Ach ja, Napoleon

MARTIN BRIL
DE KLEINE KEIZER: VERSLAG VAN EEN PASSIE
Prometheus, 193 blz., € 14,95

Wie een biografie over Napoleon wil schrijven, moet over een ego beschikken dat ongeveer net zo groot is als dat van de man zelf. Onder historici is er een Napoleon-industrie ontstaan waarin elke minuut van zijn leven inmiddels wel ergens is opgetekend. De hoeveelheid naslagwerken vormt een onneembare vesting. Die industrie begon al toen de keizer nog in leven was, op het breukvlak van de Verlichting en de Romantiek; enerzijds was hij de rationele legerleider die zijn burgerlijk rechtboek door heel Europa invoerde, anderzijds was hij een eenling, die Grote Doelen en Idealen nastreefde.
Vorige week kreeg Martin Bril voor zijn De kleine keizer: Verslag van een passie de Bob den Uyl-prijs voor het beste literaire of journalistieke reisboek van 2008. Terecht, want De kleine keizer is een uniek boekje, waarmee Bril het gepresteerd heeft iets origineels toe te voegen aan de enorme stapel Napoleon-boeken.
In De kleine keizer reist Bril langs plekken die ooit voor Napoleon belangrijk of onbelangrijk waren. De grot op Corsica waar hij zich verstopte als hij verdrietig was, het huis van zijn minnares, snackbars die naar hem vernoemd zijn. Bril beschrijft de plekken hoe ze er nu bij liggen en onderzoekt of hij er nog iets van de aura van Napoleon kan vinden. De korte hoofdstukken staan in chronologische volgorde, waardoor een biografie van plaatsen en objecten ontstaat. Bril eet in talloze cafés die naar Napoleon zijn vernoemd, bekijkt het bed waarin Napoleon zijn laatste adem uitblies – hij had altijd twee bedden in zijn slaapkamers, zodat hij in de nacht altijd een vers, koel bed klaar had staan. Bril beschrijft hoe hij nabij het Palais Royal een winkel binnenloopt die gespecialiseerd is in tinnen soldaatjes, in het Frans: soldats de plomp. Zijn blik gaat langs de vitrines vol handbeschilderde huzaren, grenadiers, lansiers, infanteristen, en ten slotte beziet hij de gehele legerleiding, inclusief Bonaparte. ‘Hij is er ook staand, weer met die hand in die jas gestoken. Volgens sommige schrijvers duidt die hand erop dat hij altijd buikpijn had, of last van zijn lever. Anderen houden het erop dat hij kouwelijk was aangelegd, weer anderen dat de hand in de jas een teken van beschaving was. We zullen het fijne ervan nooit weten, wat mij prima bevalt.’
Dat laatste is opmerkelijk: voor iemand die zelfverklaard Napoleon-gek is, gaat Bril niet tot het gaatje. Het woord ‘passie’ in de ondertitel is wat overdreven als je bedenkt dat hij de interesse voor Napoleon verliest na een terloopse opmerking van zijn vrouw. Hij houdt afstand, relativeert zijn fascinatie – het handelsmerk van Bril, relativering, zoals hij dagelijks deed in zijn Volkskrant-columns, met die korte terzijdes.
Ach ja, Napoleon.
Interessant figuur.
Uiteindelijk koopt Bril een tinnen beeldje van maarschalk Ney – ‘65 euro, zes centimeter hoog’. Ney, le brave des braves, was Napoleons meest vertrouwde aanvoerder. Toen alles verloren was, bij Waterloo, slaagde hij er maar niet in eervol strijdend te sterven, ‘het ene paard na het andere werd onder hem weggeschoten, maar zelf bleef de maarschalk ongedeerd, tot zijn eigen verdriet’. Uiteindelijk werd Ney als landverrader in het Jardin de Luxembourg tegen de muur gezet. Hij vroeg het vuurpeloton nog op zijn borst te mikken, maar drie soldaten schoten hem alsnog in zijn gezicht. Een vierde schoot hoog over. De kogel is nog steeds in de muur te zien. Iets later vertelt Bril dat de miniatuur-Ney nu op zijn bureau staat, af en toe tilt hij hem op en wordt hij verrast door het gewicht, ‘veel zwaarder dan je van zo’n klein poppetje zou denken, maar dat is het lood, hetzelfde spul waar ze kogels van maken’.
En over paarden gesproken: van één van Napoleons paarden, vermeldt Bril, staat het skelet in het National Army Museum in Londen. Het zou zijn favoriete paard zijn: Marengo, vernoemd naar een van zijn favoriete veldslagen. Op Marengo zou de keizer heen en terug naar Moskou zijn gereden. Van zijn hoeven zouden asbakken zijn gemaakt, die nu nog dienst doen in Buckingham Palace.
Dit is wat Bril interesseert: niet de grote staatkundige verhalen, niet de militaire overwinningen en nederlagen, maar weten welk het lievelingspaard van de keizer was en wat ermee gebeurd is, hoe zijn hoed aanvoelt, hoe hij in bed was (‘altijd gehaast’). Hij hield van tikkertje spelen, schijnt het. Bril toont Napoleon als iemand die uiteindelijk ook geen vat had op alle dingen die hij naliet. Het is de Bril-methode optima forma: kleine, schijnbaar achteloze dingen uitvergroten en ze tot iets menselijks verheffen. Daarmee wordt het boek een dubbelportret, het is net zozeer een portret van Bril zelf, die met heel zijn boekenkennis langs de fysieke nalatenschap van de kleine keizer gaat en elke keer in verschillende gradaties geraakt wordt. Het toont hoe een mens door iets gegrepen kan worden, en hoe zo’n liefde eruitziet.
Martin Bril stierf de dag nadat hij de Bob den Uyl-prijs kreeg toegekend, aan kanker in zijn ingewanden, net als Napoleon. Napoleon werd twee jaar ouder.

Zie p. 54. Het einde: Martin Bril (1959-2009)