Ach, de televisie

Een klein stukje autobiografie: mijn oom werkte na de oorlog bij Philips en zat in een groep die de televisie ontwikkelde. Daar waren ze voor de oorlog al mee begonnen.

Ik herinner me dat ik in 1956 televisie keek, op schoot bij mijn moeder. Samen met mijn grootouders die van 1888 waren.

Mijn vader zag de televisie als hét instrument om te beschaven. Je zou elke dag een stuk van Shakespeare kunnen laten zien, je zou colleges kunnen uitzenden die gegeven werden door de beste hoogleraren, je zou onderontwikkelde volkeren (zo heette dat toen) rap tot onze waarden en normen kunnen brengen. Al die zaken zijn min of meer wel geprobeerd, maar mislukt. Ik herinner me dat we op de lagere school een actie op touw zetten om een televisietoestel te kunnen kopen. Die televisie kwam er, en we keken met de klas naar schooltelevisie – ik herinner me er niets meer van. Ik heb nog vrienden uit die tijd. Niemand herinnert zich ook maar één les.

Is het mijn ouderdom waarom ik de laatste tijd vaak aan mijn jeugd en de televisie moet denken?

Televisie kijk ik niet meer, ontdekte ik deze Kerst. Althans, ik kijk geen Nederlandse televisie meer voor de vorming van mijn mening. Dat komt door een irritant verschijnsel dat ik heb waargenomen: een argument wordt tegenwoordig meer beoordeeld op de achtergrond van de argumentator dan op de juistheid ervan. Ik bedoel dit: als ik Maarten van Rossem, Peter R. de Vries, Jesse Klaver, Jort Kelder, Prem, Leo Lucassen, Thierry Baudet, Tineke Ceelen, Spong, et cetera et cetera op het scherm zie verschijnen, weet ik al hoe ze denken en wat ze ongeveer gaan zeggen. Omdat ik dat al weet, merk ik dat ik snel afgeleid ben, en ga ik letten op zaken die niets met het onderwerp te maken hebben.

Ik heb het gevoel dat ik zit te kijken naar een stuk strand waar de zee steeds een deel van wegslaat

Ik hoor Maarten van Rossem over de PVV, ik weet dat hij dat een stelletje achterlijke kermisklanten vindt, dat zegt hij ook, maar omdat ik hem dat al zo vaak heb horen beweren, kijk ik naar hem en denk: ‘Wat is hij oud geworden, en wat jammer dat zo’n geest nu elke dag op een stoel zit te glossen als onderdeel van een suffig spelletje wat de mensen misschien wel leuk vinden, maar toch jammer dat ik het gevoel heb dat ik zit te kijken naar een stuk strand waar de zee steeds een deel van wegslaat, wat een oude zeur…’

In moderne termen – in termen die de _Groene-_lezers misschien behaagt – zou je kunnen stellen dat iemand als Maarten van Rossem zijn intelligentie heeft vermarkt en dat hij daarom aan waarde heeft verloren.

Kijk ik naar de Duitse, Franse of Engelse televisie, dan heb ik dat idee helemaal niet. Ik ken die mensen ook niet zo goed. Ze verrassen mij nog. En misschien door de taal heb ik vaak het arrogante idee dat ‘de discussie’ elders, over wat dan ook, op een hoger peil wordt gevoerd dan hier, wat misschien helemaal niet waar is.

Ik weet wel dat ik de ‘intellectuelen’ die ik daar op de televisie zie hier nooit op de buis kan waarnemen, maar gelukkig wel tegenkom in de opiniepers. Daarbij komen in het buitenland nog heel regelmatig intellectuelen aan het woord om hun licht te laten schijnen over een bepaalde gebeurtenis. We hebben hier de merkwaardige gewoonte om, als bijvoorbeeld musicalsterretjes of B-acteurs of cabaretiers die leuk doen te gast zijn, hun mening te vragen over een bepaalde actualiteit, en we vinden het fijn als zo’n entertainer dan een politicus die een andere mening heeft, gaat uitlachen of uitschelden. Het is heel fijn dat we een land hebben waarin dat kan, alleen krijg ik dan het schaamrood op mijn kaken. En denk aan mijn vader en zijn geloof in de tv.