ACHTER HET HARNAS

ANNEMIEK ONSTENK
ANNEMARIE GREWEL: EEN PORTRET
Nieuw Amsterdam, 215 blz., € 17,95

Zo’n beetje aan het eind van haar boek over Annemarie Grewel maakt Annemiek Onstenk een opmerking die tot fantaseren aanzet. Grewel werd bij leven door Het Parool ‘het geweten van de stad’ genoemd, en in 1999 zelfs een van de ‘grote Amsterdammers van deze eeuw’. ‘Als ze nu nog had geleefd’, schrijft Onstenk, ‘zou ze zeker een kompas zijn geweest in de woelige wateren rond integratie, multiculturele samenleving, emancipatie en vreemdelingenbeleid.’
Het is een spannend gedachte-experiment. Zou Grewel nu, tien jaar na haar dood, nog steeds een moreel boegbeeld zijn? Want een boegbeeld, dat was ze, als veelgevraagd voorzitter, politicus, lesbische heldin en columnist. Maar wat moet je van haar moraal denken, tien jaar later? Uit het portret van Annemiek Onstenk rijst Grewel op als een typische held van haar tijd. Ze was een links icoon in de jaren dat ieder weldenkend mens links was. Ze kwam uit als lesbienne toen de vrouwenliefde in de mode was. Ze verenigde in de tijd dat minderheden bij voorbaat heilig waren naar eigen zeggen zoveel minderheden in zich – vrouw, homoseksueel, jood – dat ze in haar eentje een meerderheidsgroep vormde. En ze was, zoals ze het noemde, een ‘Tweede-Wereldoorlogneuroot’ in die decennia dat de oorlog nog geen grijstinten kende.
Het heeft natuurlijk iets misplaatsts om de dominante moraal van de jaren zeventig en tachtig lichtzinnig af te doen als modieus, maar de biografie van Onstenk biedt er wel de stof voor. Onstenk beschrijft hoe Grewel dertig jaar als wetenschappelijk medewerker aan het pedagogisch instituut van de Universiteit van Amsterdam verbonden was zonder veel uit te voeren. Ze zat liever in de kroeg dan in de bibliotheek of collegezaal. ‘Ze was’, zegt haar oud-collega en vriend Harrie Hamers, ‘wat je noemde een nieuwe vrijgestelde, die zich met van alles en nog wat bezighield, behalve met pedagogiek.’
In 1975 werd Grewel voorzitter van de Universiteitsraad – bij toeval was ze waarnemend voorzitter van haar faculteit geworden en ze bleek talent te hebben. Geestig was ze, ad rem, ze had flair, ze kon met een vernietigende blik over haar brillenglazen sprekers tot zwijgen brengen en met een welgemikte grap zalen op haar hand krijgen. Maar ze keek liever in het glaasje dan in de vergaderstukken. Vriendin Hedy D’Ancona vertelt hoe ze de enveloppe met vergaderstukken openscheurde tijdens de vergadering en mensen aan het woord liet terwijl ze zat te bladeren. ‘Ze kon’, zegt D’Ancona, ‘lui en ongeïnteresseerd zijn, maar ze was heel intelligent. Ze had een boerenslimheid. Magie.’
En ook als politicus – ze was achtereenvolgens gemeenteraadslid van de PVDA in Amsterdam en lid van de Eerste Kamer – moest ze het meer hebben van haar principiële stellingname dan van dossierkennis. En van haar gevoel voor humor. ‘Deze burgemeester wil de mensen vergassen’, zei ze in de raad tegen Ed van Thijn, naar aanleiding van een ontruiming van een kraakpand waarbij de politie traangas had gebruikt.
Grewel belichaamde veel van wat de PVDA later zou opbreken. Ze was superieur, arrogant, in naam democrate, maar in de praktijk nogal eens regentesk. Zoals collega-raadslid Anne Lize van der Stoel van de VVD het uitdrukt: ‘Ze had een houding van: ik stel hier de norm.’ Honden waren in het stadhuis verboden, maar zij liep met haar hondje in de arm zo langs de portier. ‘Dit ding is geen hond’, riep ze dan. Ze stond in zekere zin zelf boven de wet, was, zogezegd, erg van de gesinnungsethik en een stuk minder van de verantwortungsethik. De morele rol die ze speelde was goeddeels ritueel, want uiteindelijk hield ze zich altijd keurig aan de partijdiscipline. Het was, in de woorden van Frank Kohler van GroenLinks: ‘Annemarie netjes laten uitrazen en dan overgaan tot de orde van de dag.’
Maar dit geldt allemaal de publieke Annemarie Grewel, die als ‘rare, gevaarlijke, lesbische jodin’ steeds meer een lieveling van de media werd. Onstenk laat zien dat achter de sterke, snedige, ongrijpbare Grewel een kwetsbare en gekwetste vrouw schuilging. Grewel, in 1935 geboren, bracht haar jeugd door in een welgesteld gezin in Amsterdam-Zuid, waar de kunstenaars en intellectuelen die er over de vloer kwamen, moesten verhullen dat haar ouders een kil huwelijk hadden. Haar moeder was overheersend, ongelukkig en onevenwichtig; haar vader charmant en intelligent, maar nooit thuis. In de oorlog moesten zij en haar oudere broer onderduiken, maar meteen al mengde het oorlogsleed zich met haar meer algemene kinderleed. Ze moest als vijfjarige een heupoperatie ondergaan. Ze voelde zich niet geliefd door haar moeder. Zoals ze met gevoel voor zelfspot schreef: ‘Mijn moeder verwachtte een mooi klein meisje te hebben, was het een mank ding met een dikke bril geworden.’
Het is die kant in Annemarie Grewel, die ze vooral toonde in de columns die ze van 1982 tot haar dood schreef voor De Groene Amsterdammer, die maakt dat het portret van Onstenk ook ontroerend is. En juist daardoor, door de verlegenheid en eenzaamheid die Grewel achter haar harnas hield, krijg je meer sympathie voor haar kracht.