hoc-coalities vormen. Wij vonden het model van de republiek wel iets hebben. Maar waren wij voor een districtenstelsel of voor een handhaving van het stelsel zoals het nu is? Het waren lange gesprekken. Ik deelde de kritiek van Bart Tromp op de PvdA dat het de partij ontbrak aan een beginselprogramma met daarin een analyse van het kapitalisme. Dat vond Theo niet; we gingen het kapitalisme in zijn geheel niet ter discussie stellen. We vonden dat elk standpunt dat we hadden opmerkelijk zou moeten zijn. Ik herinner me dat Theo de monarchie wilde afschaffen, hij wilde juryrechtspraak, een gekozen officier van justitie, een gekozen rechter, een gekozen politiecommissaris en een gekozen burgemeester: we hadden al snel een hele lijst. Veel geld, extreem veel geld zou er gaan naar onderwijs en kunst.

Het filosofisch gehalte van ons beginsel programma leverde meer problemen op. Theo riep altijd dat hij blijmoedig naar de afgrond liep; hij wilde die blijmoedigheid terugzien. Dus enigszins decadent mochten de uitgangspunten wel zijn. Ik was behoudender: ik had een, volgens Theo, «psychotisch depressief wereldbeeld» dat door somberte bij elkaar werd gehouden, en hij verdacht mij ervan dat ik daarom toch stiekem «een nieuwe mens» wilde. Dat wilde ik niet, maar ik vond het een plicht dat wij de mensen «hoop» zouden geven. «Hoop? Hoop? Een hoop stront kunnen ze krijgen.» Of, zoals Theo het ook formuleerde: «Wanneer de mensen ronddwalen op de eenzame steppen van hun bestaan, dan denk jij dat hoop enige uitkomst biedt? Dat lijkt me naïef, geef ze dan maar meteen een godsdienst.»

Dat vond ik weer leugenachtig, want bij een godsdienst zou je alle verantwoordelijkheid toch in Zijn handen kunnen leggen in plaats van in je eigen, en bij «hoop» bood je nog enig perspectief waarvoor je zelf verantwoordelijkheid zou kunnen nemen. Ik gaf toe dat die «hoop» iets paradoxaals had, maar als je geen hoop had, waarom richtte je dan een politieke partij op? Maar Theo wantrouwde die hoop: «Iedereen geeft maar hoop. Dat is niks. Men wil lekker eten, drinken en neuken… Hoeren moeten een subsidie krijgen… Schrijf je dat even op?»

Ik deed dat met genoegen.

Het programma en de partij gingen niet door. Ik weet dat die beslissing viel op het moment dat Theo al een kopie van zijn pas had gemaakt die hij nodig had toen hij zich met Leefbaar Theo wilde inschrijven. Ik meen dat de omroep afhaakte, maar zeker weten doe ik het niet.

Wanneer ik nou Peter R. de Vries zie met die nieuwe partij van hem (de PRDV) dan vind ik het weer jammer dat Leefbaar Theo niet is doorgegaan. We verheugden ons op Theo’s tafel gesprekken: Theo zou, met een knipoog naar Hitler, redevoeringen houden op sponsor diners om geld voor zijn partij te krijgen, lees: geld om die documentaire over het ontstaan van zijn partij te maken. Die tafelgesprekken zouden we uitgeven. We zouden ook enkele «acties» ondernemen om publiciteit te trekken: met een zeepkist op het Binnenhof staan, met zo’n roeitoeter de kamerleden ondervragen, en we zouden elke dag een persbericht laten uitgaan, lees: korte columns à la Theo, dus met fijne beledigingen erin. Meenden we het? Zeker! We hadden er veel plezier in. Theo zei dat hij er erg naar uitzag zich gehaat te maken.

Ik vraag me af of Peter R. de Vries ook dit soort aardige ideeën heeft.

Ik vrees van niet. Peter is een uitstekende onderzoeker, een geweldig televisieprogrammamaker, maar ik weet niet of hij zin in de politiek heeft. Kan hij «politiek maken»? Dit wordt vaak verkeerd verstaan als compromissen sluiten, maar hiermee bedoelden «wij» destijds: de knuppel in het hoenderhok gooien en je begeven op de grenzen van het toelaatbare en daar soms overheen gaan, anders gebeurt er niets. Wij vonden dat een beetje kamerlid eigenlijk met grote regelmaat gearresteerd moest worden, omdat hij «ruiten had ingegooid», zich had vastgeketend aan het bed van een misdeelde zieke die geen hulp krijgt – en ik herinner me ook dat we met een ezel en een varken naar de Sint-Jan wilden om daar aan de gelovigen te laten zien dat dit eigenlijk God en Allah waren – godsdienstvrijheid nietwaar en vrijheid van meningsuiting… «Dat zal gedonder geven!»

Theo werd vermoord om een film…

Ik hoop dat Peter R. de Vries weet wat hij doet.