Ger Groot

Achterlijk modern

In het begin van de moderne tijd werd er vanuit het Nederlands zelden iets vertaald. De wereldtalen leken, net als nu, voldoende te hebben aan zichzelf en elkaar. Alleen de rolverdeling was verschillend. Naast het Latijn werd de dienst uitgemaakt door het Italiaans, Spaans en Frans, op grote afstand gevolgd door het Duits.

Ook het Engels kwam er nog lang niet aan te pas, zo stelde de historicus Peter Burke vorige maand vast in zijn afscheidsrede Ik vertaal, dus ik ben (KB/Bert Bakker). Hij sloot er zijn fellowship aan de Koninklijke Bibliotheek mee af, na een onderzoek naar wat er in de zestiende en zeventiende eeuw in Europa zoal werd vertaald: door wie, uit welke talen en waarom. Het Nederlands en het Engels zijn er twee treurige muurbloempjes in. Zij namen grif uit andere talen over, maar waren zelf zo weinig in trek dat ze van arren moede elkaar maar vertaalden.

Gezien de toenmalige verhoudingen is dat vreemd. Beide landen waren grootmachten met een bloeiend geestesleven, maar op oudere culturen maakte dat weinig indruk. Terwijl Don Quixote direct in het Engels werd vertaald (en waarschijnlijk door Shakespeare gelezen) duurde het tot 1654 voordat een toneelstuk van die laatste in een andere taal verscheen. The Taming of the Shrew werd in het Nederlands De dolle bruiloft, bijna negentig jaar voordat een Duitse Julius Caesar het licht zag die gewoonlijk als de eerste Shakespeare-vertaling wordt beschouwd.

Begrijpelijk is dat wel. Pas in de achttiende eeuw kreeg Shakespeare op het vasteland voet aan de grond, om in de Romantiek de literaire gigant te worden die hij gebleven is. Volgens Schopenhauer bracht zijn werk de woestheid van de Wereldwil tot uitdrukking, die door de strengheid van het classicisme vergeefs werd verhuld. Hoewel hij ook Goethes klassieke tragedie Clavigo bewierookte, was de toekomst volgens hem aan de bard van ’s levens felheid, die zich door geen vormvoorschriften liet gezeggen.

Wellicht onbewust spiegelde zijn verwachting zich daarmee aan het verleden: niet de oudheid maar de Middeleeuwen, waarin Shakespeares toneel nog stevig wortelde. De scène-achtige opbouw ervan vloekt even vanzelfsprekend met het beheerste ontwerp van het classicisme als hij samenvloeit met de stijlvormen van de film, die Shakespeare tot de mediageniekste auteur uit de literatuurgeschiedenis heeft gemaakt. De wet van de stimulerende achterstand vond in hem zijn sprekendste literaire voorbeeld en maakt tegelijk de aanvankelijke aarzeling van het vasteland begrijpelijk. Shakespeare was als halve middeleeuwer voor de verlichte moderniteit eenvoudigweg te achterlijk.

Voor de Nederlandse letteren geldt zoiets niet. Vondel hield zich zorgvuldig aan de klassieke dramaregels maar drong nooit door tot het buitenland, evenmin als Hooft, volgens Burke een van de grootste historici van zijn tijd. Thomas a Kempis lukte het wél met een religieus individualisme dat net zo modern was als dat van de snel in het Nederlands vertaalde John Bunyan.

Wat Nederland op literair vlak aan achterlijkheid miste, haalde het op politiek gebied weer in. De republikeinse staatsvorm was tijdens het verlicht absolutisme hopeloos verouderd, maar ook daarin bleek de achterstand op termijn een zegen. In de twintigste eeuw ging het monarchisme ten onder aan een democratisch besef dat hoogstens nog symbolisch een gekroond hoofd tolereerde. Zelfs daarin liepen de Lage Landen achter. Nadat in de Franse en Amerikaanse revoluties de presidentiële staatsvorm maatgevend was geworden, kozen Nederland en België alsnog voor het koningschap.

Of waren zij hun tijd heimelijk vooruit? Nu al maakt het Republikeins Genootschap net zo’n stoffige indruk als de godsdienstkritiek van sommige unzeitgemässe Verlichters. Achterlijkheid slaat in de geschiedenis gemakkelijk in haar tegendeel om. Dat maakt ook de toekomst onvoorspelbaar. Hoe houdbaar is Shakespeare als de literaire nummer één die Angelsaksische critici steevast in hem zien? Hoe lang duurt nog de comeback van het classicisme van Racine? En wanneer breken – dichter bij huis – Hoofts Historiën eens door?