Redactie Binnenland Papoea-Nieuw-Guinea

Ach, Bougainville

Beurtelings zijn Groene-redacteuren een aantal weken de gast van een Oegandees dagblad, een Kazachse krant of een Vietnamees weekblad. Vanaf de Redactie Binnenland berichten ze over het dagelijks leven ter plekke. Deze week de vierde aflevering rondom het weekblad The Independent in Papoea-Nieuw-Guinea.

Het was een droomeiland. Totdat er koper werd ontdekt en de Panguna-mijn de natuur en structuur kapotmaakte. In 1989 kwamen de bewoners van Bougainville in opstand. Na tien jaar burgeroorlog volgt nu een lang en moeilijk vredesproces.

BUKA/BOUGAINVILLE, (Papoea-Nieuw-Guinea) - Ben Kamda is een soldaat op vredespad. Hij is een kleine, zwarte, zachtmoedige man van 37 jaar en hij is, net als de hele bevolking van Bougainville, de oorlog en het doden moe. De burgeroorlog heeft in tien jaar het hele eiland verwoest en mag trouwens officieel geen oorlog of burgeroorlog heten, maar alleen maar ‘de Bougainville-crisis’. Ben Kamda is vredesactivist, maar ook de Northern Commander van het Bougainville Revolutionary Army. Volgens zijn eigen zeggen vecht hij niet meer voor de onafhankelijkheid van Bougainville, maar gebruikt hij zijn functie juist om ervoor te zorgen dat zijn manschappen nu niet meer vechten. Hij neemt al sinds 1995 deel aan de ingewikkelde onderlinge verzoeningsgesprekken en de vredesonderhandelingen met de regering van Papoea-Nieuw-Guinea, eerst in Nieuw-Zeeland en Australië, later op zijn eigen geboorte-eilandje Nissan.

Zijn vrouw is als voorzitter van de Bougainville Women’s Council bijzonder belangrijk voor het vredesproces, waar de vrouwen en de kerken veel aan hebben bijgedragen. Zij willen graag een oplossing voor het conflict waardoor hun kinderen in de toekomst in vrede kunnen leven en de welvaart van het eiland herstellen. Ze hebben drie dochters en een zoontje van drie jaar.

'Maar mijn zoon is ook al aangetast door de oorlog’, zegt Ben Kamda mismoedig. 'Als hij boos is begint hij te brullen als een sergeant-majoor. Wanneer hij in het ziekenhuis een injectie krijgt, dreigt hij naar huis te gaan en zijn junglemes te halen om zich te verdedigen. Het liefst pakt hij alles wat los en vast zit en loopt er mee te schieten: pang, pang, pang! Wie heeft mijn zoontje dat geleerd? Ik niet, ik heb hem mijn geweer nog nooit laten zien. Leuk vind ik het niet, maar misschien hebben ze hem verteld dat z'n vader als commandant van het BRA aan het vechten was in de jungle van Bougainville.’



BOUGAINVILLE DANKT zijn mooie naam aan een Franse admiraal, Louis-Antoine de Bougainville, die in 1768 aan de oostkant langs het tweehonderd kilometer lange, geheel uit jungle bestaande eiland is gevaren. De Bougainville-heester, met zijn driehoekige paarse bloemetjes, groeit daar in het wild. De Nederlandse diplomaat-schrijver F. Springer heeft een van zijn boeken Bougainville genoemd, maar voor hem staat die naam alleen maar voor een onbeschrijflijk mooi droomeiland: 'Bougainville in de Stille Zuidzee, ach, Bougainville.’

Het eiland is door een dom historisch toeval bij Papoea-Nieuw-Guinea terechtgekomen. Het is na verkocht te zijn door de Engelsen niet meer dan zestien jaar lang, van 1898 tot 1914,
een Duitse kolonie geweest en aan het begin van de Eerste Wereldoorlog door Australië ingepikt, zoals ook het Duitse gedeelte van Papoea-Nieuw-Guinea. Daardoor maakt het geen deel meer uit van de Solomon Islands, waar het vlakbij ligt en geografisch en antropologisch bijhoort. Toen Papoea-Nieuw-Guinea in 1975 zelfstandig werd, wilde Bougainville zich al onafhankelijk maken, de bevolking kwam in opstand, maar werd afgekocht met een nieuwe vorm van 'provinciaal bestuur’. In die tijd was Bougainville het meest ontwikkelde eiland van de archipel. De Bougainvillers, die gelden als de zwartste mensen ter wereld, waren er trots op dat zij het beste onderwijs, de meest productieve economie en het efficiëntste bestuur van heel PNG hadden.

Bougainville was een droomeiland. Totdat er grote voorraden koper en andere delfstoffen werden ontdekt en de Panguna-mijn, de op een na grootste open mijn in de wereld, vanaf de jaren zeventig in Australisch beheer de natuur en de structuur van het eiland kapot ging maken. Rivieren werden vervuild en droogden op, het regenwoud werd vernietigd. Een hele stad werd uit de grond gestampt voor de mijnwerkers, een kort stuk snelweg leidde van de mijn naar de haven. Veel hoger personeel werd van buiten Bougainville naar de mijn gehaald,
de winsten die werden gemaakt waren enorm en ook de opbrengsten voor de regering van Papoea-Nieuw-Guinea: jarenlang was de mijn goed voor 45 procent van de export van PNG.

Maar de mensen van het eiland zelf profiteerden in het geheel niet van de mijn, ze moesten tegen een lage betaling het vuile en zware werk doen, de prijzen stegen, het milieu werd vernietigd. In 1989 kwamen ze in opstand.




BEN KAMDA WAS in 1989 27 jaar en hij werkte voor de mijn als chauffeur van zware vrachtwagens en hijskranen. Hij was een van de initiatiefnemers van een staking, omdat hij vond dat hij en zijn collega’s uit Bougainville werden onderbetaald en geen kansen kregen op promotie, zoals de mensen die van buiten kwamen. De staking breidde zich uit toen de lokale landeigenaren zich bij de actie aansloten, ze wilden compensatie voor de milieuschade en hadden het gevoel dat ze bedrogen waren door de mijnonderneming. Daarbij kwam het verlangen naar onafhankelijkheid, waar ook Kamda’s ouders al voor hadden gevochten in 1975. De staking liep uit op een gewelddadige sabotageactie om de mijn stil te leggen. Met succes. Sinds tien jaar is de mijn gesloten en kan zelfs niet meer worden betreden.

Ben Kamda: 'We hadden het gevoel dat we niet meer de baas waren op ons eigen eiland. Vanuit Papoea-Nieuw-Guinea werden we zonder enig respect behandeld. In 1975 was ik nog maar een kind geweest, maar ik had wel gehoord over de onafhankelijkheidsstrijd die geleid werd door John Mommis, een ex-priester die met een non was getrouwd. Hij is nu net door de regering van Papoea-Nieuw-Guinea tot gouverneur van Bougainville benoemd. We werden in 1989 gedwongen ons te verdedigen. Papoea-Nieuw-Guinea stuurde politie en later het leger om ons te vermoorden, ze gingen naar de dorpen, staken de huizen in brand, arresteerden de mensen en brachten ze bijeen in zogenaamde care centers, regelrechte concentratiekampen. We moesten onze mensen beschermen en hebben daarom het Bougainville Revolutionary Army gevormd, waarvan ik een van de commandanten was. Maar ik werd al in 1990, in de week na de eerste wapenstilstand gearresteerd en vijf jaar gevangen gezet op beschuldiging van onwettig wapenbezit. Een maand later werden al mijn broers en nog een stel mensen uit mijn geboortedorp, onder wie een priester en een districtsmanager gearresteerd, omdat ze contact met mij hadden gehad. Ik heb er wel over gedacht te vluchten, maar ik heb mijn straf uitgezeten en ging toen terug naar Bougainville. Ik wilde me bezighouden met vredesinitiatieven, maar kwam toch weer in de strijd terecht, nu als hoofd van de planning.

Het was intussen 1995, we gingen steeds meer inzien dat er een einde moest komen aan de gevechten. Het hele eiland Bougainville is geruïneerd, bruggen, huizen, ziekenhuizen, scholen, alles is vernietigd. Op het kleinere eiland Buka, ten noorden van Bougainville, was het moorden nog erger. Omdat het zo klein is, kun je elkaar hier niet ontlopen.
Uiteindelijk waren het nog alleen maar Bougainvillers die tegen elkaar vochten. We streden niet meer tegen de gemeenschappelijke vijand, het leger van Papoea-Nieuw-Guinea. Soms vielen we een care center aan, zonder te beseffen dat het onze eigen moeders en zusters waren die daar zaten opgesloten. En ten slotte vochten we vooral met het Resistance Army, dat bestond uit Bougainvillers die ooit ook voor onafhankelijkheid waren en lid van de BRA,
maar die daarna zijn overgelopen naar de vijand, misschien doordat ze door het BRA slecht zijn behandeld, want het onderlinge wantrouwen groeide overal. Daarom moest er eerst een verzoeningsproces plaatsvinden tussen de mensen uit Bougainville onderling, voordat wij in onderhandeling konden gaan met de regering van Papoea-Nieuw-Guinea. Dat verzoeningsproces is heel moeilijk, maar het is nu wel bezig en ik heb er vanaf het begin aan deelgenomen. En het is onomkeerbaar, want niemand wil weer terug naar die verschrikkelijke onderlinge strijd.’



IK SPREEK Ben Kamda op een bijzonder moment in dit lange verzoeningsproces. Een cynicus zou kunnen zeggen dat het moeilijk is een moment te vinden dat niet bijzonder is, omdat het verzoeningsproces nu eenmaal zoveel fasen van praten, overleggen en onderhandelen doormaakt. Maar half december 1999 vindt er een definitieve doorbraak plaats. Bijna alle belangrijke vertegenwoordigers van de bevolking van Bougainville zijn naar het eilandje Buka gekomen, dat alleen maar door een smalle zeestraat van driehonderd meter breed van het grotere eiland is gescheiden.

In het vliegtuig waarmee ik reis, zit ook John Mommis, de voormalige vrijheidsstrijder, nu al jaren lang lid van het parlement van PNG, die pas door de regering tot gouverneur van Bougainville is benoemd binnen een provinciale structuur die door de meeste Bougainvillers wordt afgewezen maar waar ze voorlopig noodgedwongen toch mee moeten werken. Mommis toont grote moed door zo open en kwetsbaar als gouverneur naar zijn provincie te komen. Een radicale voorstander van onafhankelijkheid zou hem gemakkelijk een kogel door zijn hoofd kunnen schieten. Maar ik zie hem ’s middags ergens buiten in een grote kring vergaderen met de raad van dorpsoudsten.

De sfeer op Buka is gespannen en ontspannen tegelijk. Er wordt vrolijk gewandeld langs de lange weg waar het eilandje eigenlijk uit bestaat en vanwaar je over het water kijkt naar de groene oever van Bougainville, vlakbij. Er varen piepkleine bootjes heen en weer tussen de twee eilanden. De overtocht kost een kina (75 cent). Het guest house waar ik slaap blijkt een centrum voor BRA-mensen. Ik krijg soms geheimzinnig een document in de hand gedrukt. Een elegante heer vertelt me na het eten over het probleem van de kindsoldaten. Pas later besef ik dat hij de secretaris is van het Bougainville Revolutionary Army.

’s Avonds is er een grote volksvergadering van het Bougainville People’s Congress waarin alle groeperingen zijn vertegenwoordigd. Mommis maakt daar duidelijk dat hij weliswaar voorlopig gouverneur is, maar dat hij voor het overige wil worden beschouwd als 'een van de leiders van Bougainville’. Hij roept op tot eenheid 'in het belang van onze kinderen’.
Zijn toespraak maakt indruk, ook op Ben Kamda. Beiden ondertekenen, met vele anderen, plechtig het verzoeningsdocument, waarin de verschillende Bougainvillese partijen een gezamenlijk uitgangspunt voor onderhandelingen met de regering van PNG hebben vastgelegd. De twee belangrijke termen daarin zijn: een zo groot mogelijke autonomie binnen de grondwet van PNG en op den duur een referendum over de status van Bougainville. Het is duidelijk dat bij zo'n referendum de overgrote meerderheid voor onafhankelijkheid zal kiezen en het is even duidelijk dat daarom de rest van PNG tegen zo'n referendum zal zijn, waar overigens de grondwet ook niet in voorziet.

Maar zonder de belofte dat de mogelijkheid van een referendum althans wordt onderzocht, zou het voor strijders als Ben Kamda onverteerbaar zijn. Dan zou de oorlog voor niets zijn gevoerd. Het is een lastige situatie. Autonomie is voor de regering van PNG een haalbare kaart, onafhankelijkheid niet. Maar misschien is de belofte dat onafhankelijkheid in theorie ooit mogelijk zal zijn (als het referendum is ingevoerd) voldoende om de vrede althans voorlopig te verzekeren.

De stemming is in deze decemberdagen in elk geval vrolijk en vastberaden. Het vechten is al een jaar gestopt, het moet nu vrede worden, zodat er ook weer aan de economische en sociale opbouw van Bougainville kan worden gewerkt. Australië, de Verenigde Naties en zelfs de Europese Unie staan klaar om grootschalige economische hulp te verlenen. Heropening van de Panguna-mijn staat overigens niet op het programma, daarvoor zijn de vernielingen te groot.

Ik word enthousiast ontvangen, alsof ik de eerste reiziger ben die Buka na tien jaar oorlog weer aandoet. Tot mijn verbazing zijn er in het geheel geen veiligheidsmaatregelen, zoals in alle informatie wordt voorspeld. Trots zeggen de Bougainvillers dat het op Buka veiliger is dan in Port Moresby, de hoofdstad van PNG. 'Daar kan een vrouw in het donker niet op straat lopen, en kijk eens hier, hier zie je de meisjes rustig ’s avonds wandelen, niemand die ze iets doet’, zegt Ben Kamda tevreden.

Ook de regering van Papoea-Nieuw-Guinea, in de persoon van de voormalige minister-president en vader des vaderlands sir Michael Somare, lijkt er nu alles voor over te hebben om aan het probleem een einde te maken. Vroegere regeringen hebben alleen maar keihard op de opstand gereageerd door troepen te zenden en een economische boycot van het eiland, die misschien nog meer doden heeft gekost dan de gewapende strijd. Medische zorg en onderwijs kwamen geheel tot stilstand, een hele generatie kinderen heeft geen onderwijs gehad en de jongetjes werden als kindsoldaten ingeschakeld in de oorlogvoering. Maar de voor-vorige regering van PNG heeft zich hevig in de vingers gesneden met de zogeheten Sandline-affaire. Drie ministers hadden in het geheim besloten dat de uitzichtloze guerrillastrijd moest worden beslist door voor heel veel geld een huurlingenleger in te schakelen. Het plan lekte echter uit vóór die huurlingen in actie konden komen, en wekte zoveel consternatie bij het reguliere leger en in het buitenland dat het moest worden afgeblazen. Ben Kamda heeft nooit iemand van Sandline in actie tegenover zich gezien, maar de huurlingen moesten wel worden betaald. De regering viel over deze affaire en de volgende regeringen waren wat meer bereid de eisen van Bougainville serieus te nemen.

Daarbij speelt zeker een rol dat een van de eerste vrijheidsstrijders, Francis Ona, nog altijd verschanst zit in de jungle van Zuid-Bougainville. Vandaar geeft hij via een satelliettelefoon bijtende commentaren: 'Als Papoea-Nieuw-Guinea en Australië het referendum over de onafhankelijkheid van Oost-Timor hebben gesteund, waarom willen ze dan geen referendum voor Bougainville? Alleen volledige onafhankelijkheid betekent een blijvende, vreedzame oplossing. Met autonomie blijft Bougainville voor eeuwig de negentiende provincie van PNG.’

Naar verluidt meent Francis Ona dat hij met een combinatie van guerrilla en zwarte magie de overwinning kan behalen. Kenners zeggen dat het in elk geval moeilijk zal zijn hem ooit uit zijn schuilplaats diep in de jungle te verjagen. Bijna al Ona’s voormalige medestanders nemen nu echter deel aan het vredesproces, hoewel ze inhoudelijk niet werkelijk met hem van mening verschillen.

Ben Kamda is een van de eersten die voor verzoening en vrede kozen, maar hij kan ook heel bitter zijn: 'Wat mij betreft geef ik politici als John Mommis de schuld van alle doden die zijn gevallen. Zij zijn met het idee van afscheiding en onafhankelijkheid gekomen. Mensen zoals ik zijn vechtjassen, wij weten niets van politiek. Toen zij zeiden dat we ons af moesten scheiden van Papoea-Nieuw-Guinea hebben wij de wapens opgenomen om dat doel te bereiken. Want als we niet hadden gevochten was Papoea-Nieuw-Guinea hier altijd de baas gebleven. Als onze politici nu met minder genoegen willen nemen dan onafhankelijkheid, maakt me dat erg boos. Waarom hebben we dan gevochten? Waarvoor zijn die 15.000 doden gevallen? Natuurlijk moeten we ons nu de vraag stellen of het goed is geweest dat we tien jaar lang een burgeroorlog hebben gevoerd, met alle ellende van dien. Maar we moesten wel. Er moet nu een blijvende oplossing komen, zodat mijn zoontje van drie niet straks weer in een derde onafhankelijkheidsoorlog tegen Papoea-Nieuw-Guinea hoeft te vechten. Ook al lijkt hij nu dat pang-pang-pang-gedoe zo grappig te vinden.’



Deze serie komt tot stand met steun van het Humanistisch Instituut voor Ontwikkelingssamenwerking (Hivos) te Den Haag.