Profiel: Amitai Etzioni

Aartsvader van het communitarisme

Een van de merkwaardigste debatten in onze parlementaire geschiedenis vond plaats op 18 december 2002, toen de Tweede Kamer zich boog over een brief van demissionair premier Balkenende over normen en waarden. Voordat de discussie vastliep in meningsverschillen over posters in bushokjes en ander klein leed gingen diverse woordvoerders openlijk te rade bij de voormannen van hun politieke stroming. Gerrit Zalm beriep zich op Thorbecke, Bas van der Vlies (SGP) op Groen van Prinsterer en Mat Herben op Fortuyn. Jan Peter Balkenende daarentegen verwees niet naar Kuyper en zelfs niet naar de bijbel, maar naar de Amerikaanse socioloog Amitai Etzioni.

Die verwijzing was geen loos gebaar. Het hele debat lang bleef Balkenende trouw aan zijn favoriete Etzioni-boek The New Golden Rule (1998) waarin de Amerikaan schrijft dat politici niet zelf normen moeten stellen, maar dat zij een soort gemene deler van de heersende normen en waarden in hun samenleving moeten zien te vinden en die metterdaad ondersteunen. «Waarden kunnen niet door de overheid worden opgelegd», sprak de premier. «De overheid kan hoogstens aansluiten bij initiatieven en acties die in de samenleving opbloeien om waarden en normen te versterken. De Kamer moet luisteren naar burgers en zoveel mogelijk gebruik maken van de positieve energie in de samenleving zelf.»

Omdat hij ten koste van alles het «gemeenschappelijk fundament van onze samenleving» wilde blootleggen, bleef Balkenende in het debat Oost-Indisch doof voor de princi piële verschillen tussen partijen, bijvoorbeeld als het gaat om «ethische» kwesties als euthanasie en abortus. Hij had alleen oog voor de overeenkomsten, althans voor zover die pasten in zijn vooropgezette idee van een joods-christelijk fundament dat volgens hem (en Etzioni) openlijk of sluimerend in het hele Nederlandse volk aanwezig is. Vandaar dat hij momenteel pleit voor een «joods-christelijke» préambule bij de Europese Grondwet omdat «we» dat volgens hem in Nederland willen.

Dat belooft nog wat voor de tweede helft van 2004, wanneer Balkenende als EU-voorzitter het normen- en waardendebat op Europees niveau wil herhalen. Het is onmogelijk een moraal te formuleren die kan dienen als «gemeenschappelijk fundament» voor piëtis tische Duitsers, vrijgevochten Zweden en Poolse rooms-katholieken. Dit geforceerde collectivisme is een van de voornaamste tegenspraken in Etzioni’s werk waarin het hele CDA zich door toedoen van zijn fan Balkenende dreigt te verstrikken.

Voor die tegenspraken is maar één verklaring: Etzioni’s politieke visie is geheel vergroeid met zijn autobiografie. Zijn vroegste herinnering is een bijna-ongeluk in Keulen, waar hij in 1929 als Werner Falk het licht zag. In zijn autobiografie My Brother’s Keeper: A Memoir And a Message (2003) schrijft hij: «Het was januari 1933; ik was vier jaar oud. De auto maakte een scherpe bocht en ik greep een hendel waardoor de deur openvloog. Mijn va der — zo werd mij later verteld — heeft me op het laatste moment teruggetrokken in de auto. Maar het gevoel dat bij mij is achtergebleven, is niet dat van op het nippertje te worden gered, maar dat van door een oncontroleer bare kracht de kou in te worden geslingerd.»

De hand van zijn vader die hem op het laatste moment grijpt; de angst om «eruit te vliegen» — wie Etzioni’s latere werk kent, begrijpt dat hij deze eerste herinnering met veel gevoel voor symboliek heeft uitgekozen.

Zijn ouders ontvluchten nazi-Duitsland en laten de kleine Werner achter bij hardvochtige grootouders en een tante, waar hij pijnlijk het gemis van een warm nest voelt. Niet veel later, wanneer hij in Palestina op kostschool zit, leert hij zijn belangrijkste les over de waarde van een hechte sociale omgeving. De school is arm, veel te eten is er niet en de jongens hebben voortdurend honger. Op een nacht breken Werner en een paar vrienden in in de gemeenschappelijke kippenren. Ze slachten een kip, die ze plukken, braden en opeten. De diefstal komt uit. De schoolleiding legt de lessen stil om met de hele school te beslissen over een passende straf voor de jonge dieven.

Werners medeleerlingen blijken nog woedender dan de schoolleiding. «De jury, bestaande uit leeftijdgenoten, wilde ons al onze koffers laten pakken toen de leraren hen konden overreden om het bij een maand huisarrest te laten. Die verrassend lichte straf verzachtte niet de schrik van de bijna tastbare verontwaardiging van een groep.»

Weer heeft Etzioni het gevoel de kou in te zullen vliegen. Maar dit keer heeft dat dreigende vooruitzicht een goede kant: het houdt hem voortaan op het rechte pad. Voor het eerst is hij zich bewust van het mechanis me van groepsdruk: schaamte is een belangrijker drijfveer dan straf. De angst te worden verstoten is de kurk waar een gemeenschap op drijft.

Tegelijk stelt een hechte gemeenschap het individu in staat ongekende hoogten te bereiken, zoals hij zelf ervaart als soldaat van de pas opgerichte staat Israël. De Hebreeuwse naam die hij vanaf nu met trots draagt is samengesteld uit de woorden emet («waarheid»), etz («boom») en Zion («Israël»). Hij publiceert zijn belevenissen als Dagboek van een commando (1951) en trekt daarmee zoveel aandacht dat Martin Buber besluit hem ondanks zijn ontbrekende vooropleiding als student aan te nemen. Bubers specifieke opvatting over de waarde van de menselijke «dialoog» is bepalend voor Etzioni’s latere theorievorming.

Als hij in 1958 professor in de sociologie wordt aan de Universiteit van Berkeley com bineert hij zijn ervaringen met de leerstof van Buber tot een wetenschappelijk concept waarvoor hij de term «communitarisme» munt. Dat resulteerde, naast een plank vol boeken, in de jaren negentig in de oprichting van een volwassen politieke beweging met een eigen platform en een website met statiefoto en officiële biografie van Etzioni als virtuele aarts vader van het communitaristische tijdperk.

Communitaristen geloven niet in van bovenaf opgelegde regeltjes, zeggen ze. Zij vertrouwen op de wijsheid en ervaring van een gemeenschap die zijn vervat in ingesleten patronen, gewoonten en tradities. Die tradities vereisen dat de burger niet alleen zijn eigen rechten, maar ook zijn verantwoordelijkheden kent. Dat hij zich inzet voor zijn gemeenschap omdat het lot van die gemeenschap hem iets kan schelen. In de communitaristische maatschappij wordt véél gepraat. In de hechte verbanden van familie, kerk en vereniging is de kans klein dat iemand van het rechte pad raakt. En mocht dat wel gebeuren, dan «neemt de buurman hem mee voor een ommetje in het bos», schrijft Etzioni dreigend in The Spirit of Community. «Of anders richten de gesprekken in de supermarkt, de kroeg of bij de watercooler zich tegen degene die de regels overtreedt.»

Anders dan een politieagent probeert de buurman een recalcitrant individu te overtuigen zich beter te gedragen. Overreding werkt beter dan boetes, gevangenissen en wielklemmen zonder morele boodschap. De overtreder voelt zich door de overheid weliswaar gestraft, maar schaamt zich niet. Als er geen gemeenschap is waaruit men in het ergste geval kan worden verstoten, verloedert de maatschappij waar we bij staan. En dat is volgens Etzioni dan ook het geval dankzij het hedonisme van de jaren zestig en het doorgeschoten individualisme van de jaren tachtig en negentig. Zo kan het gebeuren dat drugs op klaarlichte dag worden verhandeld, dat tieners seks vóór het huwelijk hebben en dat zelfs de president van Amerika liegt over zijn seksuele escapades.

Hoezeer het communitaristische alternatief ook ruikt naar verstikkend conformisme, naar achterklap en gereformeerde bedomptheid, uit Etzioni’s boeken straalt niettemin een paradijselijke rust van betrouwbare buren, blinkend schone straten en algemeen aanvaard gezag. Wat nog ontbreekt, is een plan van aanpak. Hoe moeten we een maatschappij die dreigt te bezwijken aan te veel vrijheid en blijheid terugpersen in sociale structuren met overeenkomstige controle? Hoe breng je burgers ertoe elkaar terecht te wijzen én zich iets van elkanders terechtwijzingen aan te trekken? De overheid kan immers niets van bovenaf opleggen, want gemeenschapszin moet juist uit burgers zélf komen. Die mogen zich aan hun eigen verloederde haren uit het moeras van onfatsoenlijkheid trekken. Maar wie gaat ze dat nieuws vertellen? En hoe?

Uit de kleine lettertjes van zijn geschriften blijkt dat de communitaristische praktijk minder vertrouwen stelt in het zelfcorrigerend vermogen van de samenleving dan Etzioni wil doen geloven. Hogere boetes voor fraude bij bedrijven! Levenslange isolatie van pedofielen in elektronisch bewaakte dorpen! Een krach tiger overheid, meer regeltjes van bovenaf, meer controle. De «onzin van privacy» is zelfs één van Etzioni’s stokpaardjes. Het gezeur over de onaantastbaarheid van de privé-sfeer moet eens afgelopen zijn, schrijft hij in zijn boek The Limits of Privacy (1999). Iedereen moet aan de nationale identiteitskaart; chauffeurs, piloten en machinisten moeten verplichte alcoholtests ondergaan en hiv-patiënten hun besmetting alom kenbaar maken.

Etzioni staat bekend als een «alles-expert» (Time) met een vlugge pen. Zijn website verzamelt de duizenden artikelen die hij in tijdschriften, boeken en websites schrijft. Ze gaan over uiteenlopende onderwerpen, maar puilen uit van ronkende adviezen, meningen en meninkjes. Wapenbezit moet worden verboden. Werken bij McDonald’s is niet goed voor de persoonlijke ontwikkeling. Nasa moet meer onbemande ruimtevluchten uitvoeren.

In het verlengde van zijn theorieën pleit Etzioni voor een virtuele herinvoering van de schandpaal: scheer jonge criminelen kaal, stuur ze in hun onderbroek naar huis en vermeld hun misdragingen met naam en toenaam op tv en in de lokale kranten in plaats van hen jarenlang te laten brommen.

In de jaren negentig had Etzioni zowaar enige hooggeplaatste aanhangers, onder wie Bill Clinton en Tony Blair, terwijl hij ook werd gesignaleerd met de gediscrediteerde Helmut Kohl en de geflopte Ehud Barak. Sinds een paar jaar lijkt zijn ster te dalen en wordt hij minder gevraagd voor seminars, terwijl hij op zijn website klaagt dat Bill, Tony en de anderen nooit meer bellen.

Het gaat te ver om uit zijn dalende prestige de mislukking van het communitaristische project af te leiden, maar dat prestige zal zeker niet terugkeren nu de geestelijke vader steeds radicalere taal begint uit te slaan. Enkele jaren geleden wekte hij op bezoek in Amsterdam algemene weerzin door te pleiten voor herinvoering van de «antisodomiewetten» en de laatste maanden maakt hij ook al geen nieuwe vrienden door George Bush op te roepen mee te betalen aan de bouw van de Israëlische muur door Jeruzalem onder het motto «A fence to make good neighbours». Is Etzioni’s opvatting van «gemeenschap» behalve buitengewoon repressief ook nog mono-etnisch?

Ook als wetenschapper schiet Etzioni te kort. In zijn analyse van groepsprocessen houdt hij geen rekening met klassieke sociologische vraagstukken zoals de ongelijke verdeling van macht, bezit, kennis of status. Zodoende zijn de begrippen «gemeenschap» en «staat» bij hem synoniem, terwijl zijn pleidooi tegen de in de jaren zestig ontstane «rechtencultuur» voorbijgaat aan het belang van achtergestelde groepen die op goede gronden bepaalde rechten voor zich opeisen.

Etzioni gaat ook voorbij aan de procedurele voorwaarden voor het functioneren van een democratie en aan de moeizame verhouding tussen meerderheid en minderheid die maar al te vaak ontspoort doordat de eerste zijn standpunt aan de tweede oplegt. Doordat die factoren buiten beeld blijven, komen de normatieve groepsprocessen van Etzioni neer op puur repressieve exercities onder het alziend oog van Vadertje Staat.

Volgens de conservatieve Britse filosoof Roger Scruton negeren Etzioni en andere communitaristische denkers als Charles Taylor, Michael Walzer en Michael Sandel een essentieel ervaringsfeit. «Geen van hen wil onder ogen zien dat de sterkste gemeenschappen in de moderne wereld, degene die hun leden materieel en moreel het best ondersteunen, ook gesloten gemeenschappen zijn — gemeenschappen die een waakzame vijandigheid handhaven tegen buitenstaanders en niet-gelovigen.» Omdat ze enerzijds hunkeren naar de denkbeeldige geborgenheid van vroeger, maar anderzijds niet willen afzien van de rechten en vrijheden waarop hun eigen be voorrechte academische leventje is gebouwd, maken de communitaristen volgens Scruton niet duidelijk wat ze nu eigenlijk willen.

«Zijn ze voor of tegen traditionele waarden?» vraagt hij. «Zijn ze voor of tegen economische vrijheid? Zijn ze vóór een stelsel van sociale voorzieningen omdat het onze zorg voor de underdog uitdrukt of zijn ze ertegen omdat het de verantwoordelijkheid en zelfstandigheid ondergraaft?»

Naarmate Etzioni zichzelf overschreeuwt, wordt maar al te duidelijk dat hij staat voor dezelfde reactionaire waarden en normen als Scruton. Is dat, als het aan Jan Peter Balken ende ligt, ook ons aller voorland? Nu de Rotterdammers een muur tegen armen en allochtonen rond hun stad optrekken, wordt uit het Torentje alvast geen woord van protest gehoord tegen deze middeleeuwse methode van gemeenschapsvorming.