Achterhaalde en onbewezen theorieën

Om te geloven dat een kernbom in handen van de Iraanse ayatollahs de wereld veiliger maakt, moet je het gezond verstand wel bruut op slot zetten. Helaas doen sommige mensen dat nog steeds.

AMSTERDAM – Stel: u woont in een onveilige buurt waar regelmatig gevochten wordt. Sinds kort lopen er mensen door de buurt met vuurwapens en dat zorgt voor onrust. Nu beweert iemand in wijd uiteenlopende bespiegelingen dat het veiliger zou zijn als er meer vuurwapens de buurt in komen, want dan gaan de vuurgevaarlijke inwoners voorzichtiger met elkaar om – dat er totnogtoe geen dode viel, bewijst immers hoe veilig die pistolen zijn. Zou u zulke onzin slikken, zeker als degenen die het hardst op zoek zijn naar een vuurwapen het tuig van de buurt zijn?

Over een paar maanden (een paar jaar, of hopelijk langer), als de fanatici die in Teheran de scepter zwaaien aankondigen dat zij «voor puur defensieve doeleinden» een kernwapen hebben ontwikkeld, zullen leden van de westerse intelligentsia u deze onzin gaan voorhouden, maar dan gegoten in een jasje van nimmer bewezen theorieën over de aard van internationale betrekkingen en nucleaire strategie. Laat u niet voor de gek houden: het sinistere regime van Iran – wiens president graag rondbazuint dat hij een andere atoommacht «van de kaart» wil vegen – dat banden heeft met allerhande religieus geïnspireerde terreurgroepen, dat mensen als u laat martelen en verdwijnen en dat hard zijn best doet zijn onkiese staatsvorm over het Midden-Oosten te verspreiden, zou een rampzalige aanwinst zijn op het steeds akeliger wordende lijstje nucleair bewapende staten. Na de intrede in die eliteclub van Noord-Korea (ongetwijfeld ’s werelds naarste dictatuur) en Pakistan (dat immer uit handen van algemene chaos en religieuze extremisten tracht te blijven) zou je toch hopen dat de urgentie van de strijd tegen nucleaire proliferatie evident is voor iedereen. Helaas is dat niet het geval.

Aan die bizarre verblinding van verstandige mensen ligt een van de meest rampzalige takken van wetenschap ten grondslag: nucleaire strategie. De auteur van het beste en meest gebruikte handboek over dat onderwerp, de Britse hoogleraar Lawrence Freedman, schreef in The Evolution of Nuclear Strategy dat spreken van «evolutie van nucleaire strategie» eigenlijk misleidend is: «Het suggereert vooruitgang, meer begrip van het onderwerp dan twintig, dertig of zelfs maar tien jaar geleden. Dat is volgens mij niet waar. Wat opvalt, is juist het cyclische karakter van het debat.»

De reden daarvoor is dat nucleaire strategie abstract getheoretiseer in de ruimte betreft, nadenken over iets wat nooit gebeurd is (een kernoorlog) en wat dus ook nooit gecontroleerd kan worden. Er is nooit input van echte feiten die het debat vooruit kunnen helpen, want er zijn geen kernoorlogen. En dus doken in het vakgebied steeds dezelfde ideeën op, tot bijna niemand er meer zin in had. Bovendien leidden alle herkauwde theorieën, bedacht door mannen die met hun denkkracht de wereld veiliger wilden maken, in praktijk alleen tot steeds grotere arsenalen en dus steeds grotere potentiële destructie. De strategen raakten meer dan eens gedesillusioneerd en de eens zo bloeiende academische discipline «strategische studies» stierf na de Koude Oorlog een stille dood.

Het bizarre rond-en-ronddraaien van ideeën en theorieën staat ook centraal in het wellicht beste boek dat ooit over nucleaire zaken werd geschreven: het meeslepende The Wizards of Armageddon van politicoloog Fred Kaplan, die voor zijn relaas honderden mensen interviewde die hun hele productieve leven aan nucleaire strategie hadden besteed. Kaplans conclusie was al even dodelijk als die van Freedman: «Vanwege het ontbreken van elke realiteit waar hun abstracte theorieën in geworteld waren, behandelden de [nucleaire] strategen die op machtsposities terechtkwamen de theorie alsof ze zelf de werkelijkheid was.» Het zou rampzalig zijn als dat weer gebeurde en het soort getheoretiseer dat zo tragisch faalde tijdens de Koude Oorlog zou leiden tot een sussende houding in het Westen ten opzichte van nucleaire proliferatie naar landen als Iran.

De proliferatie-is-goed-theorie is gebaseerd op het idee dat natiestaten allemaal – het verschil tussen liberale democratieën, extremistische dictaturen en andere staten doet er volgens de theoretici niet toe – doen wat hun voortbestaan het best garandeert. Ze zullen altijd rationele beslissingen nemen, daarom nooit een kernwapen gebruiken tegen een andere atoommacht en waarschijnlijk ook geen conventionele oorlog beginnen. Daarom is proliferatie goed, kijk maar in de geschiedenis: de VS en de Sovjet-Unie voerden nooit een «hete» oorlog en de kemphanen India en Pakistan zijn sinds hun nucleaire status vredig. Dit lijkt op het eerste gezicht plausibel. Wie beter kijkt naar de geschiedenis en de gevaren van kernwapens, ziet dat het niets meer betreft dan een opgetuigde versie van «eind goed, al goed»: omdat het nooit misging, was het kennelijk allemaal veilig. Jammer genoeg is de werkelijkheid minder rooskleurig.

De strijd tussen theorie en werkelijkheid van kernwapens kwam tot uiting in polemieken tussen de vader van de «realistische school» in de internationale betrekkingen, de Amerikaanse politicoloog Kenneth Waltz, en zijn vakgenoot Scott Sagan. De polemieken werden in verschillende vakbladen en later in boekvorm gepubliceerd. Sagan wierp Waltz in allerlei vormen steeds hetzelfde voor de voeten: je kunt wel zeggen dat het grootste gevaar van kernwapens erin ligt dat de ene staat ze «rationeel» inzet tegen een ander, maar hoe weet je dat? De ervaring van de Koude Oorlog en de huidige stand van zaken in de wereld suggereren iets heel anders: een veel groter gevaar ligt er in de eerste plaats in dat mensen, met al hun emoties als angst, woede en verwarring, moeten beslissen over kernwapens en niet iets abstracts als «rationele staten». Het tweede groter gevaar (Sagan betoogde dit voor 11 september 2001) ligt in terrorisme en het derde bij allerhande onvoorziene fouten.

Wat de onvoorziene fouten betreft is er al een lange lijst bevestigde en onbevestigde ongelukken waarvan de details van de toedracht niet altijd duidelijk zijn, maar die elk tot rampen hadden kunnen leiden: radar- en luchtverdedigingsfouten die een algehele kernoorlog hadden kunnen uitlokken (met idiote aanleidingen als een opkomende maan of bij lanceercentra inbrekende beren), gevechtsvliegtuigen die neerstortten met nucleaire wapens aan boord (wat de VS betreft in Spanje, de Stille Oceaan en Groenland), wapens die «zoek» bleken (zoals de beruchte «kofferbommen» die volgens de Russische generaal Lebed onvindbaar zijn), pogingen tot diefstal of sabotage (zoals een vermoedelijke sabotagepoging van een suïcidale Russische onderzeebootkapitein), oefentapes voor een eventuele kernoorlog die in commandocomputers bleven zitten en allerhande andere fouten die de geautomatiseerde Amerikaanse en gedateerde Russische lanceersystemen plaagden en plagen. Om een lang verhaal kort te maken: met kernwapens kan heel veel mis gaan, en minder is daarom per definitie veiliger.

Dan is er het eerder genoemde terrorismegevaar. Hier kunnen we kort over zijn: alleen wie blind is voor de realiteit zal volhouden dat de kans dat terroristen een kernwapen weten te kopen of stelen niet toeneemt als Iran ze heeft. Als iemand alle kans heeft zich over Iran te informeren, is die blindheid des te kwalijker.

En ten slotte: de mensen die met al hun tekortkomingen over kernwapens moeten beslissen. Zoals Boris Jeltsin, die achter «de knop» kroop vanwege een al weken aangekondigde Noorse weerraket, of Henry Kissinger, die bijna een nucleaire crisis uitlokte tijdens de Yom Kippoer-oorlog, omdat hij meende dat irrationeel gedrag (in zijn geval het omhoog gooien van het Amerikaanse alarmniveau) juist «rationeel» was als het om kernwapens ging.

Er is eigenlijk maar één sterk argument voor de proliferatie-is-goed-theorie, namelijk dat de Koude Oorlog nooit tot een «hete» oorlog kwam. Het valt niet te ontkennen dat het feit dat de Sovjet-Unie en de VS kernwapens hadden, bijdroeg aan het uitblijven van oorlog om, bijvoorbeeld, Berlijn. Het Amerikaanse atoomarsenaal stond centraal in de verdediging van het Westen tegen de Sovjet-Unie en alleen wie ideologisch gemotiveerd is, gelooft nog dat Stalin geen plannen had die door de Amerikaanse kernmacht werden doorkruist.

Wie echter de Koude Oorlog aanvoert als argument, vergeet het belangrijkste van de hele redenering: uitleggen wat voor garanties de ervaring van de Koude Oorlog in hemelsnaam geeft over toekomstige potentiële crises tussen bijvoorbeeld Israël en Iran. Erop wijzen dat er nooit een oorlog is gevoerd tussen kernmachten, zegt niet zoveel als er maar een handvol kernmachten is, als zij allemaal slechts sinds kort kernwapens hebben en slechts een paar kernmachten een strategische rivaliteit koesteren die groot genoeg is om plausibel tot een oorlog te leiden. Zo gemakkelijk laat de geschiedenis zich niet in harde regels gooien, hoe graag politicologen ook claimen dat zij de wetten der internationale betrekkingen hebben ontdekt.

De bijna-oorlog tussen India en Pakistan van 2001 wordt door proliferatie-is-goed-theoretici aangevoerd als bewijs van hun theorie: er werd toch niet gevochten? Wie meer weet van de oorlog, weet hoe dicht India bij een invasie kwam en hoe onvoorspelbaar de Pakistaanse reactie daarop was (hoge politici en militairen herinneren zich de paniek en tegelijkertijd de bravoure in die situatie waarin niemand precies wist hoe en door wie zou worden beslist over inzet van kernwapens). Een net-niet-oorlog met potentieel tientallen miljoenen burgerdoden: wie daardoor positief komt te staan tegenover nucleaire proliferatie, redeneert echt verkeerd.

Verkeerd redeneren met betrekking tot kernwapens heeft de wereld opgezadeld met een krankzinnige hoeveelheid massavernietigingsmateriaal dat op allerlei manieren rampspoed kan brengen. Te veel mensen geloven dat zij niet hoeven uit te leggen waarom het «realistisch» is om te accepteren dat we tienduizenden kernwapens niet kunnen reduceren en dat we proliferatie nooit kunnen tegenhouden – en dat dus ook niet uit alle macht moeten proberen.

Niets is minder waar. Strijd tegen proliferatie heeft ervoor gezorgd dat vele landen hun kernwapenprogramma hebben gestaakt – landen als Libië, Argentinië, Algerije. Andere landen hebben hun kernwapens opgegeven, zoals Zuid-Afrika, Oekraïne en Kazachstan. Weer andere landen houden door internationale controles hun kernwapenprogramma binnen bepaalde grenzen, zoals Brazilië en Zuid-Korea. Tientallen andere landen worden door het taboe op kernwapens ervan weerhouden kernwapens te ontwikkelen, terwijl zij dat gemakkelijk zouden kunnen. Het is gekkenwerk om dat taboe sneller te laten slijten dan nodig, enkel omdat het «realistisch» zou zijn te stellen dat nucleaire proliferatie toch wel plaats zal vinden. Sinds de eerste kernexplosie zijn er maar zeven of acht kernwapenstaten bijgekomen in meer dan zestig jaar – een enorm succes.

Laat uw gezonde verstand niet uitschakelen door ongefundeerd «realisme» en nimmer bewezen theorieën over «rationele staten». Met Iran als kernwapenstaat zou Saoedi-Arabië zijn al vergevorderde kernwapenprogramma kunnen afronden, met Syrië en Egypte als mogelijke volgelingen, met alle nieuwe gevaren van sabotage, diefstal of een per ongeluk geprovoceerde kernoorlog met Israël daarbij. Het Midden-Oosten moet daarvoor worden behoed. Dat betekent niet dat we Iran moeten bombarderen, maar wie gelooft dat de internationale gemeenschap geen andere optie heeft dan dat, redeneert even kortzichtig als de staatsman die zij ervan verdenken zulke aanvalsplannen te koesteren. Europa doet er in deze crisis toe, als partij die met Iran onderhandelt en instrumenteel zal zijn in het bouwen van een internationale coalitie tegen Teheran. Wie in woord en geschrift of anderszins de publieke basis in Europese landen voor dat beleid ondergraaft, zal straks moreel medeverantwoordelijk zijn als een Iraans kernwapen tot rampen leidt. l