Overbewoning en uitbuiting in de Rotterdamse Tarwewijk

Acht Roemenen op één kamer

Rotterdam wordt overspoeld door Oost-Europese migranten. Wethouder Karakus van Wonen (PvdA) maakt zich grote zorgen: ‘We kunnen niet nog eens vijftienduizend Bulgaren en Roemenen opvangen.’

POLSKI SKLEP, staat er op de ruit van de buurtwinkel op de hoek van de Bonaventurastraat in de Rotterdamse Tarwewijk. Binnen verkoopt Bozena Marczuk Pools brood en blikvoer aan de duizenden Oost-Europese nieuwkomers in de havenstad. Een jongeman neemt zes halve-literblikken Pools Lech-bier mee. Het is dinsdagochtend, half twaalf. ‘Ik ben sinds vier maanden in Rotterdam’, vertelt Marczuk, terwijl ze een ui schoonmaakt. 'Mijn man werkt al drie jaar in Nederland, als chauffeur. We komen uit een dorp ten oosten van Warschau. Daar is nauwelijks werk.’
Op de winkelruit staat niet alleen Polski sklep geschreven, maar ook Zeko Jasarov, de naam van de eigenaar van de winkel. 'Dat is een Joegoslaaf uit de buurt, die opeens bedacht dat hij geld aan de Polen kan verdienen’, vertelt even later Leo Pas, de voorzitter van bewonersorganisatie Tarwewijk in zijn kantoor. 'Die Jasarov, dat is een echte uitbuiter’, vertelt een collega tegenover Pas. 'Jasarov is een huisjesmelker, stopt Oost-Europeanen in veel te kleine ruimtes en vraagt te veel huur. Bovendien moet hij mijn vrouw niet nog eens lastigvallen. Dan zoek ik hem op met een ijzeren pijp en geef hem een afranseling. Zet dat maar in je krant. Hoe heet-ie ook alweer? De Groene Amsterdammer? Pas dan maar op in de wijk. Straks kom je nog Feyenoord-fan Andre Heil tegen, die heeft ooit een FC Twente-supporter doodgestoken. Hij heeft het ook niet zo op Amsterdam.’
Het zogenaamde veiligheidsindexcijfer van de Tarwewijk ligt op 3,9. Daarmee balanceert de wijk op het randje van de begrippen 'probleemwijk’ en 'onveilige wijk’, maar volgens Leo Pas gaat het zo slecht nog niet: 'Vroeger werd hier gedeald, bij mij in de buurt werd geschoten. Dat gebeurt nu niet meer. We hebben nu minder overlast van Antillianen, tegenwoordig hebben we hier vooral Oost-Europeanen. Die lui gebruiken niet veel drugs, het zijn meer zuipers. Soms kotsen ze van driehoog naar beneden. Een van de grootste problemen is nu overbewoning. De gemeente probeert er wel wat aan te doen. We gaan vooruit, maar in sommige straten, zoals de Bonaventurastraat, moet nog heel wat gebeuren.’
De kantoorruimte van bewonersorganisatie Tarwewijk, gehuisvest in een voormalige wijkpolitiepost, staat blauw van de rook. Ook Piotr, 'ambulant medewerker’ van de gemeente Rotterdam, is inmiddels van de partij. Met zijn leren bikersjack en zijn woeste blonde haardos is de 27-jarige socioloog uit het Poolse Zielona Góra een opvallende verschijning, maar daar blijft het helaas bij, want de communicatieafdeling van de gemeente Rotterdam wil niet dat hij over zijn werk als contactpersoon tussen de gemeente en de duizenden Polen en Bulgaren in de stad praat. Daarom gaan we even later met buurtbewoner Pawel Janczuk op pad, die de Tarwewijk eveneens als zijn broekzak kent.
'Hier wonen Polen, en daar en daar. En hier woonde ook een Pools gezin, maar dat waren echte klootzakken. Die zijn door de gemeente uit hun huis gezet. Dat is goed, want ze veroorzaakten overlast.’ We lopen verder, langs een op straat gedumpte berg meubels richting Voetjesstraat. Janczuk: 'In deze flat woonden tot voor kort massa’s ongeregistreerde Polen en Bulgaren. Die Bulgaren werken vaak in Turkse autobedrijven, omdat velen van hen Turks spreken. Kijk, daar bij autobedrijf Anadolu staat een dure Bulgaarse Audi.’ Afgelopen jaar dreigde de situatie in de Pools-Bulgaarse flat volgens Janczuk onhoudbaar te worden: 'Er was massale overbewoning. Daarom heeft het interventieteam van de deelgemeente ingegrepen. Malafide makelaars zijn aangepakt, illegale bewoners verwijderd, overbewoning is gestopt. De mensen van het interventieteam doen goed werk, ze proberen echt hulp en oplossingen te bieden. Dat is belangrijk, want veel Oost-Europeanen zijn bang voor alles wat met overheid te maken heeft.’
We lopen verder door de Katendrechtse Lagedijk, richting Pleinweg. Op de muren van de huizen staat Romania met krijt geschreven. Overal in de Tarwewijk staan auto’s met Litouwse, Poolse, Sloveense, Bulgaarse en Roemeense nummerborden. 'Het is natuurlijk vreemd dat Bulgaren en Roemenen hier weliswaar legaal mogen verblijven, maar niet mogen werken’, vindt Janczuk. Het weerhoudt de Oost-Europeanen er niet van om naar Rotterdam te komen. 'Ik denk dat in Rotterdam wel dertigduizend Polen wonen. Dat wil echter niemand horen, het is een politiek taboe. Maar er is hoop voor Rotterdam: volgens mij blijft van alle Polen maximaal dertig procent in Nederland. Volgend jaar gaat de Duitse arbeidsmarkt open. Veel Polen zullen naar Duitsland verhuizen, dat ligt dichter bij Polen.’
Volgens Janczuk komen migranten uit heel Europa naar de Tarwewijk: 'Aan de Pleinweg wonen veel Letten. Velen van hen zitten in de criminaliteit. Prostitutie, drugs, als je iemand in elkaar wilt laten slaan moet je bij hen zijn. Maar er zijn ook Hongaren, Slovenen. Ze komen overal vandaan.’ Een groot deel van de Bulgaarse en Roemeense migranten zijn Roma, volgens Janczuk. 'Dat wil ook niemand weten.’

VOLGENS EEN RECENT onderzoek van de Erasmus Universiteit naar arbeidsmigranten uit Polen, Bulgarije en Roemenië is een groot deel van de nieuwkomers uit Bulgarije overwegend laagopgeleid, vaak ouder dan dertig en komen ze meestal in groepen naar Nederland. De meesten hebben slechte kansen op de arbeidsmarkt en zijn daarom aangewezen op werk in het grijze circuit.
Dat weet ook Hamit Acioz, een Turkse aannemer die sinds 1968 in Rotterdam woont en sinds enkele jaren naast Turken ook met Bulgaren werkt. 'Soms maak ik gebruik van ze’, vertelt de ondernemer in zijn bovenwoning in de Afrikaanderswijk. 'De Bulgaren hebben het relatief gemakkelijk, omdat een deel van hen Turks spreekt. Voor de Roemenen is het moeilijk hier. Ze worden soms echt als moderne slaven op de bouw uitgebuit. Omdat ze geen andere talen spreken, kunnen bazen met ze doen wat ze willen. Vaak begeleidt een landsman die wat Nederlands spreekt vijf, zes Roemenen of Bulgaren en laat hen alle vuile klusjes uitvoeren. Zwart verdienen ze misschien vijftig, zestig euro per dag. Het is begrijpelijk dat ze dan een matras huren in een kamer die ze met meerdere landgenoten delen, om op die manier geld uit sparen.’
Begrijpelijk is het misschien wel, maar wenselijk niet, volgens Aad Barendrecht, voorzitter van buurtvereniging Carnisse. Barendrecht woont zijn hele leven al in de wijk, en heeft de samenstelling van de bevolking zien veranderen: 'Eerst kwamen de Turken en de Mediterrane mensen. De laatste tien jaar komen steeds meer Oost-Europeanen.’ De komst van de nieuwe migranten leidt tot nieuwe problemen, volgens Barendrecht: 'Neem de afvalproblematiek. In onze wijk hebben we heel veel flats uit de jaren vijftig. Gemiddeld verhuist elke tien maanden iemand uit zo'n zes-appartementencomplex. Dat veroorzaakt veel rommel. Na een verhuizing blijven de oude meubels op straat achter. We hebben er met de reinigingsdienst over gebeld, maar ze kunnen niet vaker ophalen omdat dat te duur wordt.’
'In de jaren tachtig werd er in Carnisse als onderdeel van de stadsvernieuwing stevig gerenoveerd’, vertelt Barendrecht, terwijl we langs een Bulgaars personenbusje lopen dat al wekenlang met een wielklem geparkeerd staat. 'Achteraf bekeken was het misschien beter geweest om meer te slopen, om het woningbestand meer te mengen.’ Dat is dus niet gebeurd, met als gevolg dat de wijk nog altijd vele kleine 'kippenhokjes met een lage woonkwaliteit’ kent. Een echte probleemwijk dus? 'Ach, ik heb een hekel aan dat woord, maar inderdaad verloopt hier niet alles zoals het zou moeten.’
Om de leefbaarheid in achterstandwijken zoals de Tarwewijk en Carnisse te verbeteren, voerde de gemeente enkele jaren geleden de zogenaamde Rotterdamwet in. Deze wet maakt het mogelijk om kansarne nieuwkomers uit de wijk te weren. Wie een woning wil, moet inkomen uit werk hebben. Een goed idee? 'Ik geloof niet dat de wet werkt’, meent Barendrecht. 'De woningbouwcorporaties zijn er niet blij mee en de Oost-Europeanen komen toch wel. Het werkt niet.’
Barendrecht kan zich goed voorstellen dat mensen overlast ervaren door overbewoning van flats door Oost-Europeanen: 'Wanneer je in een flat woont en je hoort door het plafond boven jou acht Roemenen praten, dan is dat overlast. Als die mensen dan ook nog eens muziek aanzetten, wordt het nog vervelender. Wanneer elke ochtend voor dag en dauw acht Bulgaren de trap af stommelen naar hun werk, dan is dat overlast. Als het mooi weer is, gaan die mensen buiten op straat zitten ontbijten. Dat begrijp ik wel, want binnen is het veel te klein en die mensen willen ook wel eens buiten komen. Maar de buren vinden zo'n groep buitenlanders op de stoep niet altijd prettig. Ook dat begrijp ik.’
Hoewel uit het onderzoek van de Erasmus Universiteit blijkt dat een groot deel van de Bulgaarse migranten laagopgeleid is, bevinden zich onder de Roemenen en Polen juist relatief veel hoogopgeleide mensen. Dat weet ook Firdevs Durgut, de adjunct-directeur van basisschool De Kameleon in Carnisse. Deze school is opvangbekken voor de vele nieuwkomers in de wijk. Durgut: 'We hebben vier schakelklassen met elk vijftien tot zeventien kinderen. Al die kinderen zijn het afgelopen jaar vanuit het buitenland naar Rotterdam gekomen. We hebben veel Oost-Europeanen, maar de laatste twee jaar zien we ook versterkt Spanjaarden, Portugezen en Ieren komen. Misschien heeft het te maken met de economische crisis in die landen.’
Basisschool De Kameleon lijkt het slachtoffer van haar eigen succes te worden. Met 343 leerlingen uit veertig verschillende landen en vier schakelklassen zijn de grenzen van de groei bereikt, volgens Durgut: 'We hebben nu een stop gezet op de toestroom naar de schakelklassen, want we hebben ruimte- en personeelsgebrek. Dat is vervelend: ik heb gisteren nog een Spaans jongetje moeten doorverwijzen naar een andere school, waarvan je weet dat hij er niet zulk aangepast onderwijs gaat krijgen als hier.’
Arie van den Berg is een van de docenten die de migrantenkinderen begeleidt. 'De integratie van de kinderen verloopt redelijk vlekkeloos, omdat ze extra taalles en veel aandacht krijgen. Bovendien zitten de kinderen in hetzelfde schuitje. Ze leren van elkaar.’ Natuurlijk spreekt Van den Berg zelf niet alle talen van de kinderen in zijn klas, maar dat is geen probleem: 'Als ik het woord appel in het Roemeens wil weten, dan google ik het even.’
Een van de kinderen die het afgelopen jaar naar Carnisse kwam, is Alexander Vilau, een tienjarige jongen uit het Roemeense Focsani. 'Ik kwam in maart naar Rotterdam, vanwege de liefde’, vertelt zijn moeder Daniela. 'Ik had een Roemeense vriend die al twaalf jaar in Rotterdam woont. Het is inmiddels uit tussen ons, maar toch wil ik in Nederland blijven, het bevalt me hier goed. Alex spreekt inmiddels al redelijk Nederlands. Ik heb mijn studie economie in Roemenië niet af kunnen maken, maar dat wil ik komend jaar via de open universiteit doen.’
Ook Edit Holhos kwam afgelopen jaar naar Rotterdam, vanuit Kaposzvár in het zuiden van Hongarije. Met haar lange, zwarte haar en donkere huidskleur ziet ze eruit als een Roma. 'Ja, ik ben een zigeuner’, zegt ze zonder omhaal. Het is een van de redenen waarom ze niet langer in Hongarije wil blijven: Roma hebben het er moeilijk. Hoewel Holhos nog niet zo lang in Nederland is, spreekt ze al een beetje Nederlands. Haar man woont al drie jaar in Rotterdam. Holhos: 'Hij is stratenmaker, hij heeft een eigen bedrijf. Hij is met zijn broer naar Nederland gekomen. Eerst woonden we bij hem, maar nu niet meer. In juli hebben we een eigen huis gekocht. Onze kinderen, Mark en Kira, gaan hier graag naar school. We willen hier blijven, onze toekomst ligt hier.’

WETHOUDER HAMIT KARAKUS van Wonen (PVDA) is weet maar al te goed dat tienduizenden Oost-Europeanen hun toekomst in Rotterdam zien. De problemen die deze toestroom veroorzaakt, frustreren hem: 'We hebben problemen met overbewoning, met uitzendbureaus, met te grote druk op bepaalde wijken en met de integratie van de nieuwkomers.’ Volgens Karakus doet Rotterdam haar best om al haar opgaven uit te voeren, maar geven buurgemeenten niet thuis, redeneert het rijk te economisch, ontbreekt er een visie van de overheid op de arbeidsmigratie en ligt het oplossen van een groot deel van de problemen niet in de bevoegdheid van Rotterdam.
Karakus: 'Uitgangspunt moet zijn dat we uitbuiting van Oost-Europeanen tegengaan. Dat doen we door malafide werkgevers en huisjesmelkers aan te pakken. De werkgevers verschuilen zich echter vaak achter de uitzendbureaus. Veertig procent van de arbeidsmigranten wordt onder het minimumloon betaald. Daarom willen we dat de uitzendbranche vergunningsplichtig wordt, zodat er beter gecontroleerd kan worden. Dat is een taak voor het rijk. Certificering, zoals nu wordt voorgesteld, is niet genoeg.’ Volgens Karakus verdwijnen steeds meer uitzendbureaus naar Bulgarije en Polen: 'Die uitzendbureaus zorgen ook voor het transport naar Rotterdam. Het wordt steeds moeilijker te controleren. Verder werken steeds meer Oost-Europeanen via de zzp-constructie. Zzp'ers moeten zich inschrijven bij de Kamer van Koophandel, maar niemand controleert wat ze echt uitvoeren. Ik denk dat de inschrijving hoogdrempeliger moet. Ik snap dat daar weerstand tegen is, maar als we de problemen in de stad willen aanpakken gaat het niet anders.’
Naast de uitzendbureaus vormen de huisjesmelkers het tweede grote probleem. Karakus: 'Meerdere mensen wonen in een kamertje zonder daglicht, dat door een planken wandje van het kamertje ernaast is gescheiden. Dat is brandtechnisch levensgevaarlijk. Sowieso zijn veel Oost-Europeanen onverzekerd.’ Karakus vindt het verder 'bizar’ dat zijn stad moet opdraaien voor de lasten van de toestroom van Oost-Europeanen, terwijl volgens hem de helft van deze mensen niet in Rotterdam werkt: 'In 2007 kwamen met de opening van de arbeidsmarkt vijftienduizend Oost-Europeanen naar Rotterdam. We moesten al die mensen huisvesten, net zo veel als in een kleine stad. De helft van de Oost-Europeanen in Rotterdam werkt in de bouw en in de kassen in de omliggende gemeenten. Ik vind dat die gemeenten ook een deel van de migranten moeten huisvesten, maar ze geven niet thuis.’
Volgens Karakus ontbreekt het aan een visie van de overheid op de arbeisdsmigratie: 'Het rijk moet het initiatief nemen voor een geïntegreerde visie. We krijgen per jaar duizenden klachten van Rotterdammers over de Oost-Europeanen. De controles kosten ons meer dan drie miljoen euro per jaar, en het levert ons nagenoeg niets op. De regering redeneert vooral vanuit een economisch perspectief, maar welke voordelen heeft Rotterdam op deze manier? En zijn al die Oost-Europeanen niet concurrenten op de arbeidsmarkt voor de Rotterdammers? Een deel van de migranten blijft permanent, velen van hen komen met kinderen, die hebben vaak een leerachterstand. Als we niet oppassen hebben we over vijftien jaar dezelfde problemen als tegenwoordig met migrantengroepen uit Zuid-Europa. Hebben we dan niets geleerd?’
Karakus maakt zich zorgen over 2013, wanneer ook Roemenen en Bulgaren zonder vergunning in Nederland aan de slag te kunnen: 'We kunnen niet nog eens vijftienduizend nieuwe mensen opvangen. Ik pleit daarom voor een pauze in de toestroom. Iedereen verschuilt zich achter de EU-wetgeving, maar dat is me te gemakkelijk. We weten precies uit welke Poolse en Bulgaarse regio’s de migranten komen. Ik wil dat de EU doelgericht in deze gebieden investeert.’

Om privacyredenen zijn enkele namen in dit artikel gewijzigd