Kunst: Caravaggio

Aards licht

Caravaggio, De graflegging van Christus, 1602-1603. Olieverf op doek, 300 x203 cm. Utrecht, Caravaggio en Europa © Pinacoteca Vaticana, Vaticaanstad

Het Centraal Museum Utrecht toont vanaf volgende week een absoluut topwerk van Michelangelo Merisi bijgenaamd Caravaggio: De graflegging van Christus, afkomstig uit de collectie van het Vaticaans Museum. Dat is een zeldzaamheid, iets om u alvast even op te attenderen. Caravaggio geldt als een belangrijke vernieuwer van de schilderkunst aan het begin van de zeventiende eeuw, en daarmee als een belangrijke invloed op het werk van vernieuwingsgezinde schilders elders in Europa, de Nederlanden incluis. Het schilderij komt naar Utrecht omdat die stad kan claimen dat drie Utrechtse schilders – Dirck van Baburen, Hendrick ter Brugghen en Gerard van Honthorst – tot zijn meest interessante navolgers behoorden. Zij zagen zijn werk in Rome, ter plekke, en ze brachten een aantal van Caravaggio’s technieken en inzichten mee naar het Noorden.

Nu wordt daar vaak heel dik over gedaan. In de aanloop naar de opening bezigt ook het Centraal Museum woorden als ‘revolutie’, ‘nieuw realisme’, ‘ongekend drama’, en ‘een mysterie van licht’. Een paar jaar geleden werd dezelfde Caravaggio met hetzelfde verbale geweld gekoppeld aan Rembrandt, een geforceerde en niet werkelijk doordachte presentatie. Beide schilders spelen met licht, om de dramatische werking van hun scènes te verhevigen, maar de verschillen waren veel groter dan de overeenkomsten, en die verschillen waren heel fundamenteel.

Het aardige van de Utrechtse tentoonstelling is – op voorhand – dat men niet uitgaat van het idee dat Caravaggio het ‘absolute genie’ was, en zijn navolgers een stel vrome discipelen, maar juist dat de doorwerking van die inzichten en technieken overal heel anders uitpakte. Gentileschi, Borgianni, De Ribera, Vouet, Valentin de Boulogne, de Vlamingen Rombouts en Seghers – allemaal hebben ze ‘iets’ van Caravaggio meegenomen, maar allemaal iets anders. Gerard van Honthorst, bijvoorbeeld, legde zich geheel toe op het spelen met een onzichtbare lichtbron in het schilderij, een kaarsvlam die achter een hand gehouden wordt, een kribbe met het Christuskind dat geheel uit zichzelf licht lijkt te geven. Hij kon dat zo goed dat hij in Rome Gherardo delle Notti werd genoemd, maar het is, hoe knap ook, een handigheid, een middel ingezet voor het bereiken van een succesvol tafereel.

Bij Caravaggio ligt dat echt wezenlijk anders. Het is verleidelijk ook bij hem vooral te kijken naar het directe effect van het licht, hoe de schijnwerper wordt gericht op de handeling die kennelijk aandacht verdient, hoe bijfiguren daardoor in de schaduw belanden en in het duister nét even worden geaccentueerd. Caravaggio gebruikt die lichtval om je erop te wijzen dat dat, wat in het aardse licht cruciaal lijkt – het prachtige lichaam van de jonge Johannes de Doper, het epileptische corpus van de van het paard gevallen Saul, of het grauwe lijk van Jezus – juist niet belangrijk is. Er is altijd een tweede ‘zichtlijn’ in zo’n schilderij, alsof de hoofdpersoon een heel ander licht ziet, iets dat ons in het aardse ontgaat. Bij Caravaggio is het zichtbare licht geen metafoor, geen ‘mysterie’: het is bijzaak, zoals het lichaam zelf uiteindelijk bijzaak is.


Utrecht, Caravaggio en Europa, Centraal Museum, 16 december t/m 24 maart