Pentagon regisseert oorlogsfilms

Achter het rookgordijn

De grote Amerikaanse boodschap van dit moment luidt: oorlog is een noodzakelijk kwaad. En geen beter medium om die boodschap te brengen dan de oorlogsfilm. Maar nu blijkt dit populaire genre een nieuwe regisseur te hebben: het Pentagon.

De elite-Deltatroepen van het Amerikaanse leger zijn zo onzichtbaar dat ze officieel niet bestaan. Terecht, vindt sergeant Paul Howe. Belangrijke taken zijn nauwelijks over te laten aan de reguliere soldaten, zoals de in zijn ogen slecht opgeleide Task Force Rangers. Op 3 oktober 1993 blijkt dat eens te meer in Mogadishu, Somalië, als sergeant Howe en andere leden van de Delta force, kortweg «D-boys» geheten, een aanval inzetten op een huis in het centrum. Doel: de arrestatie van leiders van de clan van Mohamed Farrah Aidid. De Rangers hebben als taak de omgeving van het huis veilig te stellen. Maar opgezweept door adrenaline schieten ze in de verstikkende rook van brandende autobanden in het wilde weg, ook op sergeant Howe, die gruwt van al dit gestuntel. Terwijl de kogels de trotse professional om de oren vliegen, reflecteert hij: «Deze baan vergt alles van je. De prijs van mislukking is de dood… Oorlogvoering is lelijk en uit den boze, maar het is nog altijd de enige manier om iets uit te richten in deze wereld.»

Sergeant Howe, vechtend onder de equatoriale zon, personifieert de grote Amerikaanse boodschap van dit moment: oorlog als noodzakelijk kwaad. De regering van president George W. Bush doet er alles aan de wereld hiervan te overtuigen terwijl de zonen en dochters van Amerika onverlet ten strijde trekken tegen het kwaad in Afghanistan en elders. Het is ook de boodschap die weerklinkt in de pagina’s van het boek Black Hawk Down, waarin journalist Mark Bowden de slachting in het Oost-Afrikaanse land beschrijft vanuit het perspectief van militairen als sergeant Howe. Hiertoe citeert de auteur de Amerikaanse schrijver Cormack McCarthy: «Er was altijd oorlog. Nog voor de geboorte van de mens wachtte oorlog al op hem.» Bowdens boek lijkt koren op de molen van de propagandisten in Washington. Maar het boek — en ook de film die cineast Ridley Scott ervan heeft gemaakt — laat zien hoe hachelijk het decoderen van oorlogsteksten kan zijn. Ja, Black Hawk Down bevat de boodschap van Bush. Maar tegelijkertijd ondermijnt de film de propaganda door onomwonden aan te tonen dat oorlog is te wijten aan het falen van politieke leiders.

Het ontraadselen van oorlogspropaganda is vooral complex door de aantrekkingskracht van oorlog als thema in de populaire cultuur. Oorlog is de ideale metafoor voor het verbeelden van alles wat slecht is aan de mens. Dat maakt de oorlogsfilm intellectueel boeiend. Dan is het maar een kleine stap naar de rationalisatie van sergeant Howe en president Bush: als oorlog een onlosmakelijk deel van de menselijke aard is, hebben wij die dappere D-boys dan niet nodig om onze beschaving veilig te stellen? Zo kan de oorlogsfilm dienen als rookgordijn voor het verkopen van het merk «oorlog» aan een massaal, wereldwijd publiek. Sinds Vietnam en de Golfoorlog is er een globale markt voor beelden van oorlogvoering. Dat blijkt uit het filmaanbod van nu en straks: naast Black Hawk Down de Vietnamfilms Tigerland en We Were Soldiers; de Bosnië-kaskraker Behind Enemy Lines; Harrison’s Flowers, een Frans/Amerikaanse film over de massamoord op Kroaten tijdens de strijd bij Vukovar in 1991; de WOII-film Hart’s War met Bruce Willis, en Collateral Damage, waarin Arnold Schwarzenegger het opneemt tegen terroristen. Daarnaast zijn oorlog en terreur de rode draad van talloze nieuwe realiteits- en dramaseries op televisie, zoals het innovatieve 24 (zondagavond op BBC2), over een sluipmoord op een presidentiële kandidaat.

Achter het rookgordijn speelt zich een duister spel af. De herrijzenis van de oorlogsfilm komt door het culturele moment, maar is vooral het gevolg van het feit dat het Pentagon en het Witte Huis een nieuw adagium hebben ontdekt: de wereld is makkelijker maakbaar door middel van speelfilms en televisieseries dan met behulp van de cynische nieuwsmedia. Dat was de aanleiding voor de beruchte ontmoeting na 11 september tussen Karl Rove, hoofd van de politiek adviseurs van president Bush, en film- en televisie producers uit Hollywood. Na het gekonkel verklaarde Sherry Lansing, voorzitter van Paramount Pictures: «We hebben allemaal een ongelooflijke behoefte iets te doen.»

Wat Washington en Hollywood hebben afgesproken, wordt zo langzamerhand zichtbaar: terwijl de internationale media zich beklagen over de gebrekkige toegang tot de oorlog in Afghanistan krijgen televisieploegen van grote zenders als ABC en CBS vrij spel van het ministerie van Defensie om het leven aan de frontlinie visueel vast te leggen. Het laat zich raden waarom het Witte Huis het clandestiene kantoortje van het Pentagon, Office of Strategic Influence geheten, opgericht na 11 september, zonder slag of stoot liet opdoeken: waarom zou je moeilijk doen met argwanende journalisten als een romantische verhalenmaker uit Hollywood zich het hof laat maken?

Zo’n romanticus is de multimiljonair Jerry Bruckheimer, producent van de disco-oorlogsfilms Top Gun, The Rock en Pearl Harbor. Hij moet van zijn stoel zijn gevallen bij het lezen van Black Hawk Down. Hij wist dat geen scenarioschrijver in staat zou zijn zo’n gedetailleerde beeld te geven van wat er mis ging toen de beunhazen van Aidid de vreesloze Delta force van sergeant Paul Howe in het centrum van Mogadishu aan flarden schoten. De grote verdienste van het boek is dat de lezer toegang krijgt tot de gedachte wereld van zowel de Amerikanen als de Somaliërs vóór, tijdens en na de slachting. Geen enkele tv-documentaire over het onderwerp had dezelfde impact. Dat moet anders, dacht Bruckheimer. Hij ging aan tafel zitten met zijn nieuwe partner, het Pentagon. Gevolg: Bruckheimers productiemaatschappij maakte niet alleen een filmversie van Black Hawk Down, maar draait nu in Afghanistan een realiteitsserie voor ABC met de titel Profiles from the Front Line. Hij is niet de enige. Camerateams van de entertainmentafdelingen van CBS en muziekzender VH1 lopen elkaar voor de voeten om de oorlog op digitale video vast te leggen. Het gaat om realiteitsseries met chauvinistisch klinkende titels als Military Diaries Project en American Fighter Pilots. Ergens in de schaduw staat een Pentagon-pr-man uit Washington te grijnzen.

Maar het allergelukkigst is het Pentagon met de patriottische Vietnamfilm We Were Soldiers, de eerste rechtse behandeling van deze oorlog sinds de Rambo-trilogie van de jaren tachtig. Het heeft er alle schijn van dat ambtenaren van het departement net zo goed zelf in de regisseursstoel hadden kunnen plaatsnemen, want Randall Wallace — volgens de aftiteling de regisseur — heeft na Bruckheimers Pearl Harbor een van de meest mensonterende cinematografische werken van onze tijd gemaakt. De film vertelt het verhaal van de strijd in de Ia Drang-vallei in Vietnam, beter bekend als de «vallei van de dood». Op 14 november 1965 vond daar de eerste grote slag plaats tussen de Amerikanen en de Vietcong. Meer dan tweeduizend Vietnamezen en 350 Amerikanen kwamen om. Op schrijnende wijze verbeeldt Wallace deze slag als een overwinning voor het dappere Amerikaanse leger. Hij laat een stervende militair de volgende woorden zeggen: «Ik ben blij dat ik voor mijn land kan sterven.»

Black Hawk Down doet hetzelfde soort propaganda vermoeden. Maar wie verder kijkt dan de beelden van de Amerikaanse militaire machinerie in actie ziet een kunstwerk dat als weinig andere de psychose van het oorlog voeren aan de orde stelt. Daarom is het belangrijk goed naar deze film te kijken, en hem niet — zoals velen hebben gedaan — simpelweg af te doen als «propaganda». Regisseur Scott schetst met het boek van Mark Bowden in de hand een indringend beeld van oorlog en humanisme, schuld en onschuld, mens en technologie. Poëtische vervreemding gaat hand in hand met realisme. Het ongenaakbare aan Black Hawk Down zit hem niet alleen in de visuele vorm van de film, maar ook in de pornografische inhoud: zwartgeblakerde, bebloede jongemannen die zonder noemenswaardige narratieve context met hun ingewanden naast zich op tafel liggen te schreeuwen van de pijn terwijl een arts zijn arm in hun onderbuik duwt, zoekend naar een kapotte slagader.

Aan dit soort scènes kan de oorlogsfilm zijn artistieke waarde ontlenen. Het confronterende ligt hierin dat wij als kijkers exaltatie vinden in de schoonheid van de verschrikking. Het beste voorbeeld hiervan is de in Black Hawk Down geciteerde helikopteraanval in Apocalypse Now op de muziek van Wagners Walküre. Zoals de mannen van kolonel Bill Kilgore in Francis Ford Coppola’s meesterwerk baden in de euforie van het vliegen in de witte wolken in de blauwe lucht boven Vietnam, zo genieten de Rangers van stafsergeant Matt Eversmann van de wind in hun haar en de zon op hun gezicht terwijl ze in de Black Hawk-helikopters boven de witte stranden van Somalië scheren. In beide films leiden deze romantische lofzangen tot het grote kwaad: vuur, bloed en dode mensenlichamen. In de beste oorlogsfilms is er niets «noodzakelijks» aan deze beelden, maar zijn ze gemêleerd met ironie, cynisme, relativisme. Dat zit wel degelijk in Black Hawk Down: de angst en clowneske onhandigheid van de Rangers en de bizarre scène waarin keurige obers de gedesillusioneerde militairen na de slag een koud glaasje water aanbieden.

De verborgen verleiders van het Pentagon zien de oorlogsfilm graag als drager van de Bush-doctrine. En in het huidige klimaat is Hollywood een bijzonder gewillige boodschappenjongen. Zo zijn We Were Soldiers en de realiteitsseries uit Afghanistan niets meer dan een rookgordijn voor het verkopen van het merk oorlog. Maar inherent is de boodschap corrupt — dat toont Black Hawk Down aan. De beste oorlogsfilms laten zien dat oorlog nooit een «noodzakelijk kwaad» is; veeleer heeft het kwaad in zijn puurste, verleidelijk mooiste vorm maar één gedaante: oorlog.

Black Hawk Down van Ridley Scott, nu te zien

We Were Soldiers van Randall Wallace, te zien vanaf 18 april

Collateral Damage van Andrew Davis, te zien vanaf 2 mei