‘Als Irak en Libië kernmachten waren geweest, zouden die landen niet vernietigd zijn op de manier die we recent nog gezien hebben.’ Bij de Pakistaanse kernfysicus en atoomspion Abdul Qadir Khan gingen geopolitieke overtuigingen en persoonlijk opportunisme hand in hand. In Delft en Almelo ontfutselde hij cruciale nucleaire geheimen die Pakistan in staat stelde een atoombom te maken.

Het spionagesucces van Khan werd in Nederland lang ontkend. De vriendelijke fysicus scheen zo’n succesvol voorbeeld van inburgering en leek zich in ons land thuis te voelen. Een studie materiaalkunde die hij begon in West-Berlijn, waarin hij vooral uitblonk in metallurgie, maakte hij in 1965 af aan de TU Delft. Daarvoor trouwde hij al met de Nederlandssprekende Henny, met wie hij twee kinderen kreeg. Collega’s en vrienden kwamen graag over de vloer om gegrilde kip te eten.

Toch ging het mis. Khan promoveerde in Leuven en kwam op aanraden van zijn promotor te werken bij het Fysisch Dynamisch Onderzoekslaboratorium (fdo). Dat lab deed onderzoek voor Urenco, dat onder meer in Almelo met centrifuges verrijkt uranium produceert voor kerncentrales. Khan legde een uitzonderlijke interesse aan de dag voor ultracentrifugetechnologie en bracht in de Urenco-labs dagen door met het maken van foto’s, kopieën en aantekeningen. Medewerkers hielpen hem hierbij, vertaalden documenten en verschaften hem zelfs toegang tot afdelingen waarvoor hij eigenlijk geen autorisatie had, terwijl hij dit voor zijn werk allemaal niet nodig had.

In 1975 keerde Khan na zijn jaarlijkse vakantie naar Pakistan niet meer terug naar Nederland. Een jaar ervoor had Pakistans aartsvijand India voor het eerst een ondergrondse kernproef gedaan, waarop in Islamabad de noodzaak om zelf een nucleair wapen te ontwikkelen alleen maar meer werd gevoeld. In 1971 vochten de twee landen nog een korte oorlog uit, waarna Bangladesh zich losmaakte van Pakistan. De informatie van Khan kwam op dat moment zeer gelegen.

Khans collega Frits Veerman (1944-2021) vermoedde al langer dat de vrolijke fysicus er duistere motieven op nahield. Bij Khan thuis zag hij vertrouwelijke documenten van Urenco gewoon op het bureau slingeren. Hij trok aan de bel bij zijn werkgever, wat hem niet in dank werd afgenomen. Veerman kreeg een spreekverbod opgelegd, verloor zijn baan en werd nog jarenlang achtervolgd en geïntimideerd door bvd-agenten. Ondertussen kon Khan de eerste jaren na zijn terugkeer naar Pakistan nog doodleuk in Nederland onderdelen bestellen voor z’n nucleaire centrifuges.

De manier waarop de overheid omsprong met Veerman leidde in 2016 mede tot de oprichting van het Huis voor Klokkenluiders, dat de zaak oppakte. Pas in juli 2020 volgde eerherstel voor Veerman, zeven maanden later overleed hij. In 1983 werd Khan in Amsterdam in absentia veroordeeld tot vier jaar cel voor spionage. Twee jaar later werd dat vonnis vernietigd: een vormfout.

‘Wie heeft de ­atoombom gemaakt? Dat was ik’, zei hij ­borstklopperig

In Pakistan werd Khan hoofd van de verrijkingsdivisie van het kernwapenprogramma. Islamabad wilde eerst net als India een kernbom op basis van plutonium produceren, maar Khan wist de ingenieurs te overtuigen dat uranium een betere optie was, wat hem de bijnaam ‘Centrifuge Khan’ opleverde. Met hulp van de informatie van Urenco zorgde hij voor het benodigde hoge niveau van uraniumverrijking, wat gecombineerd met de kennis van militaire deskundigen resulteerde in de test van Pakistans eerste atoombom in mei 1998.

De militaire mijlpaal werd groots gevierd in Pakistan en leverde Khan de rest van zijn leven een heldenstatus op. ‘Wie heeft de atoombom gemaakt? Dat was ik’, zei hij borstklopperig. ‘Wat betreft onze vijanden, ik heb al hun plannen zinloos gemaakt.’ Duizenden mensen bezochten vorige week zijn staatsbegrafenis in de Faisal-moskee, vlaggen hingen halfstok en premier Imran Khan prees het ‘nationale icoon’ voor zijn bijdragen aan de nationale veiligheid.

Abdul Khan werd in 1936 geboren in Brits India in een islamitisch gezin. Als kind was hij meermaals getuige van religieus geweld tegen moslims, wat een diepe indruk op hem maakte. Ook de oorlog met India voerde hij op als motivatie om Pakistan een kernwapen te verschaffen. ‘Als we voor 1971 een [nucleaire] capaciteit hadden gehad, hadden we niet zo’n beschamende nederlaag geleden’, zei hij in 2011.

Toch was Khan zeker niet alleen gedreven door vaderlandsliefde. Hij verkocht atoomwapen-kennis aan Libië, Iran en Noord-Korea. Dat laatste land wist mede hierdoor begin 21ste eeuw ’s werelds nieuwste kernmacht te worden en hielp Islamabad als wederdienst met rakettechnologie. Westerse inlichtingendiensten hielden Khans activiteiten al langer in de gaten, maar een deal waarin de Libische leider Kadhafi zijn massavernietigingswapenprogramma opgaf in ruil voor banden met het Westen leverde veel informatie op over Khans ‘nucleaire supermarkt’.

De Pakistaanse premier Pervez Musharraf kon uiteindelijk de aantijgingen niet negeren. De atoomgeleerde bood in een televisietoespraak excuses aan voor het doorverkopen van kernwapenkennis en werd tot 2009 onder huisarrest geplaatst in een van zijn vijf riante woningen. Ondanks herhaalde verzoeken kregen buitenlandse inlichtingendiensten en het Internationaal Atoomagentschap nooit toestemming van Pakistan om Khan te ondervragen.

Khan was een van de grootste verspreiders van praktische kennis over het vervaardigen van kernwapens ooit. ‘Als Iran een bom gooit op Israël, staat er op de zijkant “Made in Holland”’, zei Frits Veerman in een interview met het AD.