De soldatengeneratie

Achterstevoren de toekomst in

Ontreddering, dat was het heersende gevoel na de Eerste Wereldoorlog. Voor het overige toont deze periode de beperkingen van het begrip «generatie». De soldaten verwerkten hun ervaringen verschillend en intellectuelen stoven vanuit de loopgraaf alle kanten op.

«Hun ogen leken zo immens dat men niets anders zag dan ogen», schreef Wilhelm Hermanns, een van de overlevenden van de slag bij Verdun, over een uit de loopgraaf terugkerende brigade. Diezelfde indruk blijft hangen na het inzien van een willekeurig fotoboek over de Eerste Wereldoorlog. Het zijn niet de afbeeldingen van de doden en gewonden, de groteske verdedigingswerken, de modder of de zinloze aanvals golven die je het langst bijblijven; het zijn de ogen van de soldaten. Ogen die zwijgen, ook als de handen groeten. Blikken die afdwalen tijdens een geanimeerd gesprek. In zichzelf gekeerde gezichten vlak voordat het sein tot de aanval klinkt. Doffe ogen in juichende gezichten, ver wilderde blikken van shellshock-patiënten en gasslachtoffers.

De afgrond die de soldaten zagen wanneer ze de blik naar binnen richtten, was minstens zo gruwelijk als de uiterlijke verschrikkingen. Ze waren niet alleen slachtoffers, zoals de antioorlogs propaganda van toen en later hen afschilderde, ze waren daders, medeplichtigen, lafaards of voyeurs tegen wil en dank. De onontkoombaarheid van dood, angst en eenzaamheid maakte van de loopgraaf een «biechtstoel», aldus de veteraan en schrijver Roland Dorgelès. Hij bracht een innerlijke verscheurdheid aan het licht die westerse filosofen, schrijvers en ideeënhistorici tot de dag van vandaag bezighoudt. Pacifisten proefden bloed; jongens die zich strijdlustig hadden aangemeld, kwamen als stamelende wrakken terug. Puriteinen ontdekten de mannenvriendschap, atheïsten vonden God en gelovigen verloren hem. Hoogdravende politieke beginselen, maar ook eenvoudige principes van medemenselijkheid werden te licht bevonden. In het algemeen veroorzaakte de oorlog een blijvend onbehagen in de westerse cultuur, de techniek en de vooruitgang.

Voorzover ze zich erover uitlieten, getuigden ook eenvoudige soldaten van hun diepe morele crisis. De meesten keerden ongeschonden terug en namen hun vooroorlogse bestaan weer op, maar de ervaring had hun oude zekerheden weggeslagen. Dat gold des te meer voor de miljoenen die hun draai niet meer konden vinden in de burgermaatschappij. De «echte» wereld was ondermijnd, schrijft de Letse historicus Modris Eksteins in zijn monumentale studie Rites of Spring (1989): «De ironische ondertoon uit de oorlog werd de boventoon van na de oorlog.» Het surrealisme werd niet voor niets geboren in de loopgraven. «Dit was geen kunstenaarsvisioen, maar alledaagse werkelijkheid», schrijven de historici Jay Winter en Blaine Baggett droogjes bij een foto van een uitgedroogd paardenkadaver dat in een boom hangt en de voorbijganger toegrijnst.

De menselijke gevolgen van de strijd werden pas na de Vrede van Versailles voor iedereen zichtbaar. De straten van de grote steden werden bevolkt door bedelende oorlogsinvaliden, hele streken waren ontvolkt, miljoenen soldaten en hun nabestaanden bleven verweesd of verarmd achter omdat pensioenen mondjesmaat werden uitgekeerd of niet aangepast aan de inflatie. De dood bleef onverminderd rondwaren onder de overlevenden. «Honderdduizenden ouders, echtgenotes, zoons, dochters, vrienden en vriendinnen keken hulpeloos toe hoe beminde, voormalige soldaten uiteindelijk de strijd tegen hun lichamelijke wonden verloren. Anderen verloren de strijd tegen de geestelijke wonden die de oorlog had geslagen, waarbij zich verwijdering van geliefden van voor de oorlog voegde, en pleegden zelfmoord», schrijft Leo van Bergen, medisch historicus en schrijver van het Nederlandstalige standaardwerk over de Eerste Wereldoorlog, Zacht en eervol (1999).

De oorlog mobiliseerde het Europese intellect, de etherische Marcel Proust in zijn met kurk gecapitonneerde slaapkamer niet minder dan de mannetjesputter Ernst Jünger. Door de onbevattelijkheid van de gebeurtenissen werden ze zonder uitzondering gedwongen tot een vlucht in fantasmatische sferen. Volgens Eksteins werd het een «algemene tendens om de oorlog als een vorm van kunst te beschouwen, een prachtige, meer dan levensgrote afbeelding van het leven; slechts als de mensheid inzag dat haar redding in esthetische waarden, in de symboliek van leven en dood besloten lag en niet in steriele maatschappelijke normen, zouden de verschrikkingen en het leed een zin krijgen en overwonnen kunnen worden». Naderhand volgden de desillusie, de artistieke zelfmoord (zoals bij Henri James of Rudyard Kipling, die geen woord meer op papier kregen) of de bekering tot een radicale stroming die tabula rasa moest maken met de heersende smaak of de verrotte burgersamenleving.

De radicalen introduceerden een nieuwe, agressieve stijl in kunst en politiek, alsof ze de oorlog met andere middelen wilden voortzetten. In Duitsland schiepen ze het klimaat voor de politieke moorden en straatgevechten van de Weimar republiek. In zijn kroniek van het Franse intellectuelendom, Les aventures de la liberté (1991), schrijft Bernard-Henri Levy dat de oorlog een nieuw type intellectueel voortbracht, gedreven door de «koppensnellersmentaliteit» die de grote debatten van de twintigste eeuw zou kenmerken. Sommigen bekeerden zich tot het communisme als enig overgebleven drager van de vooruit gangs idee en het rationalisme, anderen (vooral in Duitsland) groeven zich in op de rechterflank en ondernamen niet veel later een nieuwe stormloop op diezelfde waarden.

Ook onder schrijvers leidden overeenkomstige ervaringen tot allesbehalve gelijke denkbeelden. Het duidelijkst bleek dat in het naoorlogse Duitsland, waar de tweedeling in oorlogs- en antioorlogsliteratuur wel opging voor de auteurs, maar eigenlijk niet voor hun boeken. Enerzijds had je de aanklagers als Toller en Remarque, die de oorlog als een zondeval beschouwden, anderzijds de verheerlijkers als Jünger en Lehmann, die hem als een «grootse tijd» bewierookten. Maar dat verschil blijkt niet uit hun onderwerpen of hun taal, alleen uit de interpretatie die ze eraan gaven. Hetzelfde geldt voor veel Franse en Britse schrijvers. Het enige wat hun werken verbindt, is de ervaring van totale ontreddering in een moreel niemandsland, gesymboliseerd door omgeploegde aarde, het leven te midden van lijken en het ontbreken van huizen, dorpen en alle andere sporen van beschaafd leven.

Als één episode in de Europese geschiedenis de beperkingen van het begrip «generatie» illustreert, is het dus wel deze oorlog. Het sociologische begrip «generatie» betekent zoveel als: een leeftijdsgroep die een gemeenschappelijke, vormende ervaring doormaakt. De Eerste Wereldoorlog was bij uitstek een vormende ervaring, maar daar is, wat de loopgraafpopulatie betreft, alles mee gezegd. Zo verschillend als ze de loopgraaf in gingen, zo verschillend verwerkten de soldaten hun ervaringen. Het onderscheid was zo groot dat veteranen als Adolf Hitler, Winston Churchill en Charles de Gaulle 25 jaar later hun volken ten strijde voerden uit naam van tegenovergestelde principes.

Het kenmerk van de intellectuelen is dat ze na het verlaten van de loopgraaf alle kanten op stoven, maar dat gold niet voor de hele leeftijdsgroep. En dat is maar een van de vele misverstanden. «Je leest nog wel eens dat die hele generatie weggevaagd zou zijn, maar dat klopt eenvoudig niet», zegt Van Bergen. «Het aantal slachtoffers in heel Europa bedroeg maximaal vijftien miljoen doden, gehandicapten en shellshock-patiënten van tussen de achttien en dertig jaar oud. Dat is maar een klein deel van een demografische generatie die in de honderden miljoenen liep. De Britten spreken graag van hun lost generation, maar dat slaat bij nader inzien op de bovenlaag van de Oxbridge boys die als officieren voorop gingen en bijna allemaal zijn neergemaaid. Ons hedendaagse denkbeeld dat een oorlogsgeneratie vanzelfsprekend getraumatiseerd is, gaat ook niet op. De meeste soldaten ondervonden geen blijvende geestelijke schade.»

Niettemin veroorzaakte de oorlog een aardverschuiving in de Europese cultuur, en het was wel degelijk de loopgraafgeneratie die het intellectuele klimaat van de jaren twintig en dertig bepaalde. Zoals de historicus Eric Hobsbawm opmerkt, vind je het grootste cultuurpessimisme vooral onder Oost- en Midden-Europese intellectuelen en kunstenaars. Hun grote werken — zoals Alban Bergs opera Wozzeck (1926), de stukken van Brecht, Isaak Babels De rode cavalerie (1926) of Karl Kraus’ De laatste dagen van de mensheid (1922) — hebben een apocalyptische ondertoon. Franz Kafka schilderde de wereld af als een ondoorgrondelijk labyrint. Walter Benjamin bestempelde het schilderij Angelus Novus van Paul Klee tot zinnebeeld van het menselijk onvermogen: «Zijn gezicht is naar het verleden gekeerd. Er steekt een storm op uit de richting van het Paradijs en die storm blaast hem hulpeloos de toekomst in, achterstevoren, terwijl de puinhopen aan zijn voeten tot in de hemel reiken. Die storm is wat wij de vooruitgang noemen.»

Niet alleen het vooruitgangsoptimisme was gebroken, ook het geloof in de zedelijke opdracht van de mens. «Hoe komt het», schreef Albert Einstein in 1932 aan Sigmund Freud, «dat mas sa’s zich zo laten ophitsen? Is vernietiging een innerlijke drang van de mens die gewoonlijk verborgen blijft maar simpel kan worden opgewekt?» In zijn antwoord greep Freud terug op zijn bekende these dat elke vorm van beschaving wordt betaald met een verdringing van onze elementaire verlangens. «De wil om te vechten hangt af van een aantal motieven die zowel nobel als onuitsprekelijk zijn. Het doodsinstinct zou de mens vernietigen als het niet op andere objecten werd gericht dan de eigen persoon, zodat het individu zijn eigen leven spaart. De hatelijke en gevaarlijke aandriften waartegen wij mensen ons verzetten, zijn natuurlijker dan de weerstand die we ertegenover stellen.» Van daar was het maar een kleine stap naar de gedachte dat strijden en sterven de heroïsche bestemmingen van de mens zijn. Binnen een jaar kwam Adolf Hitler, het grootste Frontschwein van allemaal, aan de macht.