Aards en tevreden

Peter Buijs
De eeuw van het geluk: Nederlandse opvattingen over geluk ten tijde van de Verlichting, 1658-1835
Verloren, 288 blz., € 29,-

Vrijwel niemand kan precies omschrijven wat hij eronder verstaat, maar tegenwoordig is iedereen ervan overtuigd dat hij er recht op heeft: geluk. Ooit was dat anders. In de oudheid werd het gezien als een geschenk van de goden, dat trouwens niets te maken had met zich goed voelen, maar met goed zijn. Ook als de goden het op je gemunt hadden, moest je proberen zo goed mogelijk te leven. Pas op het eind van iemands leven kon de balans worden opgemaakt, en worden vastgesteld of iemand een gelukkig leven had geleid.

Ook in het christendom was het geluk een door God geschonken genade, al had die voornamelijk betrekking op het hiernamaals. Het streven naar aards geluk was heel menselijk, maar daarom ook dubieus. De wereld behoorde een tranendal te zijn en wie daar als een goed christen doorheen was getrokken, zou in de hemel rijkelijk worden beloond.

De grote omslag in het denken over geluk vond plaats tijdens de Verlichting. Radicale denkers als Descartes en Spinoza zagen geluk niet langer als een geschenk van God, maar als het resultaat van een deugdzaam leven. De mens kon dus zelf het geluk nastreven.

Dit geluksdenken was uitgesproken elitair en rationalistisch. Men zocht naar wetmatigheden en geloofde in een eenduidig en meetbaar geluksconcept, dat nog steeds sterk was gekoppeld aan het begrip ‘deugd’.

Mede onder invloed van deze radicale Verlichters kwamen ook sommige theologen met een meer positieve waardering van het aardse geluk. Als die vermaledijde atheïsten beweerden dat het christelijk geloof onverenigbaar was met een gelukkig leven, dan zouden zij wel eens laten zien dat dit onzin was. Doordat in de loop van de achttiende eeuw christendom en aards geluk niet meer diametraal tegenover elkaar stonden, werd het geluksdenken acceptabel voor een steeds breder publiek. Het werd hierdoor minder elitair, minder radicaal, en de nadruk verschoof van deugdzaamheid naar tevredenheid.

Het boek van Peter Buijs – dat gebaseerd is op minutieus onderzoek naar meer dan zestienhonderd teksten die in ons land over geluk werden geschreven – leert ons niet alleen veel over de ontwikkeling van het denken over geluk, het is tevens een belangrijke bijdrage aan de geschiedenis van de Verlichting. Niet alleen bevestigt Buijs de these van Jonathan Israel dat de zogenaamde Radicale Verlichting die rond 1650 ontstond de motor vormde voor enorme intellectuele en culturele omwentelingen, maar tevens laat hij zien dat de Republiek minder afweek van het algemene patroon van de Verlichting dan veelal wordt beweerd.