Abnormaal, vreselijk en gevaarlijk

De Poolse Nobelprijswinnaar Olga Tokarczuk, pain in the ass voor de autoriteiten van haar land, houdt zich in een onlangs vertaalde roman op ergens tussen woede en gekte.

Olga Tokarczuk, Warschau, april 2018 © Adam Stępień / Agencja Gazeta

Meer dan de mannelijke ontvangers van de Nobelprijs voor de Literatuur hebben de vrouwelijke laureaten hun woede gemeen. Waar kritiek op de gevestigde orde voor mannelijke auteurs nogal eens uitloopt op een oefening in retorica, leveren vrouwen een gevecht op overleven in een patriarchale, misogyne samenleving. Kijk naar zulke uiteenlopende schrijvers als Svetlana Alexijevitsj, Elfriede Jelinek, Doris Lessing, Herta Müller, en er tekent zich een literair oeuvre af dat in toon, vorm en inhoud op de allereerste plaats subversief is. Alice Munro is in dit rijtje bijna een witte duif te noemen, ware het niet dat haar venijn zich binnenskamers tussen de personages roert. Sinds de onthullingen over macht en misbruik achter de schermen van de Zweedse Academie, adembenemend vastgelegd door de Zweedse onderzoeksjournaliste Matilda Gustavsson in Hetbolwerk (Nijgh & Van Ditmar, 2020), is het bijna een godswonder dat deze sekte van corrupte, machtsbeluste en bange types wél genegen en in staat was om de afgelopen jaren fenomenale feministische schrijvers aan het banket te noden.

Dat ‘feministische’ weet ik overigens niet helemaal zeker; laten we het erop houden dat ze in strijd met de wereld verkeren, en dat hun werk hun wapen is. De jongste, en meest recente, vrouwelijke ontvanger van de Nobelprijs, de punky Poolse Olga Tokarczuk (1962), is ook weer een pain in the ass voor de autoriteiten van haar land. Is ze in Polen al langer een bekende stem in het publieke debat, internationaal doet ze van zich horen sinds ze met Flights in 2018 de Man Booker International Prize won. In Nederlandse vertaling: De rustelozen, een roman als een verhalenboom, door haarzelf gekenschetst als een typisch genre voor Polen. Waar de West-Europese literatuur geworteld zou zijn in de psychoanalyse, zijn Oost-Europeanen geneigd over zichzelf na te denken op een mythische, religieuze manier.

Voor haar eigen werk geldt dit in ieder geval zeker. De verteller van het oorspronkelijk in 2009 verschenen en nu net in vertaling uitgekomen Jaag je ploeg over de botten van de doden heeft het mystieke nadenken tot levenshouding verheven. Haar hoogstpersoonlijke religie, geworteld in een vorm van astrologie die op deze niet-ingevoerde lezer een even authentieke als ondoordringbare indruk maakt, leidt tot een leer van predestinatie en straf waar het katholieke geloof bij verbleekt.

In vergelijking met De rustelozen is Jaag je ploeg over de botten van de doden een compacte vertelling, aangedreven door de bezeten stem van Janina Duszejko. ‘We denken dat we vrij zijn en dat God ons zal vergeven. Zelf ben ik een andere mening toegedaan.’ Ze is een vrouw van in de zestig die op een onherbergzame vlakte woont buiten de stad, door haar het Plateau genoemd, op de grens met Tsjechië, waar zo’n zeven huizen tezamen een dorp van niks vormen. ‘De hemel hangt hier donker en laag boven ons, als een vuil scherm waarop wolken onstuimige slagen uitvechten.’

Nergens wordt het drammerig, en dat heeft alles te maken met de geestige en zelfrelativerende terzijdes

Deze Janina, behept met de aandrang alles en iedereen van nieuwe namen te voorzien, heeft zichzelf uitgeroepen tot verzorger en behoeder van haar omgeving. ‘De waarheid is dat wie Woede voelt en niet handelt, de epidemie verspreidt.’ Behalve de weersomstandigheden die het leven zwaar maken, zijn het met name de bewoners zelf die hun leefomgeving te gronde richten. Vooral de dieren, consequent met hoofdletter aangeduid als de Dieren, hebben het te verduren. ‘Als mensen zich beestachtig gedragen tegenover de Dieren, zal een democratie of wat dan ook ze niet helpen.’

Het is niet bepaald moeilijk om apodictische oneliners uit deze roman te destilleren. Zo is het ook niet moeilijk om mee te gaan in de wereld die de schrijfster oproept, al was het maar omdat ze de natuur lyrisch en gedetailleerd beschrijft, en tegelijkertijd haar duisternis en geheimen gunt. Geestig genoeg introduceert ze als een van de bewoners een Schrijfster, wier ergste zonde het zou zijn als ze de werkelijkheid zou ontdoen van het allerbelangrijkste, namelijk het onzegbare. De natuur is een onkenbaar en ontembaar personage op zich, zoals ze dat ook is in het werk van Annie Proulx en Margaret Atwood. Misschien dat het net het Oost-Europese trekje is dat maakt dat Tokarczuk er nog een schep boven op doet door haar verteller als een soort warrior door de sneeuw en vrieskou te laten trekken, voortdurend in gevecht met de lucht, ‘scherp als een mes’, zich bewust van het feit dat de dood aan de poorten staat. ‘Maar de dood staat altijd aan onze poorten, op elk uur van de dag en de Nacht, zei ik tegen mezelf. Want de beste gesprekken heb je met jezelf.’

Met overduidelijk sardonisch genoegen laat Tokarczuk een vrouw op leeftijd gebruik maken van het feit dat niemand haar nog voor volwaardig aanziet. Ze schrijft woedende brieven aan instanties die ze verantwoordelijk acht voor het leed dat jagers en stropers toebrengen aan met name reeën en vossen. Én aan haar honden, zoals blijkt gaande het verhaal, dat zich steeds meer als een moordmysterie ontwikkelt. De ene na de andere bewoner vindt een gruwelijke dood. De heerlijke suggestie is dat de Dieren eindelijk terugslaan. Immers: ‘Wij beschouwen de wereld, en Dieren voelen de wereld.’

De roman dateert van ruim tien jaar geleden, maar laat zich in tijden van corona lezen als een visionair testament. Dat zit ’m in de blik van de verteller op het menselijke gedoetje – ‘Alles duid ik als abnormaal, vreselijk en gevaarlijk’; de verteller kijkt van ergens bovenaf neer op het aardse gekrioel. ‘Ik zie hoe we op de tast voortbewegen in het eeuwige Duister, als Meikevers in een doosje, gevangen door een wreed kind.’ Zo almachtig als de mens zich is gaan wanen, zo hulpeloos zal hij eindigen, dat is de heilzame boodschap van deze roman. ‘Soms heb ik de indruk dat we in een graftombe leven, een grote, ruime, voor meerdere mensen. Ik keek naar de wereld, gehuld in grijs Schemerdonker, kil en onaangenaam. De gevangenis zit niet aan de buitenkant, maar binnen in elk van ons. Misschien is het zo dat we niet zonder kunnen leven.’

Dat de roman nergens drammerig wordt, heeft alles te maken met de geestige en zelfrelativerende terzijdes. Er is woede, er is gekte, en dan is er iets wat zich tussen beide ophoudt. Daar ergens bevindt zich Olga Tokarczuk. Misschien dat net Saturnus zich in Schorpioen bevond toen ze haar Janina Duszejko ter wereld bracht. Die dingen bedenkt als dat engelen, als ze al bestaan, zich vast rot om ons lachen. Om het feit dat we alleen aan pijn kunnen afmeten of er iets mis is met ons. Dat we geen gebruiksaanwijzingen bij onze lichamen bijgeleverd hebben gekregen. Hulpeloze wezentjes zijn.