Achter het worteltje aan

In De val van Thomas G. laat Nelleke Noordervliet links en rechts op elkaar botsen. Een confrontatie die wat voorspelbaar uitpakt.

Nelleke Noordervliet lijkt het wij/zij-denken te willen bekritiseren © Marco Okhuizen / ANP

Als het haar afgelopen juni was gevraagd, zou Nelleke Noordervliet dan de Harper’sLetter hebben ondertekend? In de veelbesproken open brief uitten 153 veelal Angelsaksische wetenschappers, journalisten en schrijvers hun zorg over de afnemende tolerantie voor meningsverschillen in het publieke debat en riepen ze op de vrije uitwisseling van informatie en ideeën te beschermen. Op basis van haar elfde roman, De val van Thomas G., zou je vermoeden van wel.

De gerenommeerde uitgever Thomas Geel wordt middelpunt van een trial by media nadat hij Hedendaags fanatisme op de markt heeft gebracht, een als roman vermomd politiek pamflet vol rabiaat-rechtse denkbeelden, geschreven door de marginale historicus Rudolf Merkelbach. De ideologische strijd die binnen de uitgeverij over de publicatie woedt lekt uit en traditionele en sociale media springen erbovenop. Over het causale verband verschillen de meningen, maar feit is dat Geel een paar maanden later zijn auto tegen een boom rijdt.

Het verhaal begint wanneer Geels weduwe Isa, kinderboekenschrijfster, net naar hun afgelegen huisje in Ierland is vertrokken om de dood van haar man te verwerken. Na zijn overlijden is er iets groots en geheimzinnigs aan het licht gekomen, wat haar dwingt het verhaal van hun huwelijk te herzien. Thuis in Amsterdam worstelt hun dochter Leonie met het beeld dat ze van haar vader heeft en met haar aandeel in de gebeurtenissen. Journalist Joris de Groot verkent ondertussen de affaire om te zien of er een smeuïg boek van te maken valt.

Noordervliet laat de driehoek Isa-Leonie-Joris om het raadsel Thomas Geel heen cirkelen en hun perspectieven en belangen met elkaar schuren, waardoor de gevallen uitgever steeds duidelijker contouren krijgt. De roman heeft dus een doordachte vorm en stelt een urgent thema centraal, en Noordervliet beheerst haar registers: ze schrijft net zo soepel lange, allitererende zinnen als korte, venijnige dialogen. Toch bleef ik achter met de vraag: waarom is De val van Thomas G. zo’n saaie leeservaring?

Joris’ observaties voegen weinig toe aan wat iedereen al weet

In de eerste plaats blijken de drie ik-vertellers al snel pathologische zelfuitleggers die steeds hun innerlijke tegenstrijdigheden herkennen en benoemen. ‘Ik word gedreven door een allesverterende woede die het vooral op mijn eigenwaarde heeft voorzien’, constateert Isa na enige introspectie. Leonie analyseert het conflict dat zij uitvecht met haar moeder als volgt: ‘Ik voedde mijn frustratie door karikaturale kwalificaties van mijn moeder te geven.’ Joris vertelt hoe hij zonder al te veel schuldgevoel tegenover zijn hoogzwangere vrouw zijn slippertje met Leonie wegredeneert: ‘Ik worstel de rest van de week met mijn ontrouw, al biedt mijn “waardensysteem” diverse ontsnappingsmogelijkheden.’ Hun efficiënte emotionele huishouding houdt de vaart er in deze roman wel in, maar zorgt er ook voor dat je maar moeizaam bij de personages betrokken blijft.

Om de spanning op te bouwen hanteert Noordervliet een tamelijk flauw procédé. Op gezette tijden wijst een van de personages even vooruit naar Thomas’ geheim. Zo denkt Leonie, wanneer Isa zich tegenover haar iets laat ontvallen: ‘Er is iets gebeurd. Ze weet iets wat ik niet weet.’ Wat je als lezer in ieder geval weet, is dat je tot de ontknoping als een konijn achter het voorgehouden worteltje aan zult huppelen.

Maar vooral is het jammer dat de analyse van het probleem dat de roman aan de kaak wil stellen zo oppervlakkig blijft. Noordervliet lijkt met de affaire-Geel het mediaklimaat te willen bekritiseren waarin elk debat vastloopt in wij/zij-denken of verhardt tot een kwestie van dader en slachtoffer. Het probleem is echter dat de journalist die deze complexe dynamiek moet onderzoeken niet al te geïnteresseerd lijkt. Gevolg is dat Joris’ observaties weinig toevoegen aan wat iedereen die weleens naar Op1 kijkt of door Twitter scrolt al weet.

Daarbij doet zijn subjectieve blik soms afbreuk aan de nuance, die Noordervliet zeker lijkt na te streven maar niet altijd even overtuigend bereikt. Een van Joris’ informanten is Anne Benraad, binnen de uitgeverij de felste tegenstander van Hedendaags fanatisme. Hij presenteert haar als ‘generaal in de strijd tegen de witte pest’ om daar in één adem door zijn excuses voor aan te bieden, maar de toon is dan al gezet. Met een slimme truc laat Noordervliet vervolgens Benraad zelf aan het woord: via Joris’ transcriptie van hun opgenomen gesprekken kan zij haar antiracistische en feministische standpunten ontvouwen en haar bezwaren tegen Hedendaags fanatisme uitleggen. Zo fungeren Joris en Anne als twee polen in de discussie over linkse identiteitspolitiek, waarbij Joris als verteller het voordeel van de waarneming heeft: ‘Hindoestaanse, creoolse en blanke elementen combineren haar gezicht tot een sprekend en eigenzinnig geheel. Mooi is het woord niet, daarvoor zijn haar trekken te scherp en te geprononceerd en incompatibel, de ogen, de neus en de mond ieder uit een andere la getrokken.’ Hij exotiseert haar niet alleen, hij kan ook zijn ongemak over haar woede over het koloniale verleden niet verhullen, waardoor zij – de vrouw van kleur die te scherp is – in het defensief wordt gedreven en hij zich als de stem van het redelijke midden kan opwerpen.

De roman is bij uitstek de kunstvorm om posities op elkaar te laten botsen, maar in De val van Thomas G. pakt die confrontatie wat voorspelbaar uit: het boek lijkt te betogen dat zowel de uiterst linkse als de extreem-rechtse ideologie het liberale debat onder druk zet. Tegen het einde wordt dat idee nog in een afgezaagd generatieconflict gegoten, wanneer Geel via zijn nagelaten manuscript – waarin natuurlijk het geheim wordt onthuld – zijn handelen rondom Hedendaags fanatisme verklaart. Voor de strijdpunten van de huidige generaties, zegt hij, ‘hebben wij de basis gelegd in de jaren zestig en zeventig, maar zij formuleren de idealen agressief en in separate groepen, zonder humor, zonder zelfspot’. Zo leidt Noordervliet ons uiteindelijk naar begrip voor een witte heteroseksuele babyboomer die, contrary to popular belief, heus niet alles in het leven mee heeft gehad en die zijn carrière ziet stuklopen omdat hij van de ene op de andere dag zijn wereld niet meer herkent. Weinig verrassend.