Duizenden boeren protesteren in het Gelderse dorp Stroe tegen de stikstofplannen van het kabinet, 22 juni © Jet Budelman / De Beeldunie

Wat beklijft na drie jaar – coronapauzes inbegrepen – alsmaar radicaliserend protest en voortdurend vastlopend overleg in dat stroperigste aller dossiers, dat over stikstof? Bij velen toch vooral dit: verbazing over hoe het in polderland Nederland zover heeft kunnen komen. Hooibalen in de hens langs de snelweg, geblokkeerde distributiecentra, het Malieveld vol trekkers. Het is ‘Nederland onwaardig’, zoals René Cuperus in de zomer van 2022 in een opiniestuk in de NRC schreef. Of, moet je zeggen: dit is júist Nederland, precies zoals het er nu voor staat?

De teleurstelling die uit de kwalificatie ‘Nederland onwaardig’ spreekt, verraadt misschien een wat al te rooskleurig beeld van hoe de vlag erbij hangt. Zeker, Nederlanders hebben zich in het verleden in elk geval vaak bedreven getoond in het pacificeren van maatschappelijke verschillen. Katholieken, protestanten, liberalen en socialisten mochten dan qua levensbeschouwing van elkaar verschillen, er was altijd het besef dat alleen brede volksbewegingen de belangenverschillen, die er ook toen waren, konden overwinnen. Boeren, burgers en buitenlui kwamen elkaar lange tijd in één zuil en daarmee in één partij tegen.

Soms nam de dialoog tussen die zuilen de vorm van een ordinaire ruil aan, ‘jullie het algemeen kiesrecht, wij bijzonder onderwijs’, maar op het grondvlak van de samenleving wist men elkaar doorgaans beter te vinden dan de levensbeschouwelijke verschillen tussen de leidsmannen van de zuilen zouden doen vermoeden. Een koe is gewoon een koe, ongeacht het geloof van degene die hem bestiert. En een boerderij is gewoon een boerderij, of je nu een protestants-christelijke school hebt bezocht of een openbare.

Drie decennia na de verzuiling zijn we nog altijd op zoek naar een nieuwe verhouding tot elkaar. Misschien is het wel dáárom dat aan beide zijden van de kloof naar regionale identiteiten wordt gegrepen – we zijn op zoek naar een nieuw ‘wij’, nu de zuilen die onze samenleving ooit hebben gestut verbrokkeld achter ons liggen. We gebruiken daarbij telkens onze eigen groepsidentiteit als de maat der dingen en vergeten soms dat we in één land leven met talloze anderen die er andere waarden en gewoontes op nahouden.

Ook media zijn hier niet immuun voor. Zo herinner ik me de verbazing tijdens een NRC-redactievergadering toen, halverwege 2019, het nieuws voorbijkwam dat Nederlanders méér vlees waren gaan eten dan het jaar ervoor. ‘Hoe kán dat?’ vroeg een aantal eerlijke collega’s zich vertwijfeld af. ‘Ik ken alleen maar mensen die zijn gestopt of zijn gaan minderen.’

Die reactie had ook van mijzelf kunnen komen, zeker toen ik nog in Amsterdam woonde. Maar door mijn correspondentschap in Oost-Nederland zag ik dat vlees eten bepaald nog niet op zijn retour is. Zoals sommige Randstedelingen zichzelf half ironisch ‘de havermelkelite’ noemen, profileren ook sommige plattelanders zich door middel van hun voedselkeuze. Tegenover ieder veganistisch koffietentje staat een barbecuefestival elders in het land, waar het eten van vlees juist wordt gevierd. Zo gaat dat bij polarisatie: de polen versterken elkaar.

In de week dat de stad Haarlem aankondigde reclames voor vlees te willen verbieden kwam de sector zelf met de campagne Nederland Vleesland, bedoeld om vlees eten opnieuw te normaliseren. Die campagne leidde onder progressieve Nederlandse twitteraars tot een golf van verontwaardiging, die vooral tot gevolg had dat het begin september 2022 dagenlang over Nederland Vleesland ging.

Stedelingen en plattelanders hebben kortom een clichématig beeld van elkaar, waarmee ze elkaar in een houdgreep van uitvergrote stereotypen vasthouden. Alsof iedere stedeling vegetariër is en iedere plattelander diehard carnivoor.

De irritaties over een grootstedelijke klasse die de ander zijn wereldbeeld wil opleggen, zoals ik als correspondent Oost-Nederland in talloze interviews kon optekenen, komen intussen niet geheel uit de lucht vallen. Frappant vond ik de antwoorden die NRC-collega Thijs Niemantsverdriet noteerde toen hij Amsterdammers op ‘typisch stedelijke’ plekken als een yogaschool en een flexwerkplek vroeg naar hun beeld van ‘de rest van Nederland’.

Hij bezocht onder meer de Nieuwe Yogaschool, ‘een plek waar je je kunt verbinden met jezelf en met elkaar’. De bezoekers zijn overwegend vrouwelijk, dertiger en vegetariër. ‘Als ze ergens geen vegan opties hebben, ben ik niet te beroerd om vegetarisch te eten’, zei een vrouw tegen hem.

Gevraagd naar hun beeld van Nederland buiten Amsterdam zeiden de bezoekers van de yogaschool: het is er mooi, rustig (‘een ander tempo van leven’) en verschrikkelijk behoudend. Het woord dat in ieder gesprek terugkeert, is ‘verzet’. In de rest van het land, zeiden de yogi’s tegen hem, verzetten de mensen zich tegen een ‘duurzame’ en ‘inclusieve’ manier van leven die in Amsterdam inmiddels gemeengoed zou zijn: geen vlees eten, minder vliegen, afscheid van Zwarte Piet.

Dat verzet begrijpen ze best. Want – een andere frase die in veel gesprekken terugkeerde – ‘buiten de stad is je leefwereld kleiner’. Je bent er ‘minder verbonden met de rest van de wereld’. Maar waarom moeten ze buiten Amsterdam toch de hele tijd over tradities en identiteit praten? ‘De houding is er een van: “Dat doen wij hier gewoon zo”’, zegt de yogalerares in het verhaal. ‘Maar je kunt toch verder denken dan “gewoon”? Ben je dan niet bereid om mee te gaan in enige vorm van verandering?’

In een internationale en multiculturele stad als Amsterdam, vinden de bezoekers van de Nieuwe Yogaschool, zie je nu eenmaal als eerste welke kant het op gaat. Bovendien, zeggen de bezoekers: ‘Je gaat breder kijken als je in aanraking komt met verschillende culturen.’ En: ‘Contact met andersdenkenden maakt je liberaler.’ Vroeg of laat, zo is de overtuiging, zal de rest van het land het Amsterdamse voorbeeld volgen, alle verzet ten spijt.

Een in Amsterdam geboren en getogen jonge vrouw stelde het als volgt: ‘Nu zeggen ze in Limburg en Brabant nog: kom niet aan me, gekke hippie-Amsterdammers. Maar dat zal langzaam veranderen, ook in Limburg. Stiekem weet iedereen wel welke kant het op moet.’

De vanzelfsprekendheid waarmee het stedelijk groene, progressief-liberale wereldbeeld hier als onvermijdelijke uitkomst van de geschiedenis wordt gepresenteerd is precies wat veel van de plattelanders die ik de afgelopen jaren sprak zo tegen de borst stuit. Het omgekeerde vlagvertoon is misschien wel in de eerste plaats gericht tegen deze vorm van cultureel superioriteitsdenken. Hoewel Nederland bij verkiezingen telkens overwegend rechts van het midden uitkomt en ook veel media, deels vanuit een schuldbewust soort compensatiedrang, intussen ruim baan geven aan conservatieve geluiden, blijft het beeld van een Randstedelijke elite die ‘de rest van Nederland’ haar wil oplegt fier overeind. Overigens, ook andersom kloppen plattelanders zichzelf tegenwoordig maar wat graag op de borst. Wij zijn het échte Nederland, klinkt het dan afgemeten. Waarom luisteren ‘zij’ eigenlijk niet naar ‘ons’? Het is de brandstof die de BoerBurgerBeweging bij de komende verkiezingen nog wel eens tot grote hoogte kan laten stijgen.

Is dit alles nu vooral een kwestie van beeldvorming of toch ook van feiten? De oratie Van zuilen naar bubbels uit 2018 van bestuurskundige Caspar van den Berg maakt dat goed duidelijk. De ‘spraakmakende klasse’ die de kranten volschrijft en bestuurders levert wordt volgens de gegevens waar hij zich op baseert in Nederland vrijwel uitsluitend bevolkt door anywheres (een term van de Britse journalist David Goodhart), voor wie locatie ten diepste optioneel en vloeibaar is. Mensen die overal wel kunnen aarden om daar gelijkgestemden uit een vergelijkbaar milieu te treffen. Perifere gebieden daarentegen worden voornamelijk bewoond door degenen die zich geen leven zonder wortels kunnen voorstellen – de somewheres. Denk daarbij aan plattelanders die hun hele leven op of rond dezelfde plaats doorbrengen.

Uiteindelijk is het dus de vraag wat het betekent wanneer de anywheres, ‘overalmensen’, de kranten volschrijven en het land besturen zonder de somewheres, ‘ergensmensen’, over wie ze het hebben nog ergens te kunnen treffen. Media maken bovendien al gauw overalmensen van ergensmensen. Wie in de landelijke journalistiek wil werken en niet drie uur per dag wil forenzen gaat vanzelf dichter in de buurt van een stad wonen. En ook wat mensen ‘eigen’ maakt kan soms een probleem vormen.

‘De bank vertelde boeren dat ze grotere winsten moesten halen. Natuurlijk voel je je dan bekocht als nu blijkt dat dit helemaal niet kón’

Zo zag ik in Zwolle hoe journalistiekstudenten aan logopediestudenten van dezelfde onderwijsinstelling werden gekoppeld om verlost te worden van hun accent. Redacties zouden er in sommige gevallen zelfs om vragen, maar vaker gaat het subtieler. ‘Je merkt gewoon dat je minder serieus wordt genomen’, hoor ik als stagebegeleider wel eens terug van studenten die in de Randstad op stage gingen. Met ‘verstaanbaarheid’ als argument word je zo als het ware gedwongen je roots te verruilen voor de grootste gemene deler.

In hun pogingen diverser en inclusiever te worden kijken redacties eerder naar wat die woorden in een stedelijke context betekenen – of je al dan niet een migratieachtergrond hebt – dan naar de vraag of je wel eens op een boerenerf wordt gesignaleerd. Ergens begrijp ik ze dan ook wel, de plattelanders die de media wijzen op het feit dat de microfoon wel erg vaak in handen is van dezelfde groep mensen.

Nu vrees ik dat de ophef over stikstof maar een voorbode is van de klimaatconsternatie die ons de komende decennia te wachten staat. De deadlines waar Nederland zich via allerlei verdragen aan gecommitteerd heeft – 2030, 2050 – komen steeds dichterbij, waardoor de druk om maatregelen simpelweg dóór te drukken eveneens zal toenemen. En hoe voortvarend en doortastend een overheid in crisissituaties ineens kan zijn hebben we tijdens de coronapandemie kunnen zien. Dat zal ook voor het kabinet zelf soms als een verrassing gevoeld hebben.

In kringen rond het boerenprotest wordt nu al gesproken over ‘klimaatdwang’ door de ‘klimaatmaffia’. Een interessant rapport van De Nieuwe Denktank, een verzameling denkers die het politieke midden van nieuwe ideeën wil voorzien, waarschuwt eveneens voor een ‘technocratische tunnelvisie’. Het verlangen voortvarend grote problemen te lijf te gaan kan met bestuurders aan de haal gaan, waarschuwen de auteurs. Kiezers verliezen steeds meer de grip op hun eigen leefomgeving en hebben het gevoel dat over hen besloten wordt, in plaats van op hen vertrouwd.

Formeel valt hier natuurlijk van alles tegenin te brengen. Zo zijn de internationale akkoorden en verdragen die de opwarming van de aarde proberen tegen te gaan stuk voor stuk gesloten en geratificeerd door democratisch gekozen volksvertegenwoordigers en bestuurders. Hetzelfde geldt voor de Europese wetgeving die bepaalt dat de Nederlandse natuur tegen stikstof moet worden beschermd.

Maar is het nu echt zo vreemd dat burgers zich voor voldongen feiten geplaatst zien, als besturen vooral neer lijkt te komen op het uitvoeren van allang gesloten verdragen? Mensen zien hun leefomgeving drastisch veranderen zonder dat daar een debat aan voorafgaat.

Wat hier met elkaar in botsing komt is de realiteit van de kaart en de realiteit van het gebied. Of zoals een boer het eens kernachtig tegen mij zei: ‘Voor de overheid zijn wij een stip op een kaart waar je een doelstelling op kunt plakken. Terwijl: wij wonen en werken hier, al generaties lang. Hebben we daar dan níets over te zeggen?’

De culturele kloof tussen progressieve stedelingen en overwegend conservatieve plattelanders zorgt kortom voor een impasse. Nu in het stikstofdossier, en als we niet oppassen straks ook in het klimaatdossier. En als de uitkomst van alle transities op weg naar een duurzame samenleving is dat we straks wel voldoende verduurzaamd zijn, maar niet langer een samenleving vormen, dan is de missie om de balans tussen mens en natuur te herstellen alsnog mislukt.

Wie naar een uitweg uit deze impasse zoekt, doet er om te beginnen verstandig aan niet de wens maar de werkelijkheid als uitgangspunt te nemen. Nederland was nooit een progressief eldorado en zal dat vermoedelijk ook niet worden. Grote wereldgebeurtenissen zoals 9/11 en de economische crisis van 2008 lijken Nederland eerder tot een conservatiever land te hebben gemaakt. En alle wensvertogen over systeemverandering als gevolg van de pandemie ten spijt lijkt hetzelfde voor de coronapandemie gezegd te kunnen worden. De behoudzucht wint het vaak van het verlangen tot verandering.

De vraag is alleen: moet je wel progressief worden om, bijvoorbeeld, geloofwaardig voor duurzaamheid te kunnen pleiten? Je zou het niet zeggen, maar er is een baaierd aan conservatieve argumenten vóór natuurbehoud en klimaatbescherming voorradig. Daar is wel een ander jargon voor nodig. Een conservatief zou niet snel spreken van het redden van de aarde, maar van het beschermen en het behouden ervan des te meer. De oervader van de conservatieve stroming, Edmund Burke, zag de staat bijvoorbeeld als een tuinman, die tot taak heeft de maatschappij tot bloei te brengen en te onderhouden. We hebben daarbij in zijn ogen niet alleen een morele verplichting jegens het voorgeslacht, maar evengoed aan de komende generaties.

Ook, of all people, Tory-premier Margaret Thatcher liet zich eind jaren tachtig gelden als een voorvechter van duurzaamheid. Ze waarschuwde juist vanuit een conservatieve behoedzaamheid voor het ‘massale experiment met onze planeet’ dat aan de gang was, doordat in korte tijd een snel groeiende bevolking alle fossiele brandstoffen aan het opmaken was. ‘Wat we de aarde aandoen’, hield ze in november 1989 de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties voor, ‘is nieuw in de ervaring van de aarde. (…) Elk land zal hierdoor worden getroffen en niemand kan zich hiervoor verbergen. De geïndustrialiseerde landen moeten meer doen dan landen die dat nog niet zijn.’ Jonathon Porritt, in die tijd de voorman van milieuorganisatie Friends of the Earth, noemde Thatchers bijdragen later de belangrijkste in zestig jaar duurzaamheidsdebat omdat zij bij een breed deel van de bevolking groene standpunten wist te introduceren.

Te vaak blijven deze argumenten tegenwoordig op stal. Vermoedelijk ook omdat het discours over verduurzaming al door progressieven geclaimd is. Conservatievere Nederlanders zie je vervolgens in de weerstand schieten. Het lijkt bovendien alsof meningen niet langer los verkrijgbaar zijn. Dat je het ene opiniepakket (pro-Zwarte Piet, pro-boeren, pro-traditionele genderrollen) óf het andere (antiracistisch, klimaatbewust, genderneutraal) aan moet hangen. De polarisatie wordt steeds meer gepolitiseerd, stelde het Sociaal en Cultureel Planbureau onlangs vast in zijn periodieke onderzoek naar het vertrouwen van Nederlanders in politiek en instituties.

Klimaatactivisten betogen vaak dat polarisatie noodzakelijk is om klimaat op de agenda te krijgen. Dat zal het geval geweest zijn, maar nu het op de agenda staat is het zaak om de opwarming van de aarde niet tot een zaak van enkelen, maar van allen te maken. Daarbij zouden we wel iets van de tolerantie uit het tijdperk van de verzuiling kunnen gebruiken. Dat we elkaar, desnoods met pijn in het hart, weer leren verdragen. Vanouds een stadse waarde, die tegenwoordig echter op het platteland met meer devotie wordt beleden. ‘Leuv’n en laten leuv’n’, zou Bennie Jolink zeggen.

Daar hoort bij dat we onze bekeringsijver dan wel verlichtingsdrang ten aanzien van elkaar wat laten varen. Anders gezegd: je hoeft geen genderneutrale kosmopoliet te worden om toch mee te doen aan de transitie naar een duurzamere economie. Als je dat doet om je energierekening omlaag te krijgen is het resultaat voor onze planeet even goed. En andersom: je hoeft geen barbecuefanaat te worden om toch empathie met een boer te voelen.

Boeren zijn in een fuik gelopen, leerde ik dit jaar van de 71-jarige Eveline Bernard. Samen met zo’n twintig anderen heeft ze zich verenigd in de werkgroep Kootwijk Groen. ‘De bank vertelde hun dat ze elk jaar moesten uitbreiden, grotere winsten moesten halen. Natuurlijk voel je je dan bekocht als nu blijkt dat dit helemaal niet kón.’ Tja, verzucht ze, zittend op de veranda van haar boswoning, ‘misschien zijn ze ook wel boos op zichzelf’.

Sinds de jaren zestig heeft ze de natuur in haar woonomgeving zien veranderen. ‘Als kind zocht ik hier cantharellen, die waren dol op de bomen hier. Ook de breedbladige wespenorchis, een orchidee, is onlangs verdwenen.’ Toch beziet ze de boeren in haar buurt met empathie. ‘Toen deze mensen hier kwamen wonen, gold het als een overwinning als je de natuur naar je hand wist te zetten. Die waarden zitten er nog steeds in.’

Intussen blijft in alle consternatie onderbelicht dat driekwart van de boeren wel degelijk wil bijdragen aan de duurzame transitie, zocht vakblad De Nieuwe Oogst in de zomer van 2022 uit middels een enquête. En waarom zouden ze ook niet? Wie bijvoorbeeld boert in de Achterhoek, een van de droogste regio’s van het land, krijgt de gevolgen van de opwarming van de aarde iedere zomer immers scherper in beeld.

Zoals in de tijd van de verzuiling vanuit verschillende waardensystemen aan gezamenlijke uitdagingen werd gewerkt, zouden groenlinks en groenrechts naast elkaar de grootste strijd van deze eeuw moeten leren aangaan, in plaats van hun identiteiten voortdurend tegen elkaar uit te spelen. Want Nederland is veel te klein voor al te veel opgeblazen verschillen. En de uitdaging van een alsmaar opwarmende aarde veel te groot.

Dit is een bewerkte versie van een hoofdstuk uit het boek Blauw wit rood: De boerenopstand als spiegel voor Nederland, dat in november verscheen bij De Bezige Bij