Linguïst Robert Lane Greene

Achter de woorden schuilt politiek

Taal is een speelbal geworden in de huidige cultuuroorlogen. Linguïst Robert Lane Greene bevindt zich tegenover de puristen. Taalvoorschriften zijn als verkeersregels, vindt hij: zodra ze niet werken, moeten we ze aanpassen.

‘Correct taalgebruik is belangrijk, maar het bereiken van je lezers ook’ © Martin Parr / Magnum / HH

De septemberzon schijnt over Londen, aan de overkant van de Theems draait het reuzenrad traag zijn rondjes en op het dakterras van het Adelphi-gebouw voorspelt Robert Lane Greene opgewekt dat het Nederlands in de toekomst de status van een veredeld dialect zal krijgen. ‘Engels voor op kantoor, voor in het onderwijs’, zegt de taalcolumnist van The Economist, ‘Nederlands voor thuis, in gesprekken met vrienden en familieleden. Daar is niets ergs aan. In het Duitse deel van Zwitserland werkt het ook zo: Hoogduits in het openbaar, Zwitserduits in de privésfeer. Wees niet bezorgd!’

Daar zit ik dan, als taalpurist, iemand die zijn best doet anglicismen uit zijn stukken te houden (al is het maar uit angst voor boze brieven), iemand die zich ergert aan de populariteit van het woord ‘historie’ (in plaats van ‘geschiedenis’), iemand die driftig knikkend de stukken van W.F. Hermans over de verengelsing van het Nederlands herleest, iemand die zich zorgen maakt over de teloorgang van de lidwoorden. Bij het luisteren naar de 43-jarige auteur van Talk on the Wild Side: The Untameable Nature of Language voel ik me als Knoet de Grote, de Engelse koning die volgens de legende op het strand poogde het wassende tij tegen te houden.

Greene is de auteur van de Johnson-column in The Economist, een taalrubriek waarvan de naam verwijst naar de lexicograaf Samuel Johnson die in de achttiende eeuw het eerste woordenboek in de Engelse taal schreef. Het was Johnsons doel om de taal ‘te repareren’ en ‘orde op zaken te stellen’. Verandering noemde hij iets duivels. Al snel kwam hij erachter dat de taal voortdurend aan verandering onderhevig is, dat het een ongrijpbaar fenomeen is. Hij zou zijn werk als lexicograaf, zo schreef Greene in het genoemde boek, omschrijven als de arbeid van een ‘ongevaarlijke sloof’ en zichzelf als ‘een ongelukkige sterveling’.

Zo ver wil Greene niet gaan bij het omschrijven van zijn loopbaan bij The Economist, waar hij al een kwart eeuw werkt. Hij heeft jaren op de Berlijnse redactie gezeten, maar werkt sinds acht jaar, naast zijn taalrubriek, als eindredacteur. ‘We zijn politiek gezien een liberaal blad, sterk voor de vrije markt, voor een kleine overheid, voor democratie, voor een open samenleving, voor verandering’, zegt hij, ‘en ik probeer consequent te zijn en deze visie ook op taalgebied te hanteren, dus tegen pogingen om taalgebruik van bovenaf te reguleren. We moeten niet de regels voorschrijven, maar verandering van taalgebruik bestuderen.’

Greene’s fascinatie voor taal gaat terug naar zijn jeugd. Hij is, toevallig, geboren in Johnson City, Tennessee, maar groeide op in een buitenwijk van Atlanta. ‘Op de middelbare school beleefde ik veel plezier aan Spaans en deed die taal vier jaar in plaats van de verplichte twee. Op de universiteit volgde ik zoveel mogelijk talen: Duits, Portugees, Frans en Russisch. Later deed ik ook een beetje Nederlands, Pools en Japans. Deens leerde ik via mijn vrouw en na de aanslagen van 11 september 2001 besloot ik Arabisch te gaan studeren, wat me wel nuttig leek. In Chinees heb ik me ook verdiept en momenteel probeer ik Oudgrieks te leren.’

Met Europese talen heeft hij weinig moeite, omdat de structuren op elkaar lijken. Exotisch noemt hij het Chinees dat duizenden karakters heeft, maar een relatief beperkte en simpele grammatica. Het is een typisch analytische taal, waar je niet zegt ‘Ik at gisteren’, maar ‘Ik eet gisteren’, omdat de verleden tijd al besloten ligt in het woord ‘gisteren’. Bij het Arabisch viel Greene op hoeveel woorden er bestaan voor de verschillende familieleden. ‘In het Engels hebben we maar één woord voor “oom”, maar de Arabieren maken onderscheid. Welke oom? Je moeders broer? Die van je vader? Dat zegt iets over het belang dat ze hechten aan familie.’

Een bijzondere interesse toont Greene in het verband tussen taal en nationale identiteit. Dat is het voornaamste onderwerp van zijn eerste boek, You Are What You Speak: Grammar Grouches, Language Laws, and the Politics of Identity (2011). Aan de hand van uiteenlopende fenomenen en gebeurtenissen – van de Toren van Babel tot de Balkanoorlog – analyseerde hij beweringen die mensen doen over hun taal, om tot de conclusie te komen dat de discussies niet echt over taal zelf gaan maar over identiteit. Volgens hem kan taal een middel zijn van een meerderheid van een natiestaat om een minderheid te onderdrukken.

‘Het Frans is een klassiek voorbeeld. De droom van een homogene en perfecte taal heeft zich daar geuit in een strijd tegen dialecten en streektalen, het Baskisch, het Noord-Catalaans, het Bretons. Laatstgenoemde taal bloeide tot in de achttiende eeuw, maar na de stichting van de Republiek ging het snel achteruit. Op scholen in Bretagne werden kinderen die Bretons spraken tot honderd jaar geleden aan de schandpaal genageld. Ze konden zich van die schaamte verlossen door andere kinderen aan te geven die Bretons spraken. De panische angst voor Engelse woorden in de Franse taal is een soortgelijke reflex.’

‘In Frankrijk heeft de droom van een perfecte taal zich geuit in een strijd tegen dialecten’

Tegelijkertijd kan taal een wapen van een minderheidsgroep zijn, zoals Greene aanschouwt in het Verenigd Koninkrijk. ‘Dat is de luxe van een rijk en welvarend land, dat het ruimte geeft aan minderheidstalen. Het Welsh is met een opmerkelijke opmars bezig, maar nog interessanter is de opleving van het Cornish. Op het Hebreeuws na is het nog nooit gebeurd dat een “dode taal” herleeft, maar dat verandert misschien in Cornwall waar de laatste echte spreker twee eeuwen geleden overleed. Ik heb er twee mannen ontmoet die alleen maar Cornish spraken en de taal hebben overgedragen aan hun kinderen. Bijzonder.’

Naast de tolerantie van regionale talen ziet Greene ook een idealisering van het ongeschonden Engels: ‘bbc-’ of ‘Queen’s English’. ‘Er bestaat een dédain naar het Engels van de minderheden, van de cockneys en de taal van de jongeren. Ik heb geen moeite als iemand “I ain’t got no money” zegt. Dat doen met name Londenaren al honderden jaren. Waarom is een dubbele ontkenning zo erg? Hetzelfde geldt voor de blinde haat tegen Amerikaans-Engels, dus “traveling” in plaats van “travelling” en “center” in plaats van “centre”. Er is zelfs een boek over verschenen, That’s the Way it Crumbles: The American Conquest of the English Language.’

Boeken over taal doen het goed in Engeland, vooral boeken over taalverloedering. Eats, Shoots & Leaves van Lynne Truss werd een bestseller en ook Lost for Words van de bbc-radiopresentator John Humphrys deed het zeer goed. In brievenrubrieken van met name conservatieve kranten wemelt het van brieven over incorrect taalgebruik, bijvoorbeeld over het uit de tv-serie Friends overgenomen ‘Can I get a latte?’ in plaats van het beleefde ‘May I have…?’ Adepten van William Blake kibbelen over de interpunctie op een nieuwe grafsteen van de dichter. Er bestaat zelfs een Apostrophe Protection Society.

‘Die genoemde boeken verkopen beter dan die van mij, vermoed ik’, zegt Greene met gevoel voor zelfrelativering. Hij bevindt zich in het kamp van linguïsten als Steven Pinker, John McWhorter en David Crystal die geen moeite hebben met veranderingen van de taal. Onlangs nam Greene een klein risico door een kop met ‘Who…’ te laten beginnen waar eigenlijk het formele ‘Whom’ had moeten staan. ‘Correct taalgebruik is belangrijk, maar leesbaarheid en het bereiken van je lezers ook. We kregen geen enkele brief over het gebruik van deze naamval en dat terwijl taal enorm leeft bij onze lezers.’

Taal is, zodoende, een speelbal geworden in de zogeheten cultuuroorlogen, tussen conservatieven en progressieven, tussen mensen die verandering vrezen en zij die verandering interessant vinden. Waar nieuwe ideeën in de economie, de psychologie en de biologie makkelijk worden geaccepteerd, daar ligt dat bij taal anders. Greene wil niet te zwaar tillen aan taalvoorschriften. ‘Ik zie ze als verkeersregels. Het is handig als iedereen zich eraan houdt, maar als iets niet blijkt te werken, moet je het aanpassen. Een goed grammaticaboek zegt “dit zijn regels waar mensen zich aan houden” en niet “deze regels moet je volgen”.’

Het zijn niet alleen grammaticale stelregels waar Greene sceptisch tegenover staat. Ook bij George Orwells Politics and the English Language plaatst hij een paar kanttekeningen. ‘Het is natuurlijk een belangrijke tekst en ons stijlboek begint ermee, maar de bewering van Orwell dat korte en krachtige zinnen het voor politici moeilijker maken om te liegen, daar geloof ik niet in. Kijk alleen maar naar de campagnes voor de Brexit en Trump. Ter Orwells verdediging moet ik zeggen dat de politici toen anders waren dan nu. Indertijd probeerden ze zich te verheffen boven hun gehoor, nu willen ze dezelfde taal spreken.’

In zijn boek valt hij met name Nevile Martin Gwynne aan, een taalpurist die het succesvolle Gwynne’s Grammar heeft geschreven, gevolgd door Gwynne’s Latin en Gwynne’s Kings and Queens. Hij ligt goed bij conservatieven en bij prins Charles. ‘Gwynne en de zijnen zweren bij arbitraire taalwetten, zoals het verbod op de “split infinitive”, de regel dat je geen woord zet tussen “to” en bijvoorbeeld “feel”, “go” of “do”. Dit is gedaan door alle grote Engelse schrijvers en er is niets mis mee. Johnson schreef ooit “Milton was too busy to much miss his wife”. Nu zie je mensen lelijke zinnen fabriceren om deze “fout” te vermijden.’

Class speelt hier, onvermijdelijk, ook een rol volgens Greene. ‘De leden van de arbeiders- en bovenklasse spreken en schrijven zoals ze willen, ze hebben lak aan de nepregels. Het zijn de ambitieuzere leden van de middenklasse die veel waarde hechten aan “correct” taalgebruik, zeker ook moeders die verantwoordelijk zijn voor hun kinderen en vechten voor een plekje op het staatsgymnasium. De veranderingen die minister Michael Gove op onderwijs heeft doorgevoerd zijn typerend. Opeens moesten leerlingen bijvoeglijke bijzinnen gaan onderstrepen, in plaats van ze te leren gebruiken. En ze leren dat zinnen nooit, nooit!, met een voorzetsel mogen eindigen. Dat laatste is een regel uit het Latijn.’

‘De meeste mensen kan het niet schelen, die zien taalverandering niet als het einde der tijden’

Op de achtergrond speelt, zo vervolgt Greene, de verering van Grieks en Latijn – met name in conservatieve kringen. ‘Engels is echter een Germaanse taal, maar dat maakt voor grammaticale classici niet uit. Voor de Gwynnes van deze wereld vertegenwoordigen de klassieke talen een aantal goede zaken: de grote geschriften van de antieken, de dagen dat elke scholier Caesar en Cicero bestudeerde en de kennis van de grammatica zelf. Grieks en Latijn zien ze als een vorm van platoonse perfectie, maar Engels is geen dode taal maar een levend organisme en verre van perfect. Sterker, het is vaak verwarrend en onlogisch.’

Engels is zelfs te levend. Het is de lingua franca geworden waar de idealistische bedenkers van het Esperanto van droomden. Wanneer een Pool in Algerije een Chinees ontmoet, zal de conversatie in het (gebroken) Engels plaatsvinden. Een neveneffect van de ontwikkeling dat steeds meer mensen buiten Engeland het Engels beheersen, is dat Engelsen zelf amper meer vreemde talen leren. Het aantal studenten Frans en Duits is de laatste twintig jaar gehalveerd en de toename van Amerikaanse Spaanstaligen is gestopt. In Nederland is eenzelfde trend zichtbaar, terwijl ook het aantal studenten Nederlands daalt.

Zorgt deze verspreiding van het Engels niet voor een verschraling, een soort mcdonaldisering van de taal? ‘Reizen door Europa is al heel anders dan toen ik dat in 1995 voor het eerst deed’, vertelt Greene. Met een lach: ‘Het is niet alleen makkelijker om een McDonald’s te vinden, maar ook om een land te bezoeken zonder de plaatselijke taal te hoeven spreken. Voor iemand die graag nieuwe talen uitprobeert, is dat een ongelukkige ontwikkeling, maar het is niet moeilijk om ook de positieve kant te zien. Voor iemand die een weekendje naar Bulgarije gaat is het ondoenlijk om snel die taal te leren, en dus handig om te kunnen terugvallen op een wereldtaal.

Robert Lane Greene – ‘Engels is vaak onlogisch’

Die verschraling is de reden waarom ik pleit voor “Engels-plus” op scholen. Ja, leer Engels, maar leer ook een tweede taal. In sommige landen gebeurt dit om voor de hand liggende redenen vanzelf, zoals in Zwitserland, België en Luxemburg. Maar voor Spanjaarden zou het goed zijn om hun trots te vergeten en Portugees te leren. Het is niet moeilijk en goed voor de verstandhouding tussen de twee volkeren. Vroeger konden Denen en Zweden met elkaar spreken zonder terug te vallen op het Engels, maar die kunst is verloren gegaan omdat zowel Zweden als Denen goed Engels spreken.’

Interessanter vindt Greene de diepere verandering van de taal, de overname van Engelse constructies. ‘In Berlijn hoorde ik Duitsers “Es macht keinen Sinn” zeggen, van het Engelse “That makes no sense”, waar dat voorheen “Es hat keinen Sinn” zou zijn geweest. Dat “Engels” sluipt ongemerkt andere talen in. Het maakt mensen boos, die schrijven dan brieven naar kranten of worden leraar Nederlands of Duits, maar dat is een luid sprekende minderheid. De meesten kan het niet veel schelen en leggen zich erbij neer. Die zien het niet als het einde der tijden, zoals sommige conservatieven dat doen.’

Hoe zit het in multiculturele samenlevingen? Moeten migranten de nieuwe taal leren of geldt ook hier een laissez-faire-beleid? Greene: ‘Ik ben er helemaal voor dat nieuwkomers de taal leren, maar dat willen ze meestal ook. Je moet er wel rekening mee houden dat het voor volwassenen lastig is een nieuwe taal te leren en dat ze vaak laagbetaalde, vermoeiende banen hebben. Het is zwaar om de hele dag hard te werken in een abattoir en dan nog te studeren. Waar ik moeite mee heb is de toon van het debat. In Amerika loopt de “Laten we Engels leren”-campagne te vaak uit op “Leer Engels, luilakken, anders zwaait er wat”.’

Net zo gepolariseerd, weet Greene, is het debat over de verengelsing van Nederland, met name aan de universiteiten waar de kwaliteit van het onderwijs er niet altijd op vooruitgaat als een functioneel soort Engels de voertaal is. Dat is volgens hem een prijs voor internationalisering. ‘Als je goede docenten van elders wilt aantrekken en buitenlandse studenten, dan is er geen keuze. Op korte termijn is het een ongelukkige situatie, de keuze tussen een taal die weinig wordt gesproken of een soort Nederengels. Het niveau zal in de toekomst stijgen, omdat de jongste generatie in een Engelstalige wereld opgroeit, anders dan de oudere generatie.’

De echte zorg is, zo stelt Greene, dat er over een kwart eeuw minder Nederlanders zullen zijn die in eigen taal een intelligente discussie kunnen houden over natuurkunde, biologie of computerwetenschappen. ‘Dat kan een pijnlijk verlies zijn voor Nederlanders, dat besef ik.’ Het doet me denken, houd ik hem voor, aan George Orwells roman 1984 waarin de elite van het denkbeeldige, in de toekomst gesitueerde Oceanië Newspeak spreekt en de ‘proles’ in de kroegen communiceren met Oldspeak. De talenliefhebber Greene lacht. ‘Dat is te negatief, je moet het positiever bekijken, namelijk dat iedereen tweetalig is. Dat is een luxe.’