Abram de Swaan

Tweeëntwintig jaar was Abram de Swaan toen hij in De Groene verslag deed van het legendarische concert dat The Beatles op 6 juni 1964 in Blokker gaven. Als student politicologie, met als bijvak sociologie, was hij het jaar ervoor toegetreden tot de redactie van Propria Cures, waarvoor hij in twee jaar tijd tweehonderd bijdragen zou leveren. Op grond van één stuk, uit oktober 1964, werd hij aangeklaagd wegens ‘smalende godslastering’. En anders dan Willem Frederik Hermans en Gerard van het Reve werd De Swaan op grond van deze aanklacht wél veroordeeld, onder meer omdat hij had geschreven over de ‘door actieve zelfstudie opgeklommen timmermanszoon’ en ‘volksmenner, gebedsgenezer en voedingsdeskundige J. “Christus” van Nazareth’. Dat hij niet Jezus belachelijk had willen maken, maar de hysterisch-infantiele schrijfstijl van bladen als Time en de Haagse Post vond de rechter irrelevant.

De Swaan, die spoedig ook medewerker werd van De Gids en in 1967 het boek Amerika in termijnen publiceerde, maakte in het intellectuele wereldje een vliegende start. Hij groeide op in een joods, links gezin, waar tal van intellectuelen en kunstenaars over de vloer kwamen en waar hij als kind al debatten over democratie, kapitalisme en stalinisme meemaakte. Vader Meik de Swaan, een jeugdvriend van Loe de Jong, leidde niet alleen een succesvolle onderneming in jute zakken, hij was tevens directeur van De Vrije Katheder. In dit uit het kunstenaarsverzet voortgekomen tijdschrift werkten van 1945 tot 1950, toen de CPN het blad de nek omdraaide, communisten en niet-communisten samen. Zijn moeder, Henny de Swaan-Roos, was later een van de drijvende krachten achter de Dolle Mina-beweging.

Als socioloog die ook in het buitenland groot aanzien geniet, heeft Abram de Swaan zich na zijn Beatles-exegese beziggehouden met tal van onderwerpen. Hij schreef diepgaande analyses van de verzorgingsstaat, publiceerde een baanbrekend boek over het mondiale talenstelsel, en de laatste jaren verdiept hij zich in de talrijke vormen van massaal geweld. Popmuziek heeft in dit oeuvre geen opvallende plaats ingenomen, maar niettemin verdient zijn reportage voor De Groene te worden opgenomen in zijn Verzameld werk.

De Swaans ‘Festival der onschuld’ is niet de emotionele apologie van een jeugdige bezoeker van het concert. Het is een scherpe, licht ironische reportage waarin de socioloog in opleiding probeert erachter te komen wat de Beatles-hysterie te maken heeft met wat de oudere generatie toen omschreef als ‘het jeugdprobleem’. Zijn conclusie is dat, ondanks al het gegil en gekrijs van het uitzinnige publiek, popmuziek een volstrekt onschuldig verschijnsel is. Bovendien, veel gekker dan The Beatles zal het niet worden, aangezien ‘het zelfs onder de uiterst modegevoelige tieners (…) enige tijd kost om een fenomeen als dat van de Liverpoolse vier op te bouwen’. Bij het beruchte Kurhaus-concert van de Rolling Stones, twee maanden later, was De Swaan kennelijk niet meer van de partij. (RH)