Reportage uit Afghanistan

Achter tralies van textiel

Afghaanse vrouwen staan momenteel in het middelpunt van de internationale belangstelling. Jarenlang werden ze teruggeworpen in de tijd, maar in hun burka’s bleven ze vechten voor een betere toekomst. Ook in de vluchtelingenkampen.

De Pakistaanse winterzon schijnt weldadig over het dorp van geel-bruine lemen huizen, ommuurd en omringd door weggetjes in dezelfde kleurstelling. In deze omgeving, rond Mardan, liggen ongeveer tien nederzettingen van vluchtelingen, elk bewoond door acht- tot tienduizend mensen.

Zes geschakelde bakstenen gebouwtjes vormen samen de gezondheidspost. Altijd een prima plek om vrouwen te spreken te krijgen zonder dat de heer of de heren des huizes zich ermee gaat of gaan bemoeien. Baby’s worden hier ingeënt, en de gewone vluchtelingen kwalen — bloedarmoede, schurft, tbc en malaria — bestreden. Bij zwangere vrouwen wordt de bloeddruk in de gaten gehouden en ze worden ingeënt tegen tetanus.

In groepjes kletst men wat en hangt men wat. Dit is een oud kamp waar vluchtelingen zich vanaf 1979 hebben gevestigd. De eerste grote stroom was toen op de vlucht voor de Russische bezetter en het geweld dat daarvan het gevolg was. De tweede groep kwam in het begin van de jaren negentig toen de Moedja hidien het land onveilig maakten. De derde golf sloeg op de vlucht voor de Taliban in 1996 en ten slotte zorgde de droogte in 1997 en 1998 voor een constante stroom hongerende Afghanen, die in feite nog steeds aanhoudt.

De vluchtelingenkampen, waar inmiddels eenderde van de Afghaanse bevolking zich heeft verschanst, strekken zich uit langs de hele noordwestelijke grens van Pakistan met Afghanistan. Een grens als een streep in het zand getrokken, met aan beide zijden een in etniciteit en taal homogene bevolking.

De autoriteiten willen de nieuwe vluchtelingen graag onderbrengen in nieuwe, veel tijdelijker kampen, om ze ook snel weer terug te kunnen sturen. Maar de Afghanen vestigen zich in de buurt van verwanten of leden van dezelfde etnische groep.

Nog negentienduizend mensen wachten in het niemandsland om te worden toegelaten tot Pakistan, terwijl de eerste enthousiaste bewoners van de oudere kampen hun boeltje al aan het pakken zijn om terug te keren naar een ander Afghanistan. Niet dat velen erin geloven, in dat andere Afghanistan. Ursula Asraf kwam in 1989, toen veertien jaar oud, met haar familie naar een kamp nabij Peshawar: «Toen was de oorlog die gewonnen zou worden door de Moedjahidien in Kaboel aangeland, waar wij woonden. Mijn vader was technisch ingenieur en mijn moeder lerares. Van de ene op de andere dag kwamen we van een vrijstaand huis terecht in tenten in Pakistan. Na een jaar konden we een lemen huis bouwen en daar wonen we nu nog. Toen in 1992 de Moedjahidien de zaak onder controle leken te hebben, wilden we eigenlijk ook terug. Uiteindelijk bleek het wijzer om dat niet te doen. En volgens mij is dat nu ook zo.»

Naarmate de tijd verstrijkt wordt steeds duidelijker wat er recent in Afghanistan eigenlijk is gebeurd: door het aloude maar zelden werk zame recept van het bewapenen van de tegenstanders van je vijanden, zijn de Taliban eruit gewerkt. Dat was makkelijk, met zijn allen tegen één. Nu nog een democratische staat opbouwen. Dat is moeilijker. Dagelijks worden nog «schermutselingen» gemeld in alle delen van Afghanistan. Schermutselingen waarbij halve dorpen omkomen en niemand precies weet wie er eigenlijk tegen wie vecht. De provinciale autoriteiten, voor zover ze op de hand van de regering in Kaboel zijn, zenden dagelijks noodkreten naar de hoofdstad: zonder een substantiële troepenmacht om de vechtende facties uit elkaar te houden, redden ze het niet. Maar uiteraard staat niemand te springen om die troepen ook te leveren.

In de vluchtelingenkampen kun je goed zien wie de nieuwkomers zijn. Zo komt er bij de gezondheidspost een vrouw in burka aanstappen. De burka, inmiddels wereldwijd gezien als de nationale klederdracht van Afghaanse vrouwen. In werkelijkheid werd de burka maar op een paar (achterlijke) plaatsen en door een kleine groep gedragen. Tot aan de Russische bezetting.

Het pro-Russische regime en de bezetter maakten vanaf de eerste dag extreme aantallen slachtoffers; gevangenen, politiek of anderszins, verdwenen met tienduizenden tegelijk. Het waren de vrouwen die navraag gingen doen naar het lot van hun mannelijke verwanten en elkaar ontmoetten bij de ingang van gevangenissen en politiebureaus. Zij vormden verzetsgroepen waarbij het dragen van de burka, die tent met tralies van textiel, goed van pas kwam. Ten eerste kun je je identiteit ermee verbergen, wat handig was bij demonstraties, en ten tweede kun je er van alles onder verstoppen. Wapens bijvoorbeeld, maar vooral ook de illegale kranten die bloeiden in het Afghanistan van die tijd. Ze werden de nightletters genoemd en verspreid door vrouwen in burka.

Wat door de Taliban verplicht werd gesteld als de enige echte, door de profeet zelve afgekondigde waardige dracht voor vrouwen, werd in het grootste deel van Afghanistan geïntroduceerd door politiek actieve vrouwen die zelf nog niet eens hun haar bedekten of een sluier droegen.

Inmiddels maken westerse vrouwelijke hulpverleners, die willen benadrukken dat ze rekening houden met de plaatselijke cultuur, gehuld in bijna-burka’s hun opwachting bij de nieuwe minister voor Vrouwenzaken van Afghanistan. Die ontvangt hen geamuseerd, zelf met kort haar en zonder hoofdbedekking.

Ook in het kamp kijken de andere vrouwen meewarig naar hun in burka gehulde zuster die een inenting tegen tetanus komt halen. Als ze haar mouw opstroopt, wordt er een tatoeage zichtbaar die aangeeft dat ze uit de bergstreken langs de andere kant van de grens komt. In dat deel van het land, altijd feodaal gebleven, heeft men de gewoonte vrouwen te tatoeëren met hetzelfde teken als waarmee het vee wordt gebrandmerkt. Opdat men weet van wie ze zijn.

Op de compound van een familie die niet met naam wil worden genoemd, wonen 32 mensen rond een binnenplaats. Oorspronkelijk twee broers en hun gezinnen, later aangevuld met kroost (23 van de 32 bewoners zijn hier geboren) en aanwaaiende familie en verwanten. Willen ze terug? Ja en nee. Ze zijn arm hier in Pakistan, en zullen dat ook wel blijven. Afghaanse vluchtelingen werken als dagloners in de omgeving en vormen de uitgebuite onderkant van de arbeidsmarkt in een toch al arm gebied. Maar ze zijn wel veilig. Ze vinden dat de nieuwe regering niet erg evenwichtig is samengesteld (te weinig Pastun) en ze zien niet veel garanties dat het vrede wordt of blijft. Een van de broers is timmerman, wat natuurlijk handig is in een vluchtelingenkamp waar iedereen nieuwe spullen nodig heeft. De jongens gaan naar een gewone school, de meisjes naar een zogenoemde informele school. Daar leren ze lezen en schrijven en de dingen die ze nodig hebben om een goede bruid te worden, zoals naaien en borduren. Naast het schooltje is een speelplaats. Het lijkt nergens op met twee schommels en wat andere rommel, maar het is de trots van de plaatselijke organisatie.

De ervaring leert dat vooral meisjes mentaal in de gevarenzone dreigen te komen in de kampen. Mariam, de lerares, vertelt hoe dat komt: «Meisjes worden zo enorm onderdrukt dat ze nergens iets met hun ervaringen kunnen. Vrouwen praten met elkaar, mannen ook, jongens kunnen naar buiten en terecht bij de ouderen. Meisjes moeten altijd hun mond houden, spontaniteit wordt meteen gestraft, als regel, niemand luistert ooit naar ze.» Ze vertonen, kortom, massaal de verschijnselen van wat wij een klinische depressie zouden noemen. Kunnen spelen, bewegen, schreeuwen, rennen, een uitlaatklep voor hun emoties, is essentieel gebleken.

De vrouwen in Afghanistan hebben de laatste twintig jaar geen legale school van binnen gezien. Maar het gevecht om de emancipatie van vrouwen in Afghanistan heeft een lange geschiedenis en begint met de onafhankelijkheid in 1919.

Koning Amanullah was een grote fan van Atatürk en vastbesloten zijn land in hoog tempo te moderniseren. Vrouwenemancipatie stond hoog op de agenda. Koningin Soraya hield toespraken die voor het huidige regime in Kaboel te radicaal zouden klinken. Ze zei bijvoorbeeld: «Kennis is niet het monopolie van mannen.» Meisjesscholen werden geopend. Feodale grootgrondbezitters kwamen al snel in opstand en de geestelijken, op de loonlijst van feodale heersers en conservatieve stedelingen, spraken het woord van hun broodheren. Een staatsgreep maakte een einde aan het bewind van Amanullah en de vrouwen werden terugverwezen naar achter de sluier.

Mahammed Daoud, die in 1955 aan de macht kwam, gaf ze een nieuwe kans. Er ontstonden vrouwenorganisaties van liberale en socialistische (pro-Moskou en pro-Beijing) snit. Tijdens de nationale parade ter viering van veertig jaar onafhankelijkheid in 1959, sloegen de vrouwen van ambtenaren en de vrouwelijke leden van de koninklijke familie demonstratief de sluier terug. Vrouwen in Kandahar die enthousiast het voorbeeld volgden, werden doodgeslagen op straat. Daoud stuurde het leger erop af, dat evenmin zachtzinnig afrekende met de opstand tegen de nieuwe tijd. Daoud stelde banen open voor vrouwen en opende meisjesscholen.

De jaren zestig waren een tijd van hectische vrouwenactiviteit. De liberalen gingen de straat op met moederdag, de socialisten op 8 maart, internationale vrouwendag. De liberalen openden klinieken waar vrouwen voor behoedmiddelen konden krijgen, de socialisten ijverden voor gelijk loon voor gelijk werk. De wetgeving regelde de minimum huwelijksleeftijd, leerplicht voor meisjes, verbod op gearrangeerde huwelijken, enzovoort.

De staatsgreep in 1978 was de opmaat voor de inval van de Russen in 1979, en toen ging het mis. Op een kleine groep vrouwen na, die de Russen wel zagen zitten, wilde de vrouwen be weging vooral van de buitenlandse bezetter af. Studentes demonstreerden als eersten tegen de bezetting en werden als eersten doodgeschoten. Toen de demonstratie een regiment Afghaanse militairen passeerde, gooiden duizenden meisjes hun sjaals naar de soldaten en riepen: «Deze sjaals zijn voor jullie, jullie vechten met machinegeweren tegen jullie zusters die gewapend zijn met boeken. Doen jullie die sjaals maar om en ga lekker thuis zitten, dan vechten wij wel voor de bevrijding van Afghanistan.»

Vrouwen werden op dezelfde manier vervolgd, gemarteld en gedood als mannen, en vluchtelingen stroomden alle grenzen over. De vrouwen die, van het platteland of uit de stad, feministisch of traditioneel, in oostelijke richting liepen, kwamen terecht in het Pakistan van generaal Zia Ul Haq, een conservatieve islamitische tiran. In de kampen was politieke activiteit verboden en het onderwijs werd er verzorgd door de madrassa’s, de islamscholen die alleen voor jongens zijn en waar veel godsdienst en weinig onderwijs wordt gegeven.

Hoger opgeleide vrouwen namen zodra dat kon de benen naar het Westen, in de kampen heerste de achterlijkheid van het groeiende islamitisch fundamentalisme met alle beperkingen van dien voor vrouwen. Maar niet iedereen vertrok en ondergronds bleef het emancipatiestreven broeien.

Nu staan de Afghaanse vrouwen volop in de belangstelling. De internationale gemeenschap heeft onlangs namelijk ontdekt dat ze niet alleen terroristen bestreed, maar ook bezig was vrouwen te bevrijden. De fondsen voor vrouwenorganisaties stromen tegenwoordig toe. Overleg is geboden om te zorgen dat voor de verandering nu eens echt iets voor vrouwen wordt geregeld.

Twaalf vrouwen, allemaal aan het hoofd van een vaak door henzelf opgezette organisatie, vergaderen in het Pakistaanse Peshawar. Onder hen is Ursula Asraf, die de eerste alfabetiseringscursussen organiseerde in het kamp waar ze woont. De vraag is of er voor alfabetisering eigenlijk wel belangstelling bestaat onder vrouwen die twintig jaar lang zijn teruggezet in de Middeleeuwen. Asraf: «Er is ontzettend veel belangstelling. Dat was ook al zo in Afghanis tan; duizenden vrouwen en meisjes gingen naar de illegale scholen, met gevaar voor eigen leven, dus hier komen ze allemaal.» De anderen zijn het met haar eens: «Onderwijs is de sleutel tot de oplossing van al onze problemen», zegt Storay, vroeger journaliste in Afghanistan, nu hoofd van een organisatie voor weduwen en wezen. Men knikt en delibereert. Vergaderingen duren hier eindeloos lang, wie gewend is te werken onder een bevolking die voor meer dan tachtig procent analfabeet is, weet dat je dingen maar beter een paar keer kunt herhalen als je wilt dat ze doordringen.

«Alleenstaande vrouwen zijn het grootste probleem», zegt Noreen, zelf weduwe. «In Af ghanistan konden we kiezen tussen bedelen of prostitutie. Totdat bedelen werd verboden en op prostitutie de doodstraf kwam te staan. Maar hier is het niet veel beter. We hebben geen wettelijke identiteit, kunnen geen huis huren, geen lening krijgen, worden geminacht omdat onze families ons blijkbaar hebben verstoten. We kunnen alleen werken in de tapijtindustrie en in de baksteenfabrieken, met hun schuldslavernij. Kwetsbaar als we zijn krijgen we daar nauwelijks betaald, seksueel geweld is aan de orde van de dag en we kunnen nergens heen.»

«Onderwijs is leuk en goed, maar veiligheid is veel belangrijker», roept iemand. Een veelbetekenend onderscheid in benadering komt aan het licht. Want willen we nu de positie van vrouwen verbeteren binnen de bestaande beperkingen of moet er iets anders gebeuren? «Het komt nooit meer goed als vrouwen niet leren wat hun rechten zijn en daarvoor opkomen. Het heeft geen zin om ze onderwijs te geven om ze betere islamitische echtgenotes te maken.» Het zijn steevast de vrouwen met de meeste lappen om die de radicaalste taal uitslaan. Alsof modern geklede vrouwen hun moderniteit compenseren met gematigde taal en omgekeerd.

Terug in het kamp hebben de vrouwen zich verzameld op de speelplaats. Het is een mooie avond, het eten kan nog wel even wachten. Ze hebben het maar druk; de Wereldbank gaat een programma opzetten met microkrediet waaraan ze kunnen meedoen. Vorige week is een groep begonnen met het vervaardigen van rookloze ovens, die willen ze allemaal graag hebben. Morgen komt er iemand lesgeven over gezonde voeding, de schijf van vijf. En kan er nou eens iemand gaan praten met die burka van vanmiddag, bij welke familie hoort ze eigenlijk?

Aziza, knaloranje sjaal, vlammende ogen, die in beraad was met haar buurvrouw over het arrangeren van het huwelijk van haar zeventienjarige zoon, kijkt op en zegt gepassioneerd: «Ik ga wel, zo hoeft het toch niet meer. We moeten toch niet terug naar die achterlijkheid. En trouwens, mijn dochter heeft de tiende klas doorlopen hier in het kamp en we hebben besloten om haar naar de middelbare school te sturen in Peshawar, ze kan meerijden met de verpleegster van de kliniek. Dan weten jullie het vast. Ik zie geen andere manier om te zorgen dat ze hier ooit vandaan komt.» Fahkra staart peinzend naar de ondergaande zon: «Misschien kan de mijne dan volgend jaar ook mee.» Aziza lacht: «Dan zou ik daar vanavond maar vast over beginnen met die man van jou.»