TONEEL

Achterwaartse vooruitblik

Veelbelovend

Dit najaar wordt herdacht dat veertig jaar geleden tomaten, rookbommen en verwensingen werden gegooid naar het Amsterdamse toneelgezelschap Nederlandse Comedie. Een van de aanleidingen lag in een zaaltje in Felix Meritis aan de Keizersgracht. Daar ging op 11 juni 1969 Gezang van de Lusitaanse Bullebak in première, een rauw-poëtisch tekstoratorium van Peter Weiss over de koloniale oorlog van Portugal in Angola. De regie was van de jonge regisseur Leonard Frank, de muziek van Willem Breuker, een van de gastacteurs heette Hidde Maas, de actrices (waaronder Kitty Courbois) hadden allemaal een vast contract bij… jawel: de Nederlandse Comedie. Het uitvoerend gezelschap noemde zich Werktheater van de Nederlandse Comedie, één jaar voor het echte Werkteater werd opgericht. De directie had dit experiment, dat een enerverende en sterke voorstelling opleverde, oogluikend toegestaan. Na zeventien voorstellingen was het voorbij. En nee, er kwam geen vervolg. Wat dom was van die toneeldirecteuren. Veelbelovende talenten, zo leken zij te vinden, leren het vak door een lange weg van onder naar boven te kruipen, niet middels stormachtige eendagsvliegen. Ook grote talenten moesten in die dagen niet te veel kapsones hebben. Toen Erik Vos, die in 1969 al een hoop allemachtig prachtig toneel had gemaakt, sollicitatiebrieven schreef naar alle toneeldirecteuren, kreeg-ie van niemand antwoord. Hij is naar Amerika vertrokken.
Ik moest eraan denken toen ik wat toneelplannen voor 2009-2010 doorbladerde. Een vraag die in de afgelopen twintig van de veertig seizoenen die sinds de Actie Tomaat zijn verstreken vaak werd gesteld luidt: hoe lang blijf je in het Nederlandse toneel veelbelovend? Antwoord: lang. Arie de Mol (1961) is een mooi voorbeeld. Na zijn afstuderen als regisseur heeft hij ruim achttien jaar een eigen groep gehad waarvan de kiemcel al op de regieopleiding lag: Els Inc. Hij hield zich dapper staande met aan elkaar gebreide, vaak karige middelen. En hij ontwikkelde als regisseur een eigen schriftuur, aan de hand van weinig gespeelde toneelteksten, die hij en de zijnen met een opgeruimd hoofd herlazen en opnieuw interpreteerden: Horvath, O’Neill, Heijermans, Dürrenmatt, Rijnders, Brecht. Nu is-ie mededirecteur van het uit de as van Het Vervolg herrezen ensemble Toneelgroep Maastricht. In oktober opent Arie de Mol zijn eerste artistiek leiderschap bij een structureel gesubsidieerde club met een minder bekend stuk van Henrik Ibsen, Vijand van het volk (1883), een scherpe vertelling over koopmansgeest en geweten. De Mol heeft zich als theatermaker altijd op een onnadrukkelijke wijze beziggehouden met de vraag hoe ‘het gemaakte zich in zijn tijd laat verstaan’ (Ritsaert ten Cate), modes, hypes en trends gleden van hem af als water langs de veren van een zwaan, zijn voorbeelden vond-ie in het Berlijn van nét na de Wiedervereinigung, bij de Volksbühne van Castorf en Pollesch. En het is toeval, of noem het een historische knipoog van de achterwaarts vooruitblikkende toneelactualiteit, dat De Mol voor zijn Maastrichtse aftrap hetzelfde stuk kiest dat Koos Terpstra in 1994 koos voor zijn poging om te laten zien hoe je met de speelmiddelen van de kleine zaal ook het grote podium van de schouwburg kunt veroveren.
De geschiedenis herhaalt zich niet.