Achter de linies van Assad

De internationale pers is nagenoeg afwezig aan de regeringszijde in Syrië. Journalist Robert Dulmers en fotograaf Teun Voeten doen vanuit Damascus verslag. ‘We willen graag in de 21ste eeuw blijven leven en niet teruggesmeten worden naar de steentijd.’

‘Jullie zijn vrij om te gaan en te staan waar je wilt’, zegt, als we zijn aangekomen op het ministerie van Informatie, directeur Buitenlandse Pers Reem Haddad. ‘Heb je zelf een tolk of wil je er gratis een mee van ons?’ Dat willen we wel, gezien ons budget – en Bacel, een gewezen diplomaat-in-opleiding, wordt van zijn computer weggeplukt en tot metgezel gebombardeerd. Hij doet aan yoga, rookt dagelijks dertig sigaretten en beschikt over droge humor – het kon slechter. Buiten het ministerie granaatvuur-op-afstand. Niemand kijkt op of om. Tien, vijftien knallen per uur. Outgoing fire. Damascus blijkt aan drie kanten door rebellen omsingeld: alleen de westkant, de weg naar Beiroet, is vrij van gevaar. Op bijna iedere straathoek een roadblock. Soms vliegt er een straaljager over en klinkt er in de verte een hardere klap.

Hamsa Al-Kassir is hip. 28 en modeontwerpster van beroep, totdat ze naar de Assads geroepen werd. Vorig jaar was ze assistant to the First Lady en nu doet ze de perscontacten van de president. Bruin haar, stralende ogen – ze lijkt weggelopen uit een Italiaanse club of film. Door de kamer schalt met regelmaat de tune van Daffy Duck, haar hilarische retro-ringtone. ‘Je moet niet altijd serieus zijn, vind ik. En nee, ik neem ’m niet mee bij gesprekken met de president, maar waarschijnlijk zou ook hij moeten glimlachen.’ De president heeft z’n kantoor luttele meters verderop.

‘We zijn een vrij en gecultiveerd land’, zegt Hamsa.

Het viel ons al op: iedereen is heel open, op straat, in de kroegen in de oude stad waar we gisterenavond arak dronken. Anders dan in veel politiestaten leek niemand beducht om met ons, buitenlanders, te praten. En van de beruchte geheime dienst – er zijn er naar verluidt wel dertig – hebben we nog helemaal niks gezien. ‘Wees er maar zeker van dat de politie weet wie je bent’, zegt Hamsa, ‘ze weten precies waar jullie zijn. Maar van de geheime dienst zul je geen last hebben, want jullie zijn niet illegaal het land binnengekomen. Op dit moment zijn er zo’n dertig journalisten zoek; ze sluipen illegaal het land in en raken zoek in rebellengebied. En wij krijgen dan van hun regeringen en van het Internationale Rode Kruis het verzoek om inlichtingen over hun whereabouts, waarover ook wij natuurlijk volslagen in het duister tasten.’

Naast de Opera – streng bewaakt militair gebied, verboden te fotograferen! – ligt de Hogeschool voor de Podiumkunsten. De jongens en meiden van het eindexamenjaar, allen tussen de negentien en 23, zijn van hun vakantie teruggekeerd – en wachten al de hele ochtend – met een enscenering van Carmen van George Bizet. ‘They are so excited!’ zegt docente Maral Der Arakelian, een vriendin van Hamsa die ons erheen heeft gestuurd. Draaidecor van stierenkop op schaal, het échte operapodium is tot nader order gesloten. Kostuums gemaakt van oude kranten en vuilniszakken, ‘want textiel is nu te duur’.

Kringgesprek. ‘Natuurlijk laat de oorlog zijn sporen na’, zegt Ahmed, de decorontwerper. ‘Maar hier op het instituut kunnen we de oorlog vergeten. Hier hard werken is misschien wel het beste antwoord; te midden van de huidige misère maken we uit oorlog kunst.’

Of de oorlog soms een boost is? Misschien wel, is de algemene opinie: ‘De oorlog is absurd, maar het surrealisme heeft bij ons, studenten, nu z’n uiterste grens wel bereikt, dus zijn we voortvarend geworden. We willen niet trappen in de val van de vervreemding; we willen zo normaal zijn als vóór de oorlog. Dus maken we kunst en mooie dingen.’

Aan de rebellenkant, zeggen ze, in Aleppo, zit een 22-jarige jongen – ‘a fine painter’ – die absurdistische schilderijen schildert en die met de vluchtelingen de stad uit smokkelt. ‘Hij blijft schilderen!’ Zo vrij kan het leven zijn.

Samer Omran, beroemd toneelregisseur, komt onverwacht binnenwaaien. ‘De minister van Cultuur heeft me in m’n kraag gegrepen en nu ben ik hier directeur.’ Niet dat hij daar naar eigen zeggen zo geschikt voor is; hij is te veel een vrijbuiter. Te gepassioneerd, ook. ‘Maar het gaat er mij om m’n land te bewaren voor de toekomst, want dit hier is een plaats voor cultuur, niet voor ideologie. Dit instituut is een cultureel kompas, en dus richt ik me op de vorming van mensen. Ik ben er zelf fel op tegen deze school om te vormen tot een conservenfabriek waarin iedereen de westerse of om het even welke ideologie ingepompt krijgt. Als ik de mens ga modelleren naar het regime of naar de oppositie help ik hen hun mensbeeld door te voeren. Ik wil dat onze studenten zich kunnen ontplooien als mens zoals mensen bedoeld zijn – in de volle openheid, in het volle spectrum – en ze tot vrije mensen maken.’


Lees de volledige reportage ‘Bonbons voor mevrouw Assad’ (gratis voor abonnees of koop weektoegang)