Opheffer  

Achterkant van het gelijk

Mijn grootvader zat bij het Indisch verzet – veel hoor je daar niet over. Ik geloof niet dat er ergens een monument voor de Indische verzetsmensen bestaat, en wat mij betreft hoeft dat ook niet. Hoe dan ook, hij werd door Japanners ‘ontdekt’. Hij werd gearresteerd en gemarteld. Ik zal niet in extenso de Japanse martelmethodes beschrijven, maar het eindigde aldus: nadat hoofd en romp waren gescheiden, legden ze de twee delen van mijn grootvader op een handkar en droegen een ‘djogos’ op hem naar mijn grootmoeder te rijden, zodat die hem ter aarde kon bestellen.
Ondertussen werden mijn vader én mijn moeder gemarteld. Mijn moeder werd gewoon geschopt en geslagen tot ze bewusteloos raakte en mijn vader – die uit de jungle een paar kokosnoten had gestolen – moest zijn graf graven en zou geëxecuteerd worden. Maar omdat hij groot en sterk was, kreeg mijn vader dispensatie en moest hij de ‘kamphond’, een wilde hond die op het krijgsgevangenencomplex rondliep en die mijn vader zo goed en zo kwaad als het ging verzorgde, eigenhandig doden middels ophanging. De hond moest goed zichtbaar hoog in een boom opgehangen worden, opdat hij niet door de hongerige medegevangenen opgegeten kon worden.

Zo martel je mensen. Beide ouders hadden letterlijk littekens op hun huid en geest, beiden kwamen gestoord terug uit de oorlog.

Ik schrijf dit op om het martelen door de Nederlandse soldaten in Irak te nuanceren. Als ze hebben gemarteld, moeten die soldaten de ergste straf krijgen die er te geven is, maar ondertussen moeten we alles wel in perspectief zien, zoals een politicus pleegt te zeggen. Met een brandslang gevangenen natspuiten, gevangenen storen met harde muziek of ze een desoriënterende motorhelm opzetten – fijn is het allemaal niet, maar het is geen martelen. Martelen is onherstelbare schade aanrichten of de opzet hebben onherstelbare schade aan te richten. Het overige is de consequentie van een oorlogshandeling. En we waren in Irak in oorlog, al werd dat een ‘vredesmissie’ genoemd.

Naar aanleiding van de uitspraak in Irak waarbij Saddam Hoessein de doodstraf kreeg opgelegd, werd er geregeld beweerd dat die doodstraf niet mocht worden toegejuicht, omdat we hier principieel tegen de doodstraf zijn. Maar zijn we ook principieel tegen de doodstraf in een oorlogssituatie? We kennen oorlogsrecht, daarin bestaat de doodstraf. Teneinde je land te bevrijden mag er gedood worden. En tegen landverraders mogen we ook de doodstraf uitspreken. Mussert hebben we geëxecuteerd. Waren we in Irak niet in oorlog? We vochten die oorlog in Irak om het land de mogelijkheden te geven een democratie te vestigen. Saddam werd gearresteerd en berecht. Als dat een eerlijk proces is geweest – daar ziet het trouwens niet naar uit – en hij wordt veroordeeld tot de doodstraf, dan valt daar iets voor te zeggen.

Met martelen is het iets anders. Daar doet zich ook een paradox voor. Martelen mag niet, Taliban-strijders doodschieten omdat ze je aanvallen mag wel. Mag je dan Taliban-strijders ‘ondervragen’ en enigszins onder druk zetten, omdat je wilt voorkomen dat er nog meer doden vallen? Het zijn achterkant-van-het-gelijk-vragen: mag ik een kind doden als ik daarmee een ramp als de aanslag op de Twin Towers kan voorkomen? Mag ik een kind doden als ik weet dat zijn ouders hem een vuile atoombom hebben omgegord en hij op weg is om die in het centrum van Amsterdam te laten ontploffen? Mijn antwoord is ‘ja’.

En martelen om informatie naar boven te krijgen? Mijn grootvader had informatie die de Jappen wilden hebben. Toen hij in het verzet ging, nam hij bepaalde risico’s. Zoals bij ons thuis enigszins bitter werd vastgesteld: ‘Hij is als strijder gestorven voor het vaderland.’ Dat hij gemarteld werd, hebben we de Jappen nooit echt kwalijk genomen. Ze werden er thuis wel om gehaat. Daarin zit een verschil.