Ach, wat is plagiaat?

De plagiator is dit keer Rene Diekstra, hoogleraar in de psychologie te Leiden. De details van het geval van letterdieverij hebben in alle kranten gestaan, behalve in NRC Handelsblad, het dagblad dat zelfs in dit soort affaires de nuance zoekt. Ziek word ik er af en toe van. Andere, toch weinig tot heethoofderij geneigde kranten (‘Leidse psycholoog Diekstra betrapt op plagiaat’ - de Volkskrant, ‘Populaire hoogleraar Diekstra maakt zich schuldig aan plagiaat’ - Het Parool) schreven gewoon waar het op stond.

NRC Handelsblad speelde weer eens het keurigste jongetje van de klas. Een paar jaar geleden maakte de krant zich al belachelijk met de kop: ‘Van Dis nuanceert beschuldigingen plagiaat’. Nu werd de zaak verkleuterd tot 'Diekstra vergat bron’. Maar Diekstra vergat helemaal de bron niet. Hij schreef dertien volle pagina’s over uit een boek van een Amerikaanse collega en deed of hij het allemaal zelf had verzonnen.
Ik zou er mij niet zo kwaad over moeten maken, want het zijn toch allemaal schlemielen, die plagiatoren, de intellectuele gevangenen van geld en roem, levend in een permanente vrees voor ontmaskering. Veeleer maak ik mij kwaad over de houding van de klassieke goedpraters van de dader.
Het legioen wordt in dit geval aangevoerd door prof. dr. J./H. Dijkhuis, directeur van het Nationaal Fonds Geestelijke Volksgezondheid. Diekstra en Dijkhuis, het is een paar apart. Diekstra, zegt Dijkhuis, stond, al letterdievende, onder tijdsdruk en voetnoten werken alleen maar verwarrend. 'Ach, wat is plagiaat? Dat iemand stukjes uit andere boekjes overneemt, vind ik geen punt.’
Pogingen om de schuldvraag, zoals in andere gevallen, van de plagiator naar de 'plagiaatjager’ te verleggen zijn tot dusverre uitgebleven. Want het is niet zonder risico een plagiator aan de kaak te stellen. Voor je het weet, belandt niet hij maar jij in het verdomhoekje, zoals bijvoorbeeld is gebeurd met Pierre Vinken, toen die erachter was gekomen dat F./J./J. Buytendijk zijn twijfelachtige theorieen over 'de vrouw’ door een ander had laten bedenken. De volgende mededeling formuleer ik dus met ongewone zorgvuldigheid, want ik heb waarachtig wel iets anders aan mijn hoofd dan in de richting van de ver dachtenbank te sjokken.
Op mijn bureau ligt een lezing van een hooggeacht en hooggeleerd vaderlander, verbonden aan de Vrije Universiteit te Brussel, produktief publicist in onder meer De Bazuin (r.k.) en HN Magazine (prot.). 'Maar ook de radio, Literama, en de televisie, hadden de rijkdom van zijn kennis ontdekt’ (Tijd en Taak, chr.- soc.). Jazeker, behalve dat die lezing (over Dostojevski’s antisemitisme) voor een belangrijk deel is ontleend aan een artikel dat in het maandblad Maatstaf is verschenen. Wat moet ik ermee? Die man doet nuttig koerierswerk tussen joden en christenen, en die lezing dateert uit 1988, terwijl dat Maatstaf-stuk zelfs nog elf jaar ouder is. Voorlopig beschouw ik het misdrijf dus als verjaard.
Op mijn bureau ligt trouwens nog een tweede lezing van deze Nederlands-Belgische geleerde, dit keer over Shakespeares Koopman van Venetie, toevallig een onderwerp waar ik verstand van heb. Vanavond zal ik het gesprokene eens in alle rust aan de bronnen toetsen - en als ook deze wijsheden aan andermans pen ontleend blijken te zijn, bij God en bij mijn gezond, dan hangt de schurk.