Chaos in het klaslokaal

Achter gesloten deuren is het niet stil

99 procent van de Nederlandse leraren heeft geen moeite met orde houden. Althans, dat vinden ze zelf: uit onderzoek blijkt juist dat onze klassen tot de meest luidruchtige en chaotische ter wereld behoren. Maar leraren praten niet graag over ordeproblemen.

Al drie keer had hij Ahmed gevraagd om stil te zijn, maar de tweedeklasser draaide zijn hoofd niet eens om. ‘Meestal ben ik best een vredelievend mens’, verontschuldigt Vincent zich, terwijl hij het verhaal navertelt. De veertiger heeft opvallende lichtblauwe ogen, praat gemakkelijk en oogt vol zelfvertrouwen. Voordat hij zich liet omscholen tot docent Frans was hij freelance acteur in musicals en reclamespotjes.

Tijdens die ene les, toen hij voor de vierde keer vergeefs het achterhoofd van zijn leerling tot de orde riep, knapte er iets. ‘Ik smeet mijn boeken op mijn bureau en schreeuwde dat hij op moest donderen.’ Hij doet het voor, ademt diep in zodat zijn borst opzwelt. ‘Opgedonderd!’ Eindelijk had hij de aandacht van de klas te pakken, en even voelde de boosheid zelfs lekker, alsof hij een meter de lucht in vloog. Na de les bleef hij in het lokaal achter met een gefrustreerd gevoel. Hij was vandaag die docent geweest die niemand wil zijn.

Twee jaar geleden besloot Vincent, die in het verleden Frans had gestudeerd, om zich om te laten scholen tot eerstegraads docent, op zoek naar een vaster inkomen dan het freelance acteursbestaan hem kon bieden. Nu zit zijn eerste zelfstandige jaar als leerkracht voor de klas erop. En het viel hem niet mee. Een paar klassen liepen zo moeizaam dat hij eronder gebukt ging. Het maakte hem radeloos: ‘Dat snauwen, schreeuwen en roepen is ook roofbouw op jezelf.’ Op sommige ochtenden moest hij zichzelf er voordat hij naar school vertrok aan herinneren dat werken met kinderen toch eigenlijk ook heel leuk is.

Vincents verhaal is niet uitzonderlijk. Nederlandse schoolklassen behoren tot de minst ordelijke ter wereld, constateert de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (oeso) al een aantal jaar, zeker vergeleken met landen op hetzelfde hoge prestatieniveau. In Nederland moet zestig procent van de leraren vaak wachten totdat het stil wordt: het gemiddelde is 28 procent. Ook op hoog aangeschreven scholen is het onrustig en het duurt relatief lang voordat leerlingen aan het werk gaan.

Toch presteert ons onderwijs in vergelijking met andere landen behoorlijk goed, dus je zou kunnen zeggen: wat is nu eigenlijk het probleem? Geheel in stijl met onze nationale allergie voor hiërarchie is ook het onderwijs relatief anti-autoritair. Prima toch? Nee, zo simpel ligt het niet, vindt René Kneyber, wiskundedocent, onderwijscolumnist en auteur van diverse boeken over orde houden.

In de eerste plaats lijden de kinderen ‘aan de onderkant’, met adhd of andere leerproblemen, het meest onder chaos in de klas: slecht klassenmanagement vergroot de bestaande verschillen tussen sterke leerlingen en hun zwakkere klasgenoten, die vaak zelf de grootste druktemakers zijn. Het is bijvoorbeeld niet ondenkbaar dat er een verband bestaat tussen slechter klassenmanagement en mindere prestaties van jongens. Bovendien wijst de oeso in een poging om de ogenschijnlijke tegenstelling te verklaren – tussen enerzijds wanorde en anderzijds toch goede leerprestaties – op de hoge burn-outpercentages onder Nederlandse leraren. Het moet ergens gaan wringen, is de gedachte: ‘Misschien werken docenten wel allemaal heel erg hard om te compenseren voor het feit dat die lessen niet zo effectief zijn’, oppert Kneyber.

Maar als orde houden zo’n groot issue is, waarom hoor je er dan zelden over in discussies over ons onderwijs en het lerarentekort? ‘De beleidsmedewerker hoeft vanachter zijn bureau nooit een klas stil te krijgen, een keynote speaker is het niet gewend dat een groep door zijn microfoonstem heen kletst. Orde en ordeproblemen, daar heeft alleen de leraar mee te maken, en wie z’n klas niet stil krijgt houdt het liefst de deur van z’n lokaal dicht’, schrijft oud-docent Johannes Visser op De Correspondent. Kortom: buiten het onderwijs zijn mensen zich niet zo van het probleem bewust, binnen het onderwijs rust er een taboe op.

Ook ik veranderde al snel in de docent die ik niet wilde zijn: streng, humorloos en chagrijnig

René Kneyber wijst op een onderzoek uit 2011, waarin 99 procent van de docenten aangaf dat ze goed orde kunnen houden. Een groot contrast met de antwoorden van de leerlingen, van wie 37 procent meent dat leraren moeite hebben met orde houden. Uit recent onderzoek blijkt dat ongeveer twintig procent van de startende eerstegraads docenten onvoldoende scoort op basisvaardigheden als klassenmanagement.

Orde houden is dus wel degelijk een issue, en een diploma van een lerarenopleiding is geen garantie dat je het kunt. De cursisten van Kneyber zijn gemiddeld 42 jaar en staan dus vaak al meer dan tien jaar voor de klas, voordat ze besluiten iets aan het probleem te doen. Waarom duurt dat zo lang? Schaamte speelt zeker een rol. Het is pijnlijk om toe te geven dat je een klas kinderen of pubers niet onder controle hebt. Maar ook de wijdverbreide opvatting dat het nu eenmaal een kwestie van natuurtalent is (‘je kunt het of je kunt het niet’) werkt weinig stimulerend om er beter in te willen worden. Het is trouwens onzin, vindt Kneyber: zeker 95 procent van de mensen kan het leren. Zelfs de paar mensen van wie hij bij binnenkomst dacht dat ze het écht niet konden, pikten het vaak verrassend goed op.

De allereerste les die ik zelf gaf was een vijfde uur Latijn op woensdag, vlak voor de lunchpauze. 29 derdeklassers denderden uitgelaten het lokaal binnen, napratend over het schoolkamp waarvan ze een dag eerder waren teruggekomen. Luide muziek schalde uit twee verschillende telefoons, een groepje leerlingen was verwikkeld in een gevecht om een plastic doos met donuts. Het eerste kwartier stampte ik door het lokaal heen en weer met het namen- en fotolijstje in mijn ene hand, geconfisqueerde donuts en telefoons in de andere, terwijl ik vriendelijke verzoeken tot stilte afwisselde met strenge met stemverheffing. Toen iedereen eindelijk min of meer netjes op zijn plek zat, volgde een chaotisch half uur vol geklets en lawaai. Zodra de bel ging lieten de leerlingen mij verdwaasd achter in een rommelig lokaal, alsof er een storm voorbij was getrokken.

Ondanks het stroeve begin liep het in deze klas na een paar weken redelijk en tegen het eind van het schooljaar zelfs goed, maar in een andere klas bleef het een jaar lang stroef. De situatie van Vincent – een drukke leerling meermaals aanspreken zonder zelfs maar een reactie te krijgen – ken ik beter dan me lief is. Het doet weinig voor je toch al broze zelfvertrouwen als beginner in het beroep. Net als Vincent veranderde ik al snel in een docent die ik niet wilde zijn: streng, humorloos en chagrijnig.

In een land als Italië krijg je de orde cadeau, zei een ervaren collega in een van mijn eerste weken tegen me, maar in Nederland moet je je autoriteit elke les weer opnieuw bevechten. Of het gras over de grenzen daadwerkelijk zoveel groener is weet ik niet; ook in het hier zo vaak geprezen disciplinaire schoolklimaat van België blijken leraren het moeilijk te hebben. Maar aan het tweede deel van zijn constatering heb ik in de loop van het schooljaar nog vaak gedacht: soms als geruststelling – het ligt niet aan mij – maar soms ook als de ultieme ontmoediging – is het überhaupt mogelijk om dit te kunnen?

Als beginnende docent bezocht ik graag lessen van collega’s, om vanaf een stoeltje achter in de klas de trucs van het vak bij hen af te kijken. Daar leerde ik veel van, maar in sommige lessen verbaasde ik me ook over de onrust. Wat me nog meer verbaasde, was dat de ervaren docenten er zelf totaal onaangedaan door leken. Ik begon aan mezelf te twijfelen: was mijn tolerantie voor lawaai en chaos misschien gewoon te laag? Vroeg ik te veel van mijn leerlingen als ik wilde dat ze echt stil waren en geen telefoons gebruikten? Of waren deze collega’s door de jaren heen zo gewend (of afgestompt?) geraakt dat ze storend gedrag niet meer als probleem ervoeren?

We hebben er helaas nooit echt over gepraat. Officieel omdat iedereen zich na de bel naar de volgende les moet haasten, en daarna naar een afspraak met de ouders van Sebastiaan die deze maand al zeven keer de klas is uitgestuurd, en daarna naar een stapel nakijkwerk. Dat was allemaal waar, maar vermoedelijk toch niet de voornaamste reden waarom we er nooit over spraken.

Een sticker? Daar lacht een leerling die je uitscheldt voor ‘kankermongool’ om

‘Je hoeft jezelf geen geweld aan te doen om fantastisch les te kunnen geven’, zegt Johan ’t Hart stellig. Hij begon in 1980 als muziekdocent op het Pieter Nieuwland College in Amsterdam en bleef daar 37 jaar werken. Zelf was hij op school nooit de makkelijkste leerling geweest. Hij herinnert zich hoe hij met een paar andere jongens alle tafels op elkaar stapelde voordat de les begon, zodat er een wankel bouwwerk tot aan de nok van het klaslokaal ontstond. ‘Toen de lerares kwam aanlopen, stond de boel binnen een split second weer op zijn plek.’ Hij was niet de braafste, maar kende wel een duidelijke grens. ‘Het was niet mijn bedoeling om mensen kapot te maken. Ik zag dat het kon, maar dat deed ik niet.’

Op een zonnige vrijdagochtend in mei hebben zich drie deelnemers verzameld rondom de tafel op de tweede verdieping van ’t Harts huis, in het centrum van Amsterdam. Aan de muur hangt een kleurrijk schilderij, in de kast staan kinderboeken. Voor alle deelnemers ligt een geprinte cursusreader klaar met daarbovenop een dun boekje: Vrede kun je leren, van David Van Reybrouck. Vincent zit verwachtingsvol klaar, pen in de hand. Naast hem neemt Eva plaats, een schuchtere vrouw van eind twintig, derdejaars docent Nederlands op een scholengemeenschap. Ze is vanmorgen met de trein uit Roermond gekomen. De derde cursist is Erik, 54 jaar en voormalig facilitair manager in de horeca. Sinds dit schooljaar geeft hij als zijinstromer les op een mbo in Amsterdam, waar de leerlingen aanmerkelijk minder gemotiveerd en braaf zijn dan tijdens de cursussen die hij in zijn vorige baan aan horecapersoneel gaf.

‘De enige optie is om ergens in te gaan geloven’, houdt ’t Hart zijn deelnemers voor, na het voorstelrondje waarin ze in wisselende gradaties van wanhoop de reden voor hun deelname hebben beschreven. De orde-leer van ’t Hart steunt op twee geloofsartikelen: vriendelijkheid en duidelijkheid. Zo geeft hij storende leerlingen geen waarschuwingen maar ‘tips’ die hij opschrijft in een klein zakboekje. Na twee tips dreigt geen strafwerk maar een ‘tijdrovende opdracht’: het schrijven van een reflectieverslag over wat er is gebeurd. Positief gedrag beloont hij met een duim omhoog of een sticker. Sowieso maakt musicus ’t Hart, naar het voorbeeld van een dirigent, veel gebruik van non-verbale communicatie: stiltegebaar, stopgebaar, opgestoken duim.

Erik, die op het mbo leerlingen van zestien jaar en ouder lesgeeft, zucht als het over stickers en opgestoken duimen gaat. Hij doet weinig moeite om zijn scepsis te verbergen. Een sticker, daar lacht de leerling die hem een paar dagen geleden uitschold voor ‘kankermongool’ om. Dan moet je de beloning aanpassen aan de context, zegt ’t Hart stoïcijns. ‘Geef ze een jointje’, suggereert Vincent.

’t Hart raadt zijn cursisten aan om na het weekend meteen te beginnen, ook al duurt het schooljaar nog maar een paar weken. Ook adviseert hij hun om de leerlingen te vertellen dat ze een cursus gevolgd hebben en aan te kondigen dat ze dingen voortaan anders gaan aanpakken. Voor zijn uitvoerige systeem van tips en tijdrovende opdrachten is wel één basisvoorwaarde: ‘Steun van je school is cruciaal. Anders moet je een andere baan zoeken.’

Na ruim vier uur klassensituaties analyseren, ervaringen uitwisselen en hier en daar een stukje demonstratie-toneel, loopt de dag ten einde. ‘Dapper dat jullie gekomen zijn’, zegt ’t Hart voordat hij afsluit.

Een hele klas zonder boeken, een leerling die een vuurtje begon te stoken achter in het lokaal: tijdens de eerste lessen van René Kneyber ging alles mis wat er mis kan gaan. Hij had geen idee hoe hij het moest aanpakken. Ook destijds was er een groot tekort aan wiskundeleraren, dus de school was allang blij dat er íemand voor de klas stond.

‘Als je ze vriendelijk benadert, krijg je een veel beter beeld van wie ze zijn’

Hij vertelt zijn cursisten altijd over zijn eigen moeizame start. Om het ijs te breken en iets van het taboe weg te nemen, maar ook om duidelijk te maken dat zelfs iemand die geen ‘natuurtalent’ is goed orde kan leren houden. Zijn devies is: structuur, duidelijkheid, regelmaat. Kies een aantal regels en handhaaf die ook echt consequent. Zelfs al is het maar één simpele regel, zoals op tijd komen of boeken meenemen, dan is er in elk geval een duidelijke ondergrens. Daarnaast is orde houden een kwestie van het voorkomen van problemen, door vaste routines op te bouwen. Die zijn vooral belangrijk tijdens zogenaamde wisselmomenten, bijvoorbeeld tussen klassikale uitleg en zelfstandig werken; bij die overgangen ligt chaos altijd op de loer, weet ook ik uit ervaring.

In grote lijnen komt zijn aanpak overeen met die van Johan ’t Hart. Dat is niet zo gek, want de principes zijn allemaal gebaseerd op gezond verstand. Maar toch leren veel leraren dit dus pas jaren na hun afstuderen, op een dure nascholingscursus. Waarom is zoiets essentieels en basaals eigenlijk geen vast onderdeel van de lesstof bij de lerarenopleiding? Kneyber denkt dat de losse adviezen allemaal wel eens voorbijkomen tijdens de meeste opleidingen, maar dat het vaak ontbreekt aan samenhang en systematiek.

Orde houden zou daarom een strak georganiseerd onderdeel van elke lerarenopleiding moeten zijn, betoogt hij. Maar ook daarna, in de begeleiding van docenten op school, moet het ontwikkelen van deze vaardigheden doorgaan. Nu krijgen beginners vaak juist de moeilijkste klassen toegeschoven, waar geen van hun collega’s zin in heeft. Een gebrek aan collegialiteit, noemt Kneyber het. Ook Johan ’t Hart heeft het vaak zien gebeuren. ‘Gemeen, en verkwisting van talent als zo iemand er vervolgens mee stopt.’

Het lerarentekort is nog nooit zo groot geweest als nu en groeit nog steeds. Terwijl aan de ene kant de overheid de zoveelste promotiecampagne opstart (‘Leraar, elke dag anders’) en aan de andere kant de vakbonden hameren op salarisverbetering, vraagt niemand zich af hoeveel potentiële leraren er bij voorbaat al afgeschrikt worden door angst voor ordeproblemen. In discussies over de werkdruk die het beroep onaantrekkelijk maakt, gaat het steevast over administratie, lange vergaderingen en nakijk-overuren die niet in verhouding staan tot het salaris. Allemaal waar, en voor sommige potentiële docenten vast de belangrijkste reden om een andere carrière te kiezen. Maar het gesprek over te hoge werkdruk gaat zelden over drukte in de klas. Hoeveel in potentie goede leraren gaan daaraan ongemerkt verloren, voordat ze überhaupt begonnen zijn? Hoeveel mensen zijn er niet die hun vakkennis graag zouden overdragen en daar goed in zijn, maar te veel opzien tegen een drukke klas van dertig leerlingen?

‘Dat opgestoken duimpje werkt dus echt’, vertelt Vincent een paar weken na de cursus opgetogen. Het advies om elke keer als een leerling het gevraagde gedrag vertoont een duim op te steken bij wijze van beloning, vond hij eerst nogal zijig klinken. Maar het blijkt een effectief trucje; ‘een momentje van liefde’, waardoor de leerling voelt dat hij toch nog mee mag doen. Het stiltegebaar van ’t Hart vonden zijn leerlingen ‘echt heel stom’, dus dat gebruikt hij niet meer.

Hij heeft zijn klassen niet verteld dat hij de cursus heeft gevolgd – dat klonk hem toch iets te wanhopig – maar wel dat hij de dingen voortaan anders wil aanpakken. Vriendelijker, met meer welwillendheid, en dat hij die positieve houding dan ook van hen terug verwacht. Een van de laatste dagen van het jaar was sportdag. Terwijl hij de tweedeklassers op het veld samen zag spelen, realiseerde hij zich opeens dat hij hen misschien ook wel eens tekortdoet, door er alleen op te hameren dat ze de onregelmatige werkwoorden in hun hoofd stampen. ‘Het zijn eigenlijk al best complete wezens. Als je ze vriendelijk benadert, krijg je een veel beter beeld van wie ze zijn.’ Volgend jaar gaat hij de methode-’t Hart bij zijn nieuwe klassen meteen toepassen. De kartonnen tipboekjes heeft hij al gekocht.

Is orde-expert René Kneyber eigenlijk nog wel eens zenuwachtig als hij aan het begin van het schooljaar voor een nieuwe groep staat? ‘Altijd’, antwoordt hij direct. Zijn reputatie brengt ook druk met zich mee, want voor een ‘specialist klassenmanagement’ is het natuurlijk extra raar als orde houden niet lukt. En toch blijft hij het moeilijk vinden, zegt Kneyber eerlijk. Die zwakte heeft hij tot zijn kracht gemaakt: omdat hij er van zichzelf niet zo goed in is, blijft hij reflecteren op wat hij doet en kan hij anderen goed begeleiden. Een natuurtalent is daar juist ongeschikt voor, want die begrijpt niet wat er moeilijk aan is. Kneyber lacht: ‘Van die vloek van kennis heb ik geen last.’


De namen van Vincent, Eva en Erik zijn om privacyredenen veranderd