Clinton Inc op jacht naar het presidentschap

Acht jaar Bill, acht jaar Hill

Eind juli wordt Hillary Clinton op de Democratische Conventie officieel de Democratische presidentskandidaat. Doug Henwood twijfelt in zijn boek My Turn aan haar: ‘Geld en Amerikaanse imperiale macht, dat zijn de twee grootheden waarin ze werkelijk gelooft.’

Medium gettyimages 540336702

Zo antagonistisch als het er dikwijls aan toe gaat in de media, een reflectie van de al decennia accelererende politieke polarisatie in het land, zo nadrukkelijk schuwen Amerikanen doorgaans het politieke debat in de privé-sfeer. Gesprekken gaan heus vaak over de politiek, maar niet voordat men elkaar heeft afgesnuffeld: zijn we ongeveer gelijk denkend? In mijn sociale omgeving in Brooklyn maakt men bijvoorbeeld gerust een Trump-grap, maar wordt het onderwerp ‘Hillary of Bernie?’ angstvallig gemeden.

Daar kwam enkele weken geleden zowaar eens verandering in toen we op een zaterdagmiddag gasten over de vloer hadden voor een borrel. Juist toen we het precies over die gevoeligheid hadden, liet een van hen, een componist van experimentele klassieke muziek, zich ontvallen dat hij nauwelijks aanhangers van Hillary kende. Een ander, een _New York Times-_journaliste, stak plagerig haar vinger op. De ongeschreven etiquette schrijft voor dat nu iemand in het gezelschap, bij voorkeur de componist, het gesprek met een luchtige, liefst geestige opmerking richting andere contreien zou duwen. Maar de componist baste: ‘Ik wist niet dat je zo van oorlog houdt?’ – een weinig subtiele sneer naar Clintons oorlogszuchtige reputatie als VS-senator namens New York (2001-2009) en als minister van Buitenlandse Zaken (2009-2013).

Wat zich vervolgens ontrolde was eerder een duel dan een gesprek. De journaliste counterde nog pseudo-vriendelijk dat ze sympathie had voor Sanders’ voorstellen, ‘die natuurlijk nooit haalbaar zijn’, maar toen ze na haar pleidooi voor ‘geleidelijke verandering’ de tegenwerping kreeg dat Clinton met haar betaalde speeches voor Goldman Sachs niet bepaald een geloofwaardige vertegenwoordiger van progressieve verandering was, was het gedaan met de vriendelijkheid. Alles werd uit de kast gehaald. De journaliste roemde Clintons ervaring, intelligentie en het feit dat ze de eerste vrouwelijke president kan worden. De componist wees op Clintons verleden als corporate advocaat, haar commissariaat bij het vervloekte Wal-Mart, het geld dat ze van banken en grote bedrijven ontvangt terwijl Sanders dergelijke giften weigert.

Wat me van het gesprek vooral is bijgebleven, was de essentie van het argument dat de journaliste aanvoerde voor Clinton. Let wel, dit is iemand die louter over de zorg schrijft en zeer kritisch is over Obamacare, Big Pharma en het winstbeginsel in de Amerikaanse zorg. Ideologisch ligt haar hart bij Sanders en dat gaf ze ook toe, zoals ze ook toegaf dat ze Hillary niet volledig vertrouwt – ‘Ze is een Clinton, verdomme.’ Waar het haar werkelijk om ging, is haar overtuiging dat Clinton realistischer, intelligenter en competenter is. Op enig moment bitste ze: ‘Wat heeft Sanders ooit in zijn leven gepresteerd? Kun je één ding noemen uit zijn tijd in de Senaat?’

Zo verwoordde ze – vast onbedoeld – hoe ook Clinton zelf redeneert, en met haar de gevestigde orde binnen de moderne Democratische Partij. ‘Ze geloven dat beloningen dienen te gaan naar de mensen die het verdienen’, zei de politieke denker Thomas Frank onlangs tegen me naar aanleiding van zijn nieuwe boek Listen, Liberal over de Democraten. ‘Ze geloven in meritocratie. Dat is ook Hillary Clintons politieke filosofie in een notendop. Er horen geen grenzen te zijn voor de getalenteerden onder ons, dus ook geen glazen plafond voor vrouwen. Met gewone mensen die een leven in de middenklasse ambiëren, heeft het allemaal niets te maken.’

Een overduidelijk intelligente persoon als Clinton is volgens Frank echter niet per se beter in staat om ‘dingen voor elkaar te krijgen’, zoals ze zelf claimt. ‘Het enige waarover Clinton in haar politieke carrière ooit de volledige zeggenschap had, was de introductie van een nieuwe zorgwet tijdens Bills presidentschap. Het werd een totaal fiasco.’ Het deed me denken aan wat Noam Chomsky vorige zomer in Boston tegen me zei: ‘Als je wilt weten wie politieke kandidaten echt zijn en waarvoor ze staan, moet je negeren wat ze zeggen en alleen kijken naar hun verleden.’

‘Hillary zegt alles om maar gekozen of herkozen te worden. Ze liegt en ze bedriegt’

Dat is precies wat Doug Henwood deed in zijn onlangs verschenen My Turn: Hillary Clinton Takes Aim at the Presidency. Hij wierp een kritische blik op de ruim veertig jaar dat Clinton een min of meer publiek leven leidt. Het korte boek leest als een polemiek, waarvan de toon al in de inleiding wordt gezet. ‘Wat is de rationale voor Hillary?’ schrijft Henwood. ‘Het komt hierop neer: ze heeft ervaring, ze is een vrouw en het is haar beurt. Het is moeilijk om ook maar een enkel substantieel politiek argument voor haar kandidatuur te vinden.’

Henwood heeft nul sympathie voor de Republikeinen, en al helemaal niet voor hun presidentskandidaat Donald Trump, maar hij is ook geen uitgesproken Sanders-liefhebber. ‘Als Sanders door een of ander wonder was gekozen, dan had de gevestigde orde hem vermorzeld’, schrijft hij. Henwoods punt is dat Clinton geenszins de progressieveling of feminist is die ze zelf beweert te zijn – en dat iedereen die dat wél gelooft bewijst dat ‘Democraten, vooral liberale Democraten, de goedkoopste scharrels zijn die je kunt vinden: lok ze met wat lekkere retoriek, en je kunt ze ongeacht je verleden mee naar huis nemen en met ze naar bed gaan’.

My Turn voert de lezer langs alle episodes uit Clintons carrière die je als verdacht, vunzig of beginselloos zou kunnen bestempelen. Dus staat Henwood onder meer stil bij haar carrière als partner van het corporate advocatenkantoor Rose in Arkansas, waar ze bedrijven vertegenwoordigde die zaken deden met de staat waarvan Bill gouverneur was. Een ander hoofdstuk gaat over de vele aanwijzingen dat donoren (bedrijven, staatshoofden) aan de Clinton Foundation, de door Bill opgerichte filantropische instelling, een voorkeursbehandeling hebben gekregen van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken ten tijde van Clintons ministerschap.

‘Ik beschrijf bewust niet wat Hillary in haar huidige campagne voorstelt’, zegt Henwood tijdens een interview bij hem thuis. ‘Als mijn boek iets aantoont, dan is het wel dat Hillary alles zegt om maar gekozen of herkozen te worden.’ Hij doet er nog een schepje bovenop. ‘Ze liegt en ze bedriegt.’

Hillary Rodham werd op 26 oktober 1947 geboren in een bemiddelde buitenwijk van Chicago. In haar boek over het opvoeden van kinderen, It Takes a Village (1996), beschreef ze het gezin waarin ze opgroeide als ‘rechtstreeks uit de jaren-vijftigsitcom Father Knows Best’. Het zou niet de eerste revisie van haar verleden zijn, merkt Henwood droogjes op, want de niet in het boek vermelde zelfmoord van haar broer paste niet echt in die sitcom.

Vader Hugh Rodham was een reactionaire man die van zijn gezin zuinigheid, discipline en zelfredzaamheid eiste. Emoties tonen beschouwde hij als een zwakte. Hillary’s moeder, Dorothy Rodham, ruziede vaak op hoge toon met haar man, maar bleef hem wel trouw – net als Hillary dat later met haar eigen man zou doen. Hillary maakte zich het conservatisme van haar vader en haar milieu eigen. In 1964 voerde ze zelfs campagne voor de Republikeinse presidentskandidaat Barry Goldwater, de conservatieve houwdegen die door veel historici wordt gezien als de wegbereider voor Ronald Reagan.

Bill en Hillary zijn met geschatte netto waardes van respectievelijk 80 en 31 miljoen dollar steenrijk

Pas toen ze aan Wellesley ging studeren, schudde ze dit conservatisme van zich af. Ze schreef er haar scriptie over de radicale activist Saul Alinsky, tegenover wiens ideeën over gemeenschappelijke actie ze in eerste instantie positief stond. Later verwierp ze die echter als ‘te idealistisch en simplistisch’. Bovendien voelde ze een instinctieve afkeer, wellicht het gevolg van haar conservatieve opvoeding, van de afhankelijkheid van financiële steun van buitenaf. Enkele decennia later, in 1996, zou ze als First Lady de hervorming van de bijstand steunen, waardoor alleenstaande moeders voortaan waren aangewezen op slecht betaalde banen.

Na haar afstuderen aan Wellesley vertrok ze voor haar vervolgstudie naar Yale Law School, waar ze Bill ontmoette. Toen ze daar in 1970 Marian Edelman over de rechten van kinderen hoorde spreken, benaderde ze de activiste voor een baan. Die zomer werkte Hillary op de juridische afdeling van Edelmans organisatie, het Children’s Defense Fund (cdf) in Washington, waarvan ze later in haar carrière ook in het bestuur zou plaatsnemen. De relatie met Edelman kwam echter tot een einde toen Hillary publiekelijk haar steun uitsprak voor de hervorming van de bijstand, waarover Edelman zei: ‘De handtekening onder deze wetgeving is een aanfluiting en breekt zijn (Bill Cintons – mvg) belofte dat hij kinderen geen pijn zal doen.’

Na hun beider afstuderen keerde Bill terug naar zijn geboortestaat Arkansas om zich verkiesbaar te stellen voor een zetel in het Huis van Afgevaardigden, terwijl Hillary naar Washington verhuisde om te gaan werken voor het juridische team dat aan de afzettingsprocedure van Richard Nixon werkte. In deze fase van haar carrière waren de verwachtingen voor Hillary even hoog als voor Bill. Maar toen haar werk rondom de afzetting van Nixon erop zat, koos ze er toch voor om naar Arkansas te verhuizen en zich bij Bill te vervoegen. Bill verloor er zijn race om de Huis-zetel, maar begon meteen een nieuwe campagne, nu voor de functie van openbaar aanklager. Hillary doceerde inmiddels rechten en gaf leiding aan de juridische bijstandskliniek van de universiteit. Ze trouwden.

De race om het openbare aanklagerschap won de nauwelijks dertigjarige Bill wel. Het was 1976 en het jonge paar verhuisde naar Little Rock, de hoofdstad van Arkansas. Hillary sloot zich aan bij het advocatenkantoor Rose, dat onder de grootste bedrijven van de staat cliënten had. Ze werd al gauw partner, wat volgens Henwood moeilijk los te zien was van het feit dat haar man de hoogste aanklager was van de staat.

Eenmaal bij Rose begonnen Hillary’s loyaliteiten te verschuiven. Dat werd voor het eerst duidelijk toen de op de beginselen van Alinsky gestoelde organisatie acorn in conflict raakte met enkele grote energiebedrijven – en Hillary, nota bene bevriend met een van de acorn-oprichters, de energiebedrijven vertegenwoordigde. Hillary voerde niet alleen het woord tijdens de rechtszaak, maar was ook het brein achter de juridische strategie van haar corporate cliënte. Al doende bedacht ze een argument tegen regelgeving waarop het bedrijfsleven zich nog altijd graag beroept, schrijft Henwood.

In 1978 werd Bill gouverneur van Arkansas, maar niet voor lang. Hij maakte namelijk de blunder door de op zich noodzakelijke verbetering van het wegenstelsel te financieren door de kosten daarvoor op automobilisten te verhalen, wat niet bepaald een populaire keuze bleek. Twee jaar later, in 1980, het jaar waarin ook dochter Chelsea werd geboren, verloor hij de verkiezingen. Weer twee jaar later, na een excuus op de staatstelevisie, won hij zijn gouverneurszetel terug.

‘Eén ding is zeker: Hillary begrijpt als geen ander hoe macht werkt. En ze is keihard en slim'

Hillary had inmiddels haar meisjesnaam Rodham laten vallen ten faveure van Clinton, want voor Bills herverkiezing mocht ze niet als feministisch worden gezien. Haar werk voor Rose zette ze onverminderd voort, nu aangevuld met commissariaten bij grote bedrijven, onder meer bij Wal-Mart, de supermarktketen die berucht is vanwege zijn anti-vakbondshouding en – in die tijd – zijn onderbetaling van vrouwelijke medewerkers en het onthouden van ziektekostenverzekeringen aan medewerkers. Al deze misstanden leidden niet tot protesten van Hillary – hoewel ze het bedrijf wel aanspoorde een recyclingprogramma te beginnen, kan Henwood niet laten toe te voegen.

Medium gettyimages 144080075

De Clintons waren Arkansas inmiddels ontgroeid. Bill overwoog al in 1988 voor het presidentschap te gaan, hoewel hij pas 41 was, maar achtte de tijd gezien de populariteit van Reagan en diens vice-president George H. Bush (die president zou worden) nog niet rijp. In 1992 durfde hij het wel aan – en won. Het was de volgende fase in wat het stel jaren eerder als de ‘Journey’ had bestempeld: hun gezamenlijke onderneming om hun stempel op de wereld te drukken. Hillary noemde het motto van de joint venture: ‘Acht jaar Bill, acht jaar Hill.’

In het Witte Huis kreeg Hillary een invloed die geen First Lady voor haar had gehad, althans, niet zo openlijk, zo beschrijft Henwood. Achterdochtig jegens de media als ze al sinds de Arkansas-jaren was, ontzegde ze journalisten zo veel mogelijk de toegang tot het Witte Huis. Tegelijkertijd werkte ze met een door haar samengesteld team naarstig aan de hervorming van het zorgstelsel, waarover Bill haar de volle verantwoordelijkheid had gegeven. Hillary en haar team produceerden wat Henwood noemt een ‘onmogelijk ingewikkelde regeling’, geheten ‘managed competition’. Erger was dat het verstrekkende wetsvoorstel bijna geheel achter gesloten deuren tot stand was gekomen en dus niet op de steun van het publiek of het Congres kon rekenen. Die bleek gezien de tegenstand van de goed gefinancierde lobby van het ‘medisch-industriële complex’ onontbeerlijk. Hillary’s hervorming van de zorg was op een faliekante mislukking uitgelopen.

En dan waren er de schandalen, waaronder ‘Whitewater’, een vastgoedproject waarin de Clintons eind jaren zeventig op aanraden van een bevriende, naar later zou blijken malafide entrepreneur hadden geïnvesteerd. Het schandaal is volgens Henwood eigenlijk alleen interessant vanwege de wijze waarop Hillary ermee omging: met leugens, halve waarheden en geheimzinnigheid. Dit bleek ze uiteindelijk te verbergen: dat ze als Rose-partner zestig uur werk in rekening had gebracht voor haar werk voor het bedrijf Madison, dat een ongure rol in de wirwar van transacties en leningen had gespeeld.

Veel had het dus niet om het lijf en ondanks de niet-aflatende en overduidelijk politiek gemotiveerde onderzoeken werd nooit iets onoirbaars over de Clintons gevonden. De controverse had dan ook meer te maken met de bezetenheid van de Republikeinse oppositie in de jaren negentig en Hillary’s – overigens alleszins begrijpelijke – reserveringen ten opzichte van de vaak hysterische pers. ‘Hoe overtuig je een vrouw wier hele carrière haar leerde om defensief en heimelijk te zijn om open kaart te spelen en erop te vertrouwen dat ze eerlijk zal worden behandeld?’ vroeg Rebecca Traister zich dan ook af in een essay over Hillary in New York Magazine. ‘Vooral als je weet dat ze dat waarschijnlijk niet wordt?’

In 2000 besloot Hillary – Bills tweede ambtstermijn zat er bijna op – dat het haar beurt voor een politieke carrière was. Hoewel ze nooit in New York had gewoond stelde ze zich verkiesbaar voor een Senaatszetel. Na een huis in de staat te hebben gekocht, bleek een intensieve, maar dankzij de Clinton-machine goed gefinancierde campagne, afdoende. Volgens het register van de Library of Congress Records was Hillary in haar eerste vijf jaar in de Senaat verantwoordelijk voor de passage van twintig wetten. Daarvan vindt Henwood er maar één de moeite van het vermelden waard: het verlengen van werkloosheidsuitkeringen aan slachtoffers van 9/11 – om daar meteen aan toe te voegen: ‘Maar welke senator uit New York zou daar niet voor hebben geijverd?’

Wat Hillary wél deed, was voor de oorlog in Irak stemmen, een stem die ze lang nadat andere Democraten al hun spijt hadden betuigd bleef verdedigen. Ook beschuldigde ze Saddam Hoessein ervan banden te onderhouden met al-Qaeda, waarmee ze als een van de weinige Democraten zo ver ging als president George W. Bush. ‘Helaas’, schrijft Henwood, met opnieuw het nodige gif in zijn pen, ‘had deze daad van al haar prestaties in de Senaat de grootste impact. Haar andere daden waren het wetgevende equivalent van tegen borstkanker zijn.’

Ook van Clintons beoordelingsvermogen en haar beslissingen nadien is Henwood niet onder de indruk. Hij wijst op het debacle van 2008, toen ze de onervaren Obama onderschatte en haar voorsprong in de peilingen verspilde in de strijd om de Democratische presidentsnominatie. Of op haar ministerschap van Buitenlandse Zaken, de positie die ze na haar verkiezingsnederlaag kreeg en waarin Henwood haar veel te oorlogszuchtig vond. Zo steunde Hillary de escalatie van de oorlog in Afghanistan, lobbyde ze (onsuccesvol) voor een langere militaire aanwezigheid in Irak, probeerde ze Obama ertoe te bewegen Syrië te bombarderen (opnieuw onsuccesvol) en steunde ze binnen de regering het felst de interventie in Libië. ‘Daar is het nu nog een rotzooi’, constateert Henwood.

In de periode tussen haar vertrek van Buitenlandse Zaken en de huidige campagne voor het presidentschap legde Clinton zich toe op wat Henwood ‘Clinton, Inc’ noemt: het familiebedrijf. Dat betekende onder meer non-stop zelfpromotie, boekvoorschotten van miljoenen dollars en zeer ruime vergoedingen voor spreekbeurten. En geld werven – of dat nu voor de Clinton Foundation is of voor haar eigen campagne. Volgens schattingen van de Wall Street Journal hebben de Clintons sinds 1992 een kleine drie miljard dollar opgehaald voor hun verschillende filantropische doelen en politieke campagnes – waarvan driekwart afkomstig is van het bedrijfsleven, met de financiële sector als gulste groep. In die drie miljard dollar zijn nog niet eens de bedragen meegerekend die politieke actiecomités (pacs), die niet formeel aan de Hillary-campagne zijn verbonden, voor haar hebben opgehaald.

Zelf zijn Bill en Hillary Clinton, met geschatte netto waardes van respectievelijk tachtig miljoen en 31 miljoen dollar, inmiddels steenrijk. Het reflecteert volgens Henwood Clintons ware overtuigingen. ‘Geld en Amerikaanse imperiale macht, dat zijn de twee grootheden waarin ze werkelijk gelooft.’

Het bezwaar dat Clinton geen eerlijke of authentieke politica is, komt uiteraard niet alleen van linkse figuren als Franks en Henwood. Zo spreekt de Republikeinse presidentskandidaat Donald Trump bijna geen zin uit waarin de sneer ‘crooked Hillary’ niet voorkomt. Toch is er ‘één belangrijke waarheid’ die Clinton tijdens deze presidentscampagne steeds verspreidt, zegt de politieke denker Corey Robin in een telefonisch interview. ‘En die mogen we niet uit het oog verliezen. Namelijk: de dingen gaan niet beter worden. Nooit.’ Dat is geen electorale retoriek om Sanders’ voorstellen als onrealistisch te brandmerken, vervolgt hij. ‘Ze spreekt tot ons allen. Hillary houdt ons een boodschap voor die de Amerikaanse elites al decennia verkondigen: verwacht weinig en maak nergens aanspraak op. Dat is wat ze bedoelt als ze zegt: “Een nationaal zorgplan zal nooit worden aangenomen.” Als de kandidaat van de meer linkse van de twee grote partijen dat zegt – en wellicht straks de meerderheid van het electoraat ervan overtuigt – dan weet je dat het werk van de heersende klasse voltooid is.’

Met andere woorden, Clinton is de ultieme kandidaat van de gevestigde orde, van de ‘status-quo’. ‘De Clinton-krachten willen niets liever dan dat de Amerikaanse politiek – niet alleen tijdens deze verkiezingen, maar ook in de toekomst – in het teken staat van een strijd tussen een racistisch, nationalistisch rechts, Trump, en een multicultureel, neoliberaal centrum, Clinton’, aldus Robin. Het is aan links, waartoe Robin zichzelf ook rekent, om dit te doorbreken: ‘Onze taak is het om van de politiek een strijd te maken tussen een neoliberaal centrum en een multicultureel, socialistisch links.’

Liza Featherstone, de vrouw van Henwood en de redacteur van een essaybundel die Clinton vanuit een sociaal-feministisch oogpunt bekritiseert, ziet tekenen dat dit geen onmogelijke opgave is. In het radicale tijdschrift Dissent schrijft ze: ‘Het doel van linkse politiek is om linkse ideeën zo populair te maken dat mainstream politici ze steunen. Clintons adoptie van een minimumloon van vijftien dollar per uur toont dat we dit kunnen doen door ons te organiseren.’

Haar echtgenoot Henwood vreest dat zijn vrouw te veel waarde hecht aan Clintons woorden. Hij herhaalt het nog maar eens: ‘Hillary zegt alles om verkiezingen te winnen. In het eerste debat met Trump zegt ze straks misschien al weer iets anders. Als president is ze het wellicht geheel vergeten.’ Hij haalt zijn hoop voor een progressieve toekomst, ook al is dat slechts een sprankje, elders vandaan: ‘Woodward en Bernstein (de twee journalisten die begin jaren zeventig het Watergate-schandaal aan het licht brachten – mvg) vergelijken Hillary met Nixon. Beiden zijn heimelijk, bedrieglijk en gevoelig voor de publieke opinie. Nixon nam wetten aan als de Clean Air Act en de Mining Safety Act, omdat hij wist dat het publiek dat wilde. Hij heeft zelfs geprobeerd om een National Health Plan in te voeren, maar dat ging de Democraten destijds niet ver genoeg.’

Hij lacht. ‘Hillary zet nu in op verbetering van Obamacare, maar als het volk massaal de straat op gaat voor een nationaal zorgplan zal ze daar als president misschien voor willen vechten. Eén ding is zeker: ze begrijpt als geen ander hoe macht werkt. En ze is keihard en slim.’

Maar als hij eerlijk is, voorziet Henwood een veel minder rooskleurige toekomst als Clinton president wordt: ‘Toen ik onderzoek deed voor het boek kreeg ik ook de talking points van de Republikeinen over Hillary onder ogen. Bijna alles wat in mijn boek staat, wisten ze al. Als de Republikeinen ook na november nog een meerderheid in het Huis van Afgevaardigden hebben, wat zelfs bij een imploderende Trump-campagne waarschijnlijk het geval is, wordt het een circus van parlementaire onderzoeken.’

Dat baseert Henwood onder meer op de hoorzittingen die Clinton de afgelopen jaren heeft moeten ondergaan vanwege de aanslag in 2012 op de Amerikaanse diplomatieke missie in Benghazi, waarbij onder anderen ambassadeur Stevens omkwam. ‘Dat was totaal belachelijk: alsof Clinton daarvoor als minister verantwoordelijk kon worden gehouden. Kun je nagaan wat ze zullen doen als ze echt een smoking gun hebben: de verdwenen e-mails van haar server, de schimmige transacties rondom de Foundation. Het wordt misschien wel erger dan wat Bill over zich heen kreeg in de jaren negentig.’

Zelf zou Henwood overigens ook wel willen weten wat in de 38.000 door Clinton gedelete e-mails stond. ‘Het zou me niet verbazen als er beloftes in staan aan donoren van de Foundation. De e-mails gaan in ieder geval naar de kern van wie ze is: haar hang naar geheimhouding, de notie dat ze boven de wetten staat die voor gewone stervelingen gelden. God weet wat in die e-mails staat, maar ze was niet het huwelijk van Chelsea aan het voorbereiden.’


Beeld: (1) Een verkiezingsbijeenkomst in Lynwood, Californië, 6 juni (Brooks Kraft / Getty Images); (2) Hillary Cinton en Tipper Gore tijdens de Clinton/Gore- campagne, Ohio, 1992 (Universal Images Group / Getty Images)