Aardverschuivingen

Anders dan wel wordt gedacht, lag er met het regime van Donald Trump nooit echt een dictatuur op de loer. Trump, de vermeende strongman, was niet een potentiële Mussolini. We gaan ze vergelijken. (En vergeet daarbij generaal Boulanger niet.)

Karikatuur van Georges Ernest Boulanger, 1889 © Universal History Archive / Universal Images Group / Getty Images

Kort geleden stelde historica Annelien De Dijn hier in De Groene voor om de term ‘populisme’ in de ban te doen. Het was een misleidend frame, schreef ze, als je de episodes in de Europese geschiedenis probeerde te verklaren waarin de democratie ten onder ging. Dictators als Mussolini en Hitler dankten hun opkomst namelijk niet primair aan de steun van de massa; hun verkiezingssuccessen waren beperkt, Hitlers nsdap won nooit een meerderheid in de Bondsdag, toen Mussolini in 1922 tot premier werd uitgeroepen had hij bij de verkiezingen het jaar ervoor maar negentien procent van de stemmen gekregen. Natuurlijk hadden ze een grote volkse aanhang, maar hun opkomst was ondenkbaar zonder de steun van bankiers, industriëlen en conservatieve elites.

Als Frans voorbeeld noemde De Dijn Georges Ernest Boulanger (1837-1891), een populistische generaal, die in 1890 het land ontvluchtte nadat er een parlementair onderzoek tegen hem werd gestart om te bekijken of hij had samengespannen om de zittende regering omver te werpen.

Het was goed om de naam Boulanger weer eens tegen te komen. Voor het huidige politieke klimaat, met de veelgenoemde ‘populistische verleiding’ van sterke, schijn-democratische leiders die zich beroepen op een glorieus verleden tegenover een rommelig heden, wordt vaak de vergelijking met de jaren dertig van de vorige eeuw gemaakt. Dat is een vergelijking die nooit helemaal past – toen waren de westerse samenlevingen getraumatiseerd door een (verloren) wereldoorlog en door een Grote Depressie, op een manier waarvoor geen echte hedendaagse parallel te trekken valt. De maatschappijen waren bovendien vaak sterk gemilitariseerd, de rechtspraak was dubieus. Nog een verschil met nu: Italië en Duitsland waren allicht nostalgisch over het gezin en de Heimat, maar het waren regimes die zich vooral typeerden door hoe ze vooruit keken (duizend jaar, maar liefst) en een nieuwe wereld voor zich zagen, hoe verfoeilijk ook.

De conservatieve wending van nu, denk ik, past eerder bij het Frankrijk van Georges Boulanger, aan het einde van de negentiende eeuw. Figuren als Thierry Baudet en Freek Jansen van Forum voor Democratie, bijvoorbeeld, zijn makkelijker in Parijs 1880 te situeren dan in Berlijn 1933. Ook toen was er weliswaar een verloren oorlog (die van 1870, met Duitsland), maar die deed een deel van Frankrijk niet uitkijken naar een nieuwe maatschappij, maar naar een oude. Voorheen vooruitstrevende politici, journalisten, filosofen en schrijvers maakten een draai en begonnen het verleden te verheerlijken, omarmden het katholicisme en verwierpen elke vorm van kosmopolitisme en cultuurrelativisme.

In dit landschap was Georges Boulanger, heel even, de grote voorman. Het is een veelzeggend verhaal. Als minister van Oorlog groeide Boulanger uit tot een mediafiguur, een flamboyante verschijning op een markant zwart paard. Hij flirtte met de al opgeheven monarchie (waar veel heimwee naar was) en belichaamde het verlangen naar revanchisme op Duitsland, dat in 1870 zoveel Frans grondgebied had buitgemaakt. Toen hij in 1887 werd ontslagen omdat hij bijna eigenhandig een oorlog met Duitsland uitlokte, duwde hem dat in de richting van een politieke carrière: in 1888 wonnen ‘Boulangisten’ door het land heen lokale verkiezingen.

Het jaar erop werd hij zelf verkozen als volksvertegenwoordiger voor Parijs. Toen die uitslagen binnenkwamen bevond Boulanger zich met zijn kompanen in een restaurant aan de Place de la Madeleine, waar de hertogin van Uzès een banket ter meerdere glorie van hem organiseerde. Buiten dromde de menigte toe, scanderend ‘À l’Élysée! À l’Élysée!’, naar het paleis van de president! Boulangers entourage, haar gemoed verhevigd door de champagne, geloofde dat een staatsgreep mogelijk was, dat de gendarmes aan zijn kant zouden staan als hij een regering in zijn naam zou uitroepen.

Boulanger weifelde. Hij zei liever op de algemene verkiezingen later dat jaar te wachten. Maar terwijl de gemoederen nog vurig waren bij zijn volgers vertrok de man zelf met zijn minnares Marguerite de Bonnemains naar het zuiden. Al eerder was hij weken met haar weg geweest, zonder zijn politieke entourage op de hoogte te stellen van waar naartoe of hoe lang hij weg bleef. Ook nu bleef hij lang weg uit Parijs, zozeer dat zijn politieke tegenstanders zich konden wapenen, en de geruchten gingen dat er een formeel juridisch onderzoek zou komen omdat hij wellicht had samengespannen om de regering omver te werpen.

Zo leer je de man kennen: nog voordat het onderzoek echt was begonnen vluchtte Boulanger al naar Brussel. Oude vrienden probeerden hem te overtuigen terug te komen en zijn verplichtingen aan het Franse volk waar te maken – maar in de zomer van 1891 was zijn Marguerite overleden, weggeteerd aan tuberculose of maagkanker. ‘Mijn verplichtingen liggen bij deze tombe’, zei hij.

In Parijs werd zijn naam soms nog gescandeerd, bijvoorbeeld bij anti-Duitse rellen bij een voorstelling van Wagners Lohengrin, in september 1891. Maar Boulanger hoorde het niet, ging naar Marguerite’s graf, ging met zijn rug tegen haar naamsteen zitten en schoot zichzelf door het hoofd.

Wat is de les van Boulanger? Annelien De Dijn gebruikte hem als voorbeeld van een potentiële dictator die stukliep op de zittende macht. Je kunt het ook anders bekijken, namelijk dat Boulanger laat zien dat de beweging van een strongman net zo strong, excuus, is als die man. Je moet het maar net kunnen opbrengen om dictator te worden. Het is niet weggelegd voor de gevoeligen des harts, of voor wie zich laat afleiden door liefdesverdriet of persoonlijke relaties. Zelfs als je een politieke beweging achter je hebt, een gewillige massa, een militair of politioneel apparaat dat aan jouw kant staat, moet je het als leider aandurven. De antidemocratische regimes begonnen steeds met figuren die vanuit een minderheid de alleenheerschappij claimden. Dat is wat de strongman sterk maakt – dat hij door de tegenstand heen drukt, en zo’n kracht uitstraalt dat tegenpartijen wegkijken, het opgeven, en zich voegen.

De weg naar de dictatuur is zelden die van de stembusgang. Maar het begint met populisme, met een opgezweepte aanhang die de strongman het gevoel geeft dat hij moet testen hoe sterk hij echt is, en hoe zwak de rest. Onder historici is het niet heel gangbaar meer om de geschiedenis te zien als, zoals Thomas Carlyle’s beroemde stelling, ‘de biografie van enkele Grote Mannen’. Maar de geschiedenissen van opkomende dictaturen zijn niet te zien zonder de populistische volksmenners zelf, zonder hun persoonlijkheden mee te nemen.

Twee voorbeelden, twee nieuwe boeken. Het ene journalistieke non-fictie, het andere hoge literatuur.

Twee jaar geleden verscheen M: De zoon van de eeuw, het eerste deel over het leven van Mussolini, van de Italiaanse schrijver Antonio Scurati. Dat boek las weergaloos; met een daverende dynamiek beschreef Scurati een maatschappij waarin alles politiek was, alles gepolariseerd, alles strijd. In die storm bleef Mussolini het stevigst overeind. Scurati verzon weliswaar de innerlijke monologen van zijn historische personages, maar hij liet ze niets zeggen dat ze niet ook daadwerkelijk gezegd hadden, hij citeerde uit brieven, toespraken en documenten – het boek hield het midden tussen fictie en geschiedschrijving.

Michael Wolff velt over Donald Trump een verrassend vonnis: vrijspraak. Op basis van domheid, edelachtbare

Deze zomer verscheen het tweede deel, M: De man van de voorzienigheid. Het begint in 1925 als Mussolini inmiddels premier is en het is in feite een studie in eenzaamheid. Die van Rodolfo Graziani, die het stroeve Italiaanse leger in Libië leidt en uiteindelijk tot de bouw van concentratiekampen overgaat om de bevolking onder de duim te krijgen; die van Augusto Turati, die essentieel is in het om zeep helpen van de parlementaire democratie, en daarna op een zijspoor belandt; en die van Mussolini zelf, die uitsluitend nog in termen van macht kan denken over al zijn relaties.

In zekere zin moet Mussolini de macht consolideren om de verschillende fascistische kampen tot één te smeden, en de grote ego’s op één lijn te krijgen: ‘Het akeligste is wel dat na afloop van de revolutie de revolutionairen overblijven. Als de macht met geweld is veroverd, hou je de geweldenaars over.’ Dat betekent veel oude vrienden afstoten. Dat doet hij moeiteloos, zoals hij ook zonder veel moeite naar zijn ooit zo vertroetelde dochter kijkt. Hij laat haar volgen door het net opgetuigde geheime politieapparaat, zodat ze haar foute vriendjes kunnen wegwerken en haar uiteindelijk aan een betere partij uithuwelijken. Mussolini ziet zichzelf steeds minder als privé-persoon, enkel nog als De Geschiedenis zelve.

Scurati’s stijl is soms sarcastisch, maar meestal droog, afstandelijk. De lezer moet zelf zijn oordeel vellen. Net als het eerste deel heeft het boek een razend tempo. Scurati laat ook haarfijn de ineenstorting van de democratie zien: midden in een gekozen parlement eist Mussolini de alleenheerschappij op. Dat dat lukt, zegt dat iets over de dreiging van Mussolini, of over de zwakte van de rest? Het bizarre is dat wanneer Scurati zijn Mussolini tegenover het parlement laat speechen: ‘Ik ben Italië. Ik ben het fascisme. Ik ben de zin van de strijd. Ik ben het grootste drama van de geschiedenis’, je hem nog gelooft ook.

Vergelijk dat eens met Donald Trump. Een president die twee keer – in 2016 en 2020 – de popular vote verloor, en toch regeerde alsof hij een kolossale volmacht had.

Deze zomer verscheen Aardverschuiving, het derde deel over Trumps Witte Huis van de Amerikaanse journalist Michael Wolff, die eerder de bestsellers Vuur en woede en Staat van beleg schreef. Hoewel hij het regime glashard in zijn nepotisme en egoïsme vatte, bleef Wolff ongekende toegang tot de president en zijn cronies hebben, en maakte hij zodoende de verkiezingsdagen en de bestorming van het Capitool begin dit jaar mee vanuit Trumps kring.

In zekere zin weet je hoe het er in die kring (‘kring’, zoals in Dante’s hel, zou je denken) aan toe gaat. En in zekere zin blijft je dat verbazen. Het bedrog, het zelfbedrog, het grenzeloze narcisme, dat Trumps advocaten als drammende peuters weigeren aan een rechtszaak mee te doen als hun tienerkinderen niet op de eerste rij mogen zitten. Dat het staatshoofd niet goed weet hoe mail werkt, of WhatsApp, of Powerpoint. Dat Rudy Giuliani, permanent dronken, zo’n flatulentie heeft dat alle stafmedewerkers maar al te graag die anderhalve meter afstand houden. Alles onderschrijft nog maar eens Philip Roth’s these dat Amerika geen ruimte heeft voor satire, omdat de politiek van nature al zo grotesk is.

Natuurlijk lees je Aardverschuiving om zo snel mogelijk bij 6 januari te komen, de bestorming van het Capitool – de meest opzienbarende gebeurtenis in decennia en het hoogwatermerk van de antidemocratische golf van haat waarop Trump dreef.

Wolff velt wat dat betreft een verrassend vonnis: vrijspraak. Op basis van domheid, edelachtbare. Al eerder legde Wolff uit dat Trump niet uit schaamte weigerde toe te geven dat hij de verkiezingen had verloren, maar dat hij het gewoon niet begreep. Wolff schrijft: ‘Trump-world bestond uit twee niveaus: de mensen binnen zijn gehoorsafstand, een niveau dat hij volledig onder controle had, en mensen en gebeurtenissen daarbuiten, een niveau waarin hij doorgaans niet geïnteresseerd was, van op de hoogte was of tot zijn werkelijkheid rekende.’

Het probleem was dat zijn staf het niet aandurfde te vertellen dat hij de verkiezingen écht had verloren, en dus maar zweeg. Uiteindelijk werd het steeds stiller, waarop Trump de ganse dag ging bellen met mensen die hem wél naar de mond bleven praten.

6 Januari was de perfecte storm. Terwijl het Huis van Afgevaardigden samenkwam om de uitslag van de verkiezingen te ratificeren, vonden er meerdere pro-Trump-demonstraties tegelijk plaats, die elkaar opzweepten. Verschillende Republikeinen (met name de Senatoren Ted Cruz en Josh Hawley) verhardden hun retoriek omdat ze wisten dat dit hun laatste kans was om de meute aan te spreken – dit deden ze niet uit compassie met Trump, maar omdat ze 2024 in gedachten hadden, en dan Trumps achterban voor zich wilden winnen als ze zelf een gooi naar het presidentschap zouden doen. En zelf kwam Trump met een vat olie voor het vuur aanzetten door tegen de demonstranten te roepen dat de verkiezingen gestolen waren, ‘dus laten we Pennsylvania Avenue op gaan…’ Wolff schrijft dat stafmedewerkers meteen ongerust waren en zeiden dat hij niet kon meemarcheren naar het Capitool. Trump keek ze verbaasd aan: ‘Ik bedoelde het ook niet letterlijk.’

Zo werd het wel opgevat. De beelden zijn bekend; de demonstranten forceerden zich een weg het Capitool in, zowel Democratische als Republikeinse politici renden voor hun leven, politieagenten werden bijna vertrapt, een rellende vrouw werd doodgeschoten, vier anderen overleden in de chaos. En terwijl dit plaatsvond was Trump alleen bezorgd over de verkiezingsuitslag en of die nog op een of andere manier omgedraaid kon worden. Het duurde anderhalf uur voordat zijn staf en zijn familie hem ervan konden overtuigen iets over de rellen te zeggen, op z’n minst iets te tweeten. Eigenlijk wilde hij ze niet erkennen. Ze voltrokken zich immers niet in zijn directe bijzijn, maar buiten, op tv, en wat hij niet direct kon zien had voor hem geen concrete betekenis.

Niet dat de boeken van Wolff Trump vrijpleiten van het feit dat het een volkomen ondemocratisch, populistisch sujet is. Hij belichaamde inderdaad de autoritaire verleiding, met zijn nationalisme, zijn xenofobie, zijn evidente seksisme en racisme, zijn vijandschap tegenover de vrije journalistiek en zijn wens de wetenschap en de rechtspraak te politiseren. Wat Wolff wél duidelijk maakt is dat Trump nooit een potentiële Hitler of Mussolini is geweest. Hooguit een Boulanger. Simpelweg omdat het een slapjanus is, iemand vol zelfmedelijden die louter reageert, nooit acteert en op eigen initiatief iets – een politieke agenda, een snood plan – heeft geprobeerd te bewerkstelligen. Het zal niet zijn dat hij, bijvoorbeeld, er nooit over gefantaseerd heeft om bepaalde journalisten op te pakken, maar dat hij er het lef niet voor had. Nooit heeft hij de discipline gehad om zijn beweging tot een efficiënt apparaat uit te bouwen; zijn werkdagen waren doorgaans kort, lui, versnipperd.

Als je de theorie aanhoudt dat een populistische beweging zo sterk is als de eigen strongman, dan moet je erkennen dat er met Trump nooit echt een dictatuur op de loer lag. Als dat als een opluchting klinkt, is dat niet de bedoeling – integendeel. Trump was een zwakke leider, en alsnog zakten talloze instituties die de democratie omhoog zouden moeten houden voor hem door de hoeven. De conservatieve media vielen hem niet af, de Republikeinen bleven hem rugdekking geven, stemden impeachment-voorstellen van tafel (zoals ze het ook onmogelijk maakten een parlementair onderzoek naar 6 januari in te stellen), waar nog maar eens duidelijk werd dat de checks and balances in de staatsinrichting weinig voorstellen.

Het gevaar is dus: wat gebeurt er in de VS als de populistische sentimenten ooit geleid worden door iemand die wél een ruggengraat heeft, niet bang is om persoonlijk gevaar te lopen, en proactief de wetten durft te breken om zijn eigen agenda door te drukken?