Jackie

Achter de sluier

Jacqueline Kennedy is de mysterieuze vrouw in de politieke en culturele mythologie waarvan de eerste contouren zich aftekenen wanneer John F. Kennedy in 1963 in Dallas, Texas, wordt vermoord. Pablo Larraíns film Jackie maakt haar nog geheimzinniger. Ze is als een geest aanwezig in dat grote verhaal. De iconische momenten vinden op de achtergrond plaats: het moment van de kogelinslag, de chaos daarna, de eedaflegging van Lyndon B. Johnson, de begrafenis waar de first lady verschijnt met een zwarte sluier voor haar gezicht. Constant is zij op de voorgrond, zo bekend door dat haar, de grote, donkere ogen en het mantelpakje. Maar Jackie ontdoet de echtgenote van president Kennedy van alle betekenissen, zodat slechts een vreemde vrouw overblijft. En die is fascinerend.

Medium film
Natalie Portman als Jackie Kennedy in de film Jackie, regie Pablo Larraín © The Searchers

De vraag wie ze ‘werkelijk’ was komt niet aan bod; zo banaal is Jackie niet. In plaats van een biografische karakterschets creëert Larraín een impressionistisch beeld van Jackie (briljant gespeeld door Natalie Portman). Terwijl de historische gebeurtenissen zich om haar heen ontvouwen, dooft het geluid van de echte wereld en overheerst wat van háár is in de auditieve compositie: haar fluisterende, licht schorre stem vormt samen met de vervreemdende, soms atonale muziek een afgesloten, persoonlijk universum. Het is een gewaagde benadering, zeker in een verhaal over een vrouw die opgeslokt wordt door de geschiedenis, die onwillekeurig de rol van first widow krijgt toebedeeld.

Wat we aan de oppervlakte zien in deze film – het beeld van een celebrity, de beroemdste filmster op aarde – is iets geheel anders dan wat er echt aan de hand is, onderhuids. Precies dat gebeurt er in Jackie: de vrouw die ons bezit wordt is niet de vrouw die ze is.

‘Het is belangrijk te weten dat echte mensen hier hebben rondgelopen’, zegt iemand in een scène in het Witte Huis, waarmee het thema van mythologie versus werkelijkheid verder neerslag krijgt. Boeiend om te zien is dat de regisseur hier zélf mee worstelt. Soms gaat hij probleemloos mee met het sprookje van de duivels aantrekkelijke president en zijn ‘koningin’, bijvoorbeeld wanneer jfk en Jackie een uitvoering van Pablo Casals in het Witte Huis bijwonen en het net lijkt of we in de aanwezigheid van Europese vorsten zijn. En het mooiste: de referentie aan de filmmusical Camelot (1967), specifiek wanneer het titellied klinkt. Als Jackie hierover praat is het net alsof ze er echt in gelooft. Ze zegt: men moet niet vergeten dat hier, in het Witte Huis, ooit echt een Camelot was. Misschien ligt hierin de tragedie van de Kennedy-mythologie: de belofte van een heilige graal ligt aan scherven op het moment dat de kogel het hoofd treft. En Jackie die eerst probeert weg te scharrelen, maar dan onderweg naar het ziekenhuis zijn schedel probeert dicht te houden. Tegen zoveel werkelijkheid is geen sprookje bestand.


Te zien vanaf 16 februari