Hoofdcommentaar

Achter in de rij

Vorige week werd aangekondigd dat binnenkort heel het voormalige Warschaupact, minus de Sovjet-Unie, deel uitmaakt van de EU. Fantastisch nieuws voor landen die veertig jaar onder regimes leefden waar familieleden werden aangemoedigd elkaar te verraden, geheime diensten de eigen bevolking bespioneerden en collectieve verarming werd rechtgepraat in naam van een ideaal. Tegelijkertijd is in Nederland de discussie over Turkse toetreding tot de EU weer opgelaaid, nu met als tegenargument van de dag dat de Turken de Armeense genocide ontkennen.

Zowel als het gaat om uitbreiding van de EU op de Balkan als om uitbreiding met Turkije is het belangrijkste argument van voorstanders dat lidmaatschap van de EU stabiliteit brengt en garanties geeft voor mensenrechten, rechtsstaat en economie. Wie die grondreden serieus neemt, moet verdere uitbreiding van de EU op de Balkan aanmoedigen. Ten koste van Turkije.

Het is bitter dat de Oost-Europese landen waar de grootste excessen van het communisme plaatsvonden als laatste bij de EU komen. Als geleden leed een criterium was, zouden Bulgarije en zeker Roemenië allang lid zijn. Het is wellicht nuttig in herinnering te roepen waar we het precies over hebben. Om Roemenië te nemen: twintig jaar geleden was wachten daar nog een manier van leven, in lange rijen voor staatswinkels waarvan het gerucht rondging dat er die dag eten zou aankomen. Een geboortedecreet van Europa’s meest waanzinnige dictator van de afgelopen halve eeuw in 1967 verbood alle voorbehoedsmiddelen en onderwierp alle vrouwen aan maandelijkse controles. De ongewenste kinderen die daarvan het gevolg waren, werden vaak in staatsweeshuizen gedumpt, onder middeleeuwse omstandigheden. Buiten de weeshuizen en gevangeniskampen heerste de Securitate, Oost-Europa’s relatief grootste en mogelijk meest cynische geheime dienst. De omslag in 1989 voorkwam dat Ceausescu zijn plan kon uitvoeren om alle dorpen van het land te vernietigen en de plattelandsbevolking te huizen in uniforme staatsflats.

Het risico dat Roemenië zich in verkeerde richting ontwikkelt is sinds de Roemeense omwenteling altijd reëel gebleven en gezien de recente geschiedenis van grenzenloze corruptie, machtsmisbruik en nepotisme niet eens onlogisch. Voor Bulgarije geldt hetzelfde. De risico’s daarvan voor Europa zijn evident.

Soortgelijke risico’s schuilen ook in de rest van Europa: voormalig Joegoslavië en Albanië. In hun geval komt daar nog het gevaar bij van oorlog en vluchtelingenstromen. Toen Albanië in 1997 in elkaar zakte, nota bene door omvallende piramidespelen, overspoelden Albanese vluchtelingen de Italiaanse oostkust. Nog massaler meldden de vluchtelingen zich in heel Europa tijdens de oorlogen na het uiteenvallen van Joegoslavië. In de oorlogsgebieden van destijds houdt buitenlandse steun het oorlogsgevaar klein. Maar rapport na rapport wijst op het gevaar dat de vlam weer in de pan kan slaan, in de eerste plaats in Kosovo. Komen de Amerikanen ons dan weer uit de brand helpen door hun derde grote front te openen?

Deze bedreigingen voor de stabiliteit in Europa stellen de gevaren die uitgaan van de situatie in Turkije in de schaduw. Dat betekent niet dat alles in Turkije prima gaat: de slepende strijd in Koerdistan, de aanslagen in het land, het overtrokken nationalisme en de voortdurende spanning tussen leger en islamitische partijen onderstrepen de problemen waarmee het land worstelt en waar EU-lidmaatschap bij kan helpen. Daarbij komt ook het strategische nut dat Turkije als lid van de EU een voorbeeldfunctie zou hebben voor de islamitische wereld, wat radicale krachten zou afremmen. Die redenering is echter nogal hypothetisch en verhoudt zich ongemakkelijk tot de radicalisering van jonge moslims in Europa of de overduidelijke problemen van het Amerikaanse project in het Midden-Oosten. De strategische risico’s voor Europa zijn concreter op de Balkan: de laatste oorlog, in Macedonië, is nog maar vijf jaar geleden. Vergeleken met de meeste Balkanlanden is Turkije stabieler en in economisch en politiek opzicht zelfstandiger. Kijkend naar de laatste uitbreidingen van de EU zou je denken dat Turkije juist vooraan in de rij zou moeten. Oost-Europese landen die hun zaakjes het best op orde hadden, mochten het eerst bij de club: de haves, zoals Slovenië, mochten bij de have mores om er nog beter van te worden. Maar het is belangrijk de zaken niet om te draaien. Dat de EU minimumeisen aan bestuur en economie stelt voor lidmaatschap, betekent niet dat het enkel om centen gaat.

De reden dat de EU is opgericht – het voorkomen van oorlog in Europa – is nog altijd relevant. Misschien niet meer in het kerngebied van de EU, maar langs de randen van de Unie wel. De oprichters van de EU wilden vrede, stabiliteit en voorspoed in Europa brengen. Let wel: in die volgorde. Want voorspoed is volgens het Europese idee een middel om vrede te bereiken. Te vaak is dat middel na de Koude Oorlog tot doel gepromoveerd en is EU-lidmaatschap als een shortcut naar rijkdom afgeschilderd, zowel binnen de EU als in potentiële lidstaten.

Toetreding van Turkije tot de EU zal veel energie, tijd en aandacht vergen, zoveel hebben de eindeloze onderhandelingen wel duidelijk gemaakt. Die zijn wellicht welbesteed, maar de EU kan die tijd, energie en aandacht dan voorlopig niet in de Balkan steken. Gezien de bedreigingen voor Europese stabiliteit en vrede is dat de verkeerde volgorde en moet Turkije achter de Balkanlanden aansluiten. Dat stuit op het emotionele argument dat de Turken al lang wachten tot zij de EU in mogen. Maar net zoals geleden leed geen argument is, kan lang wachten dat ook niet zijn, hoe zuur ook. Daarvoor staat er te veel op het spel.