Ach gossie

God was in het Jappenkamp te pletter gevallen, en mijn vader was, toen hij in 1952 terugkwam in Holland, verrezen als een volleerd humanist.

Mijn moeder was nog antigodsdienstiger geworden dan mijn vader. Zij was meer een vrijdenker. Mijn vader stond onder invloed van Multatuli; mijn moeder, hoewel zweveriger dan mijn vader, stond toch in deze zaak met beide benen steviger op de grond. Mijn vader was meer ‘een theoloog zonder god’. (Zo noemden humanisten elkaar graag.)
'God’, zo mocht mijn vader aan tafel vaak filosoferen, 'is een metafoor, jongelui, een metafoor van de poging tot bemachtiging van het mysterieuze door een klank zonder betekenis.’
Waarschijnlijk had mijn vader dat ergens gelezen of gehoord, en ik twijfel soms sterk of hij begreep wat hij zei, maar het klonk indrukwekkend.
God. We konden er altijd heerlijk op schelden, mijn broer en ik.
'God is moe’, hoorden we een keer een dominee voor de radio zeggen naar aanleiding van een kleine lokale ramp. (De overstroming in Tuindorp-Oostzaan, herinner ik me.) Sindsdien zeggen mijn broer en ik voortdurend 'God is moe’ als we de ergste rampen zien. Ook een zin van Pascal - 'God houdt zich verborgen’ - werd een gevleugelde uitdrukking. Hij kan overal voor worden gebruikt. Loopt het gesprek niet? God houdt zich verborgen. Een relatie mislukt? God houdt zich verborgen. Iets kwijt? God houdt zich verborgen. God houdt zich namelijk altijd en overal verborgen.
Vloeken was bij ons een deugd. Wij mochten vloeken en het werd zelfs aangemoedigd. Mijn vader werd in Indie dan ook vaak 'Toean Godverdomme’ genoemd.
Wij mochten vloeken omdat mijn vader het een eer vond als God hem verdoemd zou hebben. Dat betekende namelijk een 'erkenning van God dat de mens zonder Hem ook bestaat en bestaan kan.’
Wij vloekten er dus vrolijk op los. Woorden als 'lul’, 'klootzak’, 'kut’ waren streng verboden ('Dat is namelijk iets moois’), maar verder mocht alles als God maar flink beledigd werd.
We waren erg kinderachtig. Mijn vader en moeder hielden van kerkkunst en dus moesten wij in de vakanties altijd de ene na de ander kerk in. En juist omdat wij niet geloofden en humanist waren, dienden wij, voor de buitenwereld, 'respect te tonen’ voor degenen die wel geloofden. Mijn broer en ik vonden het dus enig om te vloeken in de kerk. We trapten op elkaars tenen, zodat we mochten vloeken. We gingen achter Mariabeelden God zoeken, want God was zoek. Zagen we weer een heilige ergens liggen, dan zeiden we: 'God is moe.’ Dit alles leidde uiteraard tot ruzie met mijn vader, die tegelijkertijd zijn lachen niet kon houden.
Echt problematisch werd het met de familie. Die waren tamelijk Nederduits Hervormd, zoals geloof ik alle mensen uit Indie. Als we bij ooms en tantes gingen eten werd er luid aan tafel gebeden en ik heb menige tik van mijn vader gekregen - die overigens hard kon slaan - als ik weer eens in schaterlachen was uitgebarsten omdat ik mijn lachen niet had kunnen houden. (Niet kijken naar mijn broer, was het devies, en mijn broer mocht niet kijken naar mij: wij gingen namelijk 'zogenaamd’ meebidden en rolden daarbij als krankzinnigen met onze ogen. Dat moest wel tot lachsalvo’s leiden; de anderen zagen ons niet, want die hadden de ogen gesloten.)
Ja, dat is het eigenlijk: wij hebben God altijd uitgelachen en ons daar heel goed bij gevoeld.
Ik kan het iedereen aanraden.