Twee vertalingen van Chaim Be'er

Achteromkijken

Deze week, precies 33 jaar na Israels overwinning in de Zesdaagse Oorlog, verschijnen twee vertalingen van werk van de auteur Chaim Be'er. Is de euforie nog zo groot als toen?

Jeruzalem - Schrijver Chaim Be'er kijkt uit over het Zionsplein. «Ik groeide op in de jaren vijftig, tussen de Onafhankelijkheidsoorlog van 1948 en de Zesdaagse Oorlog van 1967. Joods Jeruzalem was destijds een deel van een metropool, een deel van een droom. Er gingen geen bussen naar het zuiden, het noorden of het oosten. We konden alleen een bus nemen naar het westen, naar Tel Aviv. Onze stad, ooit het centrum van de wereld, was nog slechts het slot van een appendix. We leefden met het schrikbeeld van miljoenen ons omringende Arabieren en vreesden dat op een zekere dag Arabische legers Jeruzalem zouden binnenvallen. Ik was altijd bang voor de geluiden van de nacht, raakte in paniek als ik in het donker schoten hoorde. Maar ik was ook nieuwsgierig naar die andere wereld. Ik herinner me hoe we op de hoge huizen van Jeruzalem gingen staan om over de grens te kijken. We beschouwden onszelf als de poortwachters van Europa.» Be'er (1945) haalt zijn jeugdherinneringen op. Jeruzalem in de jaren vijftig vormt het decor van zijn onlangs vertaalde romans Een venster op de hemel (Notsot, 1979) en Een deur aan de straat (Chavaliem, 1998). Met name in Een venster op de hemel weerklinkt de echo van het Wenen van weleer. Het echtpaar Ringel gedenkt elk jaar met de Weense kring het bezoek van de Habsburgse keizer Frans Jozef I aan Jeruzalem in de jaren zestig van de negentiende eeuw. Juffrouw Cecilia Schlank, aanhangster van de links-zionistische Poalee-Tsion, liep in Wenen achter de rode vlag tijdens de meibetoging. De excentrieke wereldverbeteraar Leder, de hoofdfiguur van Een venster op de hemel, maakte op jonge leeftijd in Wenen kennis met de joodse utopist Popper-Lynkeus en diens leer. Be'er: «Wenen was de stad van Herzl, de grondlegger van het zionisme. Ook in mijn familie speelde Wenen een belangrijke rol. Jeruzalem was een geheim koninkrijk met Wenen als echte hoofdstad. In Een deur aan de straat beschrijf ik hoe mijn grootmoeder over Wenen droomt, waar haar vader had leren kalligraferen aan de keizerlijke school. Ze kende alle straten en kerken van de stad uit haar hoofd, alhoewel ze er nooit is geweest. » In de Jaffastraat tegenover het Zionsplein staat een gebouw met oriëntaalse boogvensters en gietijzeren balkons. Liefhebbers van vergane glorie logeren in het Ron Hotel dat hierin is gevestigd. Het gebouw herbergt ook de firma Polgat, een herenconfectiezaak. In de jaren vijftig zat hier café Vienna, waar een jongetje - de ik-figuur van het verhaal - door Leder wordt gerekruteerd voor het Voedingsleger dat de honger in de wereld moet gaan bestrijden. «Voor mij als kind was café Vienna het symbool van het Europese leven in de Oriënt», zegt Be'er. «Ik herinner me de typisch Midden-Europese inrichting. De rotanstoelen, de lampenkappen. De obers gekleed in zwart livrei en hagelwitte overhemden. Het café was destijds het centrum van de Duitstalige gemeenschap. Ivriet of Jiddisch hoorde je er niet.» Be'er onthult zijn inspiratiebron voor de Leder-figuur. «Israel Dorion, de vader van mijn beste vriend, de vertaler in het Ivriet van het werk van Popper-Lynkeus. Overdag werkte hij als secretaris van de vakbeweging, ’s nachts wijdde hij zich aan zijn correspondentie over Popper-Lynkeus met Albert Einstein en Sigmund Freud. Hij liet me die brieven lezen. Dat maakte op mij als tienjarig jongetje een enorme indruk. Voedselgebrek zou een groot, mondiaal probleem worden. » We lopen naar de hoek van de David Jellin- en de Jechiël Michal Pinesstraat, een stille plek in de ultraorthodoxe wijk Zichron Mosje. Aanvankelijk tracht Leder zijn idealen door overredingskracht aan de man te brengen. Hij gaat coalities aan met andere idealistische groeperingen: esperantisten, vegetariërs en veganisten. Vervolgens kiest Leder voor de radicale aanpak. Het gezag van de Lynkeaanse staat dient met geweld te worden opgelegd. «Hij ontwikkelt zich net als Ben Goerion van sociaal-democraat tot bolsjewist», stelt Be'er. Na een mislukte bankoverval posteert Leder zich op het balkon van het gebouw op de hoek van voornoemde straten. Hij toont het toegestroomde publiek een pop in de vorm van een kalf, behangen met worsten, kaasdriehoekjes, maanzaadbroodjes en flessen sterke drank. «In de woestijn aanbaden jullie het gouden kalf. En hier aanbidden jullie ‘La vache qui rit'» werpt hij zijn gehoor toe. Vervolgens steekt hij de kalfpop in brand, waarna hij wordt afgevoerd naar een psychiatrische inrichting. «Destijds weigerde het volk de tien geboden van Mozes te accepteren, in mijn roman wijst het volk Leders denkbeelden af», licht Be'er toe. «Leders agressie over die afwijzing slaat als een boemerang op hemzelf terug. In feite pleegt hij een vorm van zelfmoord.» Door zijn slechte karakter is Leder een valse profeet geworden. Be'er tekent met Leders familiegeschiedenis het morele verval van «de oude gemeenschap» in Jeruzalem. Be'er: «Leders grootvader was lid van de moesarbeweging, een vrome religieuze groepering uit Oost-Europa, die een hoogstaande moraal propageerde. Met Leders vader treedt het verval in. Hij maakt zich onmogelijk bij de moesarbeweging door zijn afpersingspraktijken. Hij treedt toe tot een groep waaruit later de antizionistische Natoree Karta zal voortkomen. Na de oprichting van de staat Israel stapten de meeste Natoree Karta-leden gaandeweg over naar de ultraorthodoxe partij Agoedat Jisrael. Om de staatskas te plukken. Zelf maakt Leder het nog bonter. Hij steekt het geld dat hij ophaalt voor het Blindeninstituut in eigen zak en randt bovendien blinde meisjes aan.» Alvorens van het toneel te verdwijnen, houdt Leder het publiek met het «kalf» nog een spiegel voor. Be'er: «Hij toont de vraatzucht van de mensen die zich hebben volgepropt met de door hem zo verfoeide linkse zionistische ideologie. Leder pleegt in feite een aanslag op het linkse zionisme als hij de kalfpop in brand steekt. Tijdens het schrijven van deze scène dacht ik aan de pogroms in Rusland. Daar ging het om het tragische einde van een gemeenschap, hier om het onverkwikkelijke einde van een utopie. Elders in het verhaal gooit juffrouw Schlank een blauw medicijnflesje tegen een berghelling te pletter om de teloorgang van haar zionistische droom te demonstreren. Elke utopie spat ten slotte uit elkaar. Dat is de essentie van Een venster op de hemel. » In Een venster op de hemel speelt de dood ook in de letterlijke betekenis een overheersende rol. Het boek begint en eindigt met de Jom Kippoeroorlog in 1973. Aan de andere kant van het Suezkanaal gaat de volwassen geworden ik-figuur op zoek naar lijken van omgekomen Israelische soldaten. Be'er: «Die oorlog markeert het einde van Jeruzalem als spiegelbeeld van Wenen. Het einde van de oude zionistische droom. Na de Zesdaagse Oorlog heerste er in Israel grote euforie. We hadden gewonnen, de Westelijke Jordaanoever was in ons bezit gekomen. Na de Jom Kippoeroorlog begon een volgende fase. De droom over een Groot-Israel beleefde hoogtijdagen met de oprichting van de religieus-nationalistische beweging Goesj Emoeniem. Maar een ander deel van de Israelische bevolking kwam tot bezinning. We waren bezetters geworden. De droom over Israel als een normaal, democratisch land lag aan gruzelementen.» Bijna twintig jaar na Een venster op de hemel schrijft Chaim Be'er Een deur aan de straat, een autobiografische roman over het huwelijk van zijn ouders, over zijn grootmoeder en zijn ontwikkeling tot schrijver. «In dit boek concentreer ik me op het leven, op de relaties tussen mensen. Ik breng onder meer het ultraorthodoxe milieu van de Jeruzalemse wijk Batee Oengarn in beeld. Daar woonde mijn grootmoeder en groeide mijn moeder op. De ultraorthodoxen maakten mijn grootmoeder het leven zuur omdat ze haar kinderen naar school stuurde. Ik heb grote moeite met hun ideologie. Maar een deel van mijn familie behoort tot die kringen. Hoe dan ook heb ik een persoonlijke band. We komen bij elkaar over de vloer, helpen elkaar als het nodig is. In de kleine meisjes in Batee Oengarn herken ik mijn moeder.» We lopen terug naar het Zionsplein en steken door naar de Sjivtei Jisra'elstraat in Batee Oengarn. De naargeestige armoede van deze oude wijk contrasteert sterk met de levendige, frivole straten tjokvol met winkels en restaurants aan de andere kant van het Zionsplein. Het lijkt wel een sjtetl. Voor het huis van Be'ers grootmoeder passeert een jong ultraorthodox echtpaar, beladen met boodschappen voor de sabbat. Hij heeft pijes, draagt zwarte jas en hoed. Zij is gehuld in een lange, gebloemde jurk, heeft een hoofddoek om en duwt een kinderwagen. Be'er: «Ik ging regelmatig bij mijn grootmoeder op bezoek. Ze was een echte verhalenvertelster. Ze kende de stamboom van haar diep religieuze voorouders vanaf de oorsprong in het stadje Mainz in de vroege Middeleeuwen tot aan de armoedige stadjes in Rusland. Tot in de details vertelde ze me de geschiedenis van haar familie in het Heilige Land, vanaf hun aankomst in Akko in het begin van de negentiende eeuw.» Tegenover grootmoeders huis staat een muur met een poort die toegang biedt tot nauwe straatjes. De muur is het restant van het eerste huis van het Weense echtpaar Ticho dat zich in 1912 in Jeruzalem vestigde. Dokter Ticho was destijds een oogarts van naam en faam. In zijn oogkliniek kwamen patiënten uit het gehele Midden-Oosten. Anna Ticho, zijn vrouw, was schilderes. In de jaren twintig en dertig maakte ze portretten van de patiënten van haar man in de expressionistische stijl van Klimt en Schiele. «Mijn moeder kwam veel bij Anna Ticho over de vloer », vertelt Be'er. «Door Anna Ticho kon mijn moeder zich losmaken van haar religieuze milieu. Ze sloeg een nieuwe richting in. Schilderijen, boeken, daar putte ze kracht uit. Ze haatte de nostalgie van mijn grootmoeder. Haar voorouders beschouwde ze als de vijanden van de vooruitgang. Ik hield van de familieverhalen van mijn grootmoeder en ik volgde het spoor van mijn moeder. Ik ben hun synthese.» We lopen naar de Malchei Jisra'elstraat waar ooit de kruidenierswinkel en woning van Be'ers ouders was. Ook hier bepalen de ultraorthodoxen het straatbeeld: zwarte jassen, zwarte hoeden. Bij een stalletje worden portretten van beroemde asjkenazische en sefardische rabbijnen verkocht. Ik herken rabbijn Ovadia Jousef, de spiritueel leider van Shas. De winkels liggen vol met zilveren kiddoesjbekers, kleurrijke seiderschotels en serviesgoed van kristal. Alleen de façade van het huis van de kruidenierswinkel van Be'ers ouders staat nog overeind. Nu is er een bank. Be'er: «In mijn jeugd was Ge'ula nog een gemengde buurt. Er woonden hier destijds ook veel intellectuelen. Mijn ouders hadden geen goed huwelijk. In de winkel zwaaide mijn moeder de scepter. Mijn vader ging veel naar de synagoge die hij ter nagedachtenis van zijn eerste vrouw had opgericht. Zijn leven stond in het teken van de joods-liturgische zangkunst. In mijn jeugd minachtte ik mijn vader omdat hij als arme winkelier het volstrekte tegenbeeld was van mijn oom, zijn broer, die als een echte zionist het land bewerkte.» Vlakbij de King Georgestraat staat het Artists House, een fraai staaltje van Ottomaanse bouwkunst, waar tentoonstellingen, concerten en dansvoorstellingen plaatsvinden. Be'er beschrijft in Een deur aan de straat het bezoek met zijn moeder aan dit gebouw, het toenmalige Betsal'elmuseum. Ze gaan naar een expositie van houtsneden van de expressionistische kunstenaar Jacob Steinhardt. Be'er: «Mijn moeder speelde een belangrijke rol in mijn ontwikkeling tot schrijver. Ze leerde me de zaken vanuit verschillende perspectieven te belichten. Ik geef een beeld van een personage, kom dan met een tegenbeeld, zoals je ziet in Een deur aan de straat. Ik ben typisch een man van het midden, bevind me altijd op de grens tussen twee krachten. Ik pendel tussen oude, joodse cultuur en nieuwe, Hebreeuwse literatuur, tussen religieus en seculier, tussen niet-zionist en zionist. De kunst is het enige terrein waarop ik volledig mezelf kan zijn. Daar kan ik me vrij bewegen. Mijn identiteit als kunstenaar dank ik aan mijn moeder. Ze is in beide romans de grote heldin. In Een venster op de hemel bevecht ze de dood en de utopie, in Een deur aan de straat staat ze voor de toekomst. Ze gaf niets om grote idee ën, walgde van politiek. Ze was een echte humanist, concentreerde zich vooral op mensen.» Voor Be'er was het schrijven van Een deur aan de straat ook belangrijk om een andere reden. «Ik had een slechte relatie met mijn vader. Ruim 35 jaar na zijn dood wilde ik vrede met hem. Ik droeg een keppeltje om traditionele redenen. Nadat ik Een deur aan de straat had voltooid, heb ik mijn keppeltje afgedaan. Als seculier bleek ik een nieuwe relatie met de joodse God te hebben opgebouwd. Ik houd me in toenemende mate bezig met de joodse cultuur. Op de universiteit van Tel Aviv geef ik les in de relatie tussen nieuwe, Hebreeuwse literatuur en oude, joodse cultuur: Tenach, talmoed, het chassidisme. » Zijn vader nam Be'er mee naar bijeenkomsten van politieke partijen. Be'er: «Dat wekte mijn interesse voor politiek. Mijn belangrijkste boek Et Hazamir (Snoeitijd, 1987 - lg) gaat over het legerrabbinaat. Na de Zesdaagse Oorlog veranderde de Israelische samenleving ingrijpend. De religieuze zionisten ondergingen een metamorfose van loyale staatsburgers tot fanatieke messianisten. De kolonisering van de bezette gebieden, voor hen het Heilige Land, zou de Verlossing bespoedigen. Ik beschrijf de ondergrondse stromingen in die gemeenschap voor de Zesdaagse Oorlog. Die omslag kwam natuurlijk niet uit de lucht vallen.» Ik vraag Be'er naar zijn toekomstperspectief. «Ik ben bang voor de toekomst. Wie is in Israel de bepalende autoriteit? Zijn dat de mensen die democratie en moderniteit voorstaan? Of zijn het de rabbijnen die de joodse wetgeving propageren? Veel Israeli’s zien er heel normaal en eigentijds uit. Maar hun innerlijk portret deugt niet. Dat geldt voor de meerderheid van de Israelische bevolking. Ik ontmoet veel jonge mensen. Als je naar ze luistert hoor je verschrikkelijke teksten. Over de relatie tussen Arabieren en joden, tussen joden en niet-joden. Alle drie de kinderen van een vriend van mij, een linkse kibboetsnik, zijn orthodox geworden. Ze gaan naar mystieke rabbijnen. Je kunt de huidige ontwikkeling vergelijken met autorijden. We keken jarenlang voor ons op de weg. Naar de toekomst. Elke minuut keken we even snel in de spiegel. Naar het verleden. Ik denk altijd: waar kom ik vandaan, waar ga ik heen. Maar veel Israeli’s kijken voornamelijk achterom. Vannacht had ik een verschrikkelijke droom. Ik zat in Haifa in een taxi. De bestuurder draaide zich voortdurend om, om met me te praten. 'Kijk me niet aan’, zei ik, 'kijk op de weg.’ Bij een kruispunt stak iemand over. Een enorme klap. Dood. De ruit zat onder het bloed. Ik voel me er ellendig door. Net alsof het geen droom was maar werkelijkheid. » <h>
Chaim Be'er, Een venster op de hemel: Roman over idealen en Een deur aan de straat: Roman over verbintenissen, Vertaald door Ruben Verhasselt. Uitg. Vassallucci, 300 en 334 blz., beide ƒ49,90