Mohammed-Sghir Janjar over de Arabische lente

‘Achter de hoofddoek kijken’

Voor de Marokkaanse antropoloog Mohammed-Sghir Janjar kwam de Arabische lente niet als een verrassing. Als de samenleving moderniseert, zoals gebeurt in Marokko, Tunesië en Egypte, moet de politiek wel volgen.

In interviews verdedigt de Marokkaanse antropoloog Mohammed-Sghir Janjar vaak de stelling dat de Arabische wereld geen uitzonderingsgeval is. Nee, we hoeven niet bang te zijn voor de islam, omdat moslims normale mensen zijn die een normaal leven willen leiden. En ja, ook de Arabische landen zullen moderne landen worden, zijn dat in veel opzichten al, en zullen uiteindelijk door democratisch gekozen regeringen worden bestuurd. Het uitbreken van de Arabische lente heeft hem dan ook niet verrast.

‘In de jaren zestig was er een golf van democratisering in Spanje, Portugal, en Latijns-­Amerika’, licht Janjar toe. ‘Eind jaren tachtig viel de Berlijnse Muur en volgde de democratisering van de Oost-­Europese landen. Maar in de Arabisch-islamitische wereld gebeurde niets. Volgens politicologen moest de regio daarom niet in termen van democratische veranderingen maar van autoritarisme worden geanalyseerd. Dat kon de vorm aannemen van een monarchie, een republiek, van arabisme en van islamisme, maar de kern van al die systemen bleef autoritair. Politicologen concludeerden daaruit dat Arabisch-islamitische volkeren op een autoritaire manier willen worden geregeerd. Daarom waren ze zo verrast door de Arabische lente.’

De 56-jarige Janjar, doctor in de sociale en culturele antropologie, staat in de Maghreb en ook daarbuiten bekend als een van Marokko’s eminente intellectuelen. Hij is adjunct-directeur van de Fondation Al Saud voor Islamstudies en Menswetenschappen in Casablanca en heeft een tiental boeken op zijn naam staan over sociale, politieke en religieuze kwesties in Marokko en de rest van de Arabische wereld. Janjar is een vriendelijke en toegankelijke man, een graag geziene spreker op internationale congressen. We spreken elkaar op een maandagochtend in zijn werkkamer op de Fondation Al Saud, met uitzicht op de Atlantische Oceaan.

Waarom verraste de Arabische lente u niet?

‘Sociologen en antropologen zagen de nogal archaïsche autoritaire politieke systemen in de Arabische wereld als een vreemd element. Juist omdat de maatschappijen op veel gebieden al betrekkelijk modern waren. Vrouwen bijvoorbeeld kregen er steeds minder kinderen, zijn ook gaan werken, en de extended family heeft plaatsgemaakt voor het kerngezin. Bovendien nam het analfabetisme sterk af en steeg het opleidingsniveau van de bevolking – dat is heel snel gegaan. Het zijn inmiddels ook geen rurale maar voor een aanzienlijk deel stedelijke samenlevingen met een markteconomie. Daar komt bij dat de jeugd via internet en Facebook in contact staat met de rest van de wereld. Socio­logen zien dus open maatschappijen die bezig zijn volledig te veranderen, en, vragen ze zich af: waarom zijn die verouderde politieke systemen er dan nog? Het antwoord is eenvoudig: omdat die zich tot dusver hebben weten te handhaven.’

En nu heeft de bevolking in Marokko, Tunesië en Egypte gekozen voor de islamisten.

‘Ze zijn daar nu bezig het democratische spel te leren, met de regels die daarbij horen. Men moet zich niet laten verblinden door wat islamisten vroeger allemaal riepen. Er is een groot verschil tussen een utopistisch discours dat naar voren wordt gebracht door iemand die tot de oppositie behoort en geen enkele kans heeft tot de macht toe te treden, en iemand die het land gaat besturen, zoals de islamisten nu moeten doen.

In Marokko zijn de islamisten de grootste partij geworden, in Tunesië ook, maar ze hebben er geen meerderheid, er zijn ook andere politieke stromingen. Er is in die landen een zekere politieke moderniteit. In Egypte hoeven we ons evenmin te verbazen over de opkomst van de islamisten, want het autoritaire systeem heeft alle oppositie geëlimineerd. De islamisten hebben nooit de kans gekregen aan politiek te doen, maar ze hebben cultureel-maatschappelijk werk verzet en daarmee een zekere legitimiteit bij de bevolking verworven. Dan is het volkomen normaal dat ze het goed doen op het moment dat ze zich voor verkiezingen kunnen presenteren.

Hoe het politieke spel gaat uitpakken hangt af van al bestaande stromingen in de maatschappij. In de Arabische wereld zijn die stromingen onder meer het islamisme en het salafisme. De essentie is dat ze zijn komen bovendrijven als resultaat van een moderne politieke dynamiek, democratische verkiezingen. Helaas blijven politicologen dan zeggen dat het geen maatschappijen zijn die werkelijk democratie willen, omdat ze voor het islamisme kiezen.’

Eenmaal aan de macht zullen islamisten bepaalde verworvenheden wellicht terugdraaien.

‘Dat zullen ze niet doen, ze zullen zich pragmatisch tonen. Aan de fiscale politiek in Marokko bijvoorbeeld hebben de islamisten die daar nu de regering leiden niets veranderd. Het zijn ultra-liberalen in dat opzicht. Terwijl men zich gemakkelijk had kunnen voorstellen dat ze vooral de rijken willen laten betalen. In Egypte en Tunesië voeren de islamisten evenmin een fiscale politiek tegen de rijken en zijn ze niet tegen het toerisme. In Marokko continueert men het toeristische beleid dat is ingezet door de koning. Ze hebben ook de alcohol niet verboden, integendeel, ze hebben nieuwe verkooppunten toegestaan. Ze hebben wel de belasting op alcohol verhoogd. Dat wil zeggen dat de islamitische staat geld binnenhaalt met de verkoop van alcohol, wat in tegenspraak is met de ideologie. In Tunesië hebben ze hardop gezegd dat ze de verworvenheden op het gebied van vrouwenrechten niet zullen terugdraaien. Er zijn zelfs islamisten die pleiten voor de vrijheid van religie. Sommige Tunesische islamisten vinden dat het staatshoofd niet noodzakelijk een moslim hoeft te zijn, dat kan zelfs een jood zijn, omdat in hun ogen de staat seculier moet zijn. Al Azhar, de grote soennitische religieuze autoriteit van Egypte, neemt stelling voor het pluralisme en voor de vrijheid van geweten, terwijl het discours van Al Azhar vroeger, onder het autoritaire systeem, dicht tegen het islamisme aan zat.

Ik denk dat de huidige democratische dynamiek in de Arabische landen ons gaat tonen dat het maatschappijen zijn die functioneren volgens dezelfde principes van belangenconflicten als alle andere landen. Het in goede banen leiden daarvan zal de islam ertoe dwingen zich te moderniseren. Vroeger dachten we dat de islam eerst moest moderniseren voordat er sprake kon zijn van democratie, maar het is omgekeerd. Het is de democratie die moslims zal dwingen zich af te vragen hoe ze hun principes kunnen verenigen met een rationele politiek. Ik heb goede hoop dat het politieke spel in die landen de maatschappijen gaat sturen en een democratisch pluralisme zal opleveren. En dan bedoel ik een pluralisme op alle niveaus, ook binnen de islam zelf. Er zijn in Marokko, Egypte en Tunesië strenge salafisten en gematigde, er zijn de Moslimbroeders van Ennahda en er zijn wat men noemt linkse, progressieve moslims die spelen met het idee van een seculiere staat. Wanneer islamisten aan de macht zijn, zullen andere islamisten oppositie voeren, zoals dat ook is gegaan bij de socialisten en de liberalen.’

Bent u niet te optimistisch?

‘Sneller dan men had gedacht blijken de islamisten zich aan te passen aan het politieke spel, en ze stellen zich open op naar de buitenwereld. Terwijl men dacht: dat wordt totalitarisme. Maar dat is in die landen nu zeker niet het geval. Het gaat natuurlijk niet eenvoudig worden, democratie is werk in uitvoering, er zullen allerlei botsingen zijn. Maar er is zich een modern discours van democratisering aan het ontwikkelen. Het is niet meer een kwestie van islamisme of seculariteit. Fundamenteel is het pluralisme, het democratische spel.’

In Syrië gaat het er bloedig aan toe.

‘In Syrië is de macht in handen van een kleine clan alawieten, een minderheid die de rest domineert. In zo’n minoritair, clanachtig systeem, maar ook in een tribale maatschappij als Jemen, gaat de geboorte van een nieuwe politiek met geweld gepaard. Syrië gaat een zware tijd tegemoet. In Marokko, Tunesië en Egypte is meer consensus over essentiële zaken en kunnen de dingen meer vredelievend evolueren.’

Maar ze lijken ook te evolueren naar meer conservatieve maatschappijen.

‘Maar de vrouwen, die nu gemiddeld nog maar twee of drie kinderen krijgen, krijgen er niet plotseling weer zes louter omdat de islamisten aan de macht zijn. De verlaging van het vruchtbaarheidscijfer valt onmogelijk terug te draaien. We hebben hier te maken met een historische dynamiek. Er is in de Arabische wereld sprake van een generatiebreuk, de meerderheid van de bevolking is jong, er is een nieuwe maatschappij bezig te verschijnen. Het zijn maatschappijen die zich bewegen in de richting van de moderniteit, of dat nu met of zonder hoofddoek is, met of zonder islamisme.’

Tunesië, Marokko, Egypte worden dus geen Iran?

‘De religieuze revolutie van Khomeini was de enig mogelijke oplossing van dat moment. Maar toen het autoritaire regime van de sjah omvergeworpen werd, was er in Iran al een goed geschoolde bevolking, sterk geürbaniseerd, zoals we nu ook zien in de Arabische landen. Achter de hoofddoek, achter de lokale folklore, moet je de sterke tendensen in de maatschappij bekijken, die bezig is zich volledig te transformeren. De Iraanse revolutie heeft dat niet geblokkeerd maar juist aangemoedigd. Hoe valt anders te verklaren dat de Iraanse cinema nu een van de beste ter wereld is? Dat zestig procent van de studenten vrouw is? Hoe de culturele dynamiek te verklaren, de vertalingen van de grote denkers van de wereld, de Iraanse roman, Iraanse rockmuziek, de grote protestbeweging van jongeren sinds de verkiezing van Ahmadinejad? Iran is bezig een formule te testen: hoe het religieuze Iraanse systeem te verenigen met een open, liberale versie van democratie. Dat gaat tijd kosten, net zoals dat in Europa tijd heeft gekost.

In de Arabische landen is geen zaïm Khomeini die de revolutie dirigeert. Zeker, de islamisten hebben de verkiezingen gewonnen, maar de revolutie was er een voor gelijkheid en waardigheid. Het was geen revolutie in naam van de islam. De islamisten kunnen aan de macht komen, maar ze moeten een coalitieregering vormen, zoals in Marokko. In Egypte hebben ze wel een meerderheid in het parlement maar er is ook de druk van minder­heden, kopten, liberalen, die een open maatschappij willen. En er is internationale druk, want landen als Egypte, Marokko en Tunesië hebben geen olie en kunnen zich dus niet in zichzelf opsluiten zoals Iran.’

Kijkt de Arabische wereld nu naar Iran als rolmodel?

‘Men kijkt eerder naar Turkije. Iran en Turkije hebben eigenlijk tegengestelde wegen afgelegd. In Turkije heeft men de staat geseculariseerd en is men aan het einde van de rit de islam weer tegengekomen. In Iran is de islam opgelegd, maar nu is de samenleving bezig te seculariseren. Je zou kunnen zeggen dat de islamisering daar nu de moderniteit op haar pad treft. De islamisten kijken naar premier Erdogan. Maar zelfs hij, een islamist, heeft in Tunesië gezegd: de beste weg is die van de laïcité (strikte scheiding tussen kerk en staat, zoals in Frankrijk – kb), want wij zijn daar het product van. Met een economische groei van tien procent winnen de islamisten van Erdogan de verkiezingen natuurlijk. Maar morgen is er een politiek alternatief en zullen ze een partij als alle andere zijn. De echte democratie begint eigenlijk pas wanneer er van werkelijke machtswisselingen sprake is, islamisten die opkomen, die verliezen, die coalities moeten aangaan, het klassieke spel van de democratie.’