Bill Clintons wereldtoneel

Acrobaat en boeienkoning

In de jaren negentig veranderde de Amerikaanse politiek in «infotainment». Besefte Bill Clinton dat hij in een volstrekt andere wereld aan de slag moest?

Bill Clinton: de geest van de jaren negentig geconcentreerd in één mens; iemand die bovendien acht jaar de machtigste man van de wereld is geweest. Beter, eenvoudiger, exemplarischer dan met hem had de geschiedenis het niet kunnen treffen. Eerst de grote plannen tot vernieuwing, de ontdekking van de almachtige economie, de vrolijke openbare slordigheid, het akkoordje met de moraal, de tactiek en de onbeschaamde compromissen. Dan de energie, de wil tot overleven, het geloof in zijn eigen on waarschijnlijke improvisatietalent waarmee hij de onafwendbaar lijkende ondergang voorkomt. De toenemende haat van zijn vijanden. En ondanks dit alles een paar grote politieke beslissingen die overigens, door al het begeleidend tumult, een flinke vertraging hebben opgelopen.

Zie de jaren van Clinton als een uniek afgerond bedrijf op het wereldtoneel. In het centrum zien we deze presidentiële performer, combinatie van jongleur, acrobaat en boeienkoning, op een zeer hoge fiets met één wiel. Op de grond huilt en gromt het roedel van de wolven. Op de eerste rijen en in de loges links zit het publiek geboeid te kijken terwijl het steeds meer popcorn en cola verorbert. In de loges rechts wordt onophoudelijk met rotte eieren naar de artiest gegooid. Intussen spelen zich in het schemer achter in de zaal bloedige vechtpartijen af. Van tijd tot tijd slaan de zaalwachten erop los, ambulancepersoneel voert doden en gewonden af. Maar de voorstelling gaat door. Acht jaar een wereldnummer, met in de hoofdrol de come-back kid, de held van het decennium.

Aan zijn eerste overwinning was een smerige campagne voorafgegaan. In het begin leek het dat George Bush sr., overwinnaar van de Golfoorlog, niet zou kunnen verliezen. Want wie was Bill Clinton? De onbekende gouverneur van die niet zo legendarische staat Arkansas. Bovendien was deze kandidaat zijn campagne met een paar zware handicaps begonnen. Hij had zich wat al te handig onttrokken aan het vervullen van zijn dienstplicht in Vietnam. Uit de coulissen was de eerste van de vele dames te voorschijn gekomen: Gennifer Flowers die probeerde om, onder andere via het alleropenbaarste medium Penthouse een rekening met hem te vereffenen. Die man viel niet te vertrouwen. Dat was de character issue. En dan hadden we Hillary, door alles wat conservatief en man was gehaat als de rode haaibaai.

Bush sr. maakte fatale fouten. Hij zou de family values in ere herstellen. It’s the economy, stupid! zei Clinton. De economie was van groter belang dan het karakter van Bill. En Bush bracht een negatieve erfenis mee: een verstikkende sfeer van dull behoudendheid, grijze zelfvoldaanheid, het gebrek aan uitzicht dat hij in zijn vier jaar de natie had voorgehouden.

Clinton had bij al zijn breed uitgemeten fouten een paar eigenschappen die de concurrentie ontbeerde: het aanstekelijke optimisme en de magie van de volkstribuun. Je moet het ervaren om het te begrijpen. Ik had hem op de Democratische Conventie gehoord en gezien, mijn twijfels gehad. De manier waarop hij op zijn onderlip beet, de vaste nummers in zijn retoriek, ja, het is wel verklaarbaar dat de character issue een rol heeft gespeeld. Maar die man had en heeft een onverwoestbare monterheid. Het gebeurt niet vaak dat ik me gewonnen geef, zeker niet bij een politicus. Toen wel.

Tegen het einde van de campagne heeft Bush zijn fout gemaakt. Hij had al het gezicht van de verliezer, hij begon te schelden. Een bozo noemde hij zijn tegenstander. De vroegste exit polls op 4 november meldden dat Clinton 43 procent had, Bush 38 en Perot 18. De winnaar staat op het podium, blaast omringd door amateur saxofoonspelers op zijn eigen instrument. De menigte zingt: Old times are gone. In het hoofdartikel van die ochtend schrijft The New York Times: «Een onbekende underdog, besmeurd en gekwetst in de campagne vanaf het eerste begin, heeft zichzelf met waardigheid verdedigd. En met een veelbelovend, zelfs inspirerend programma heeft hij volgehouden, en gewonnen.»

In november 1992 waren Bill en Hillary meer dan overwinnaars. Ze waren bevrijders. De jaren negentig waren definitief begonnen.

Van The New York Times, 4 november 1992, heb ik een extra exemplaar gekocht en dat zuinig bewaard, «voor later». Op 14 juli 2002 werd deze krant voor het eerst opengeslagen. Alsof ik de grafkamer van een piramide betrad. Ik begon te lezen. In Duitsland worden het volgend jaar vijfhonderdduizend asielzoekers verwacht. Op initiatief van Shimon Peres, minister van Buitenlandse Zaken, zullen Arabieren tot de Israëlische buitenlandse dienst worden toegelaten. In de dierentuin van Sarajevo is de laatste beer van honger gestorven. Servische sluipschutters maken het de oppassers onmogelijk de dieren te voederen. De stad wordt nu tweehonderd dagen belegerd. In Belgrado trekt Slobodan Milosovic aan de touwtjes.

Tussen 1989 en 1991 maakt de wereld zich los uit de verstarring. Het Sovjet-blok valt uit elkaar; de interne politieke discipline van de ideologie en de gedwongen economische samenhang verdwijnen. Veel naties in de Derde Wereld verliezen de macht die ze ontleenden aan hun positie tussen de blokken. Ook in het Westen, en dan voornamelijk in Amerika, wordt de ideologische balans opgemaakt. Dat is vlug gedaan. De vrije democratieën hebben het gewonnen, dankzij de politieke en niet minder de economische vrijheid van de markt. Samengevat is dit: het gelijk van rechts. Einde van de linkse maakbaarheid. Daar staat de nieuwe president voor zijn eerste probleem.

Na iedere grote oorlog beschikt de overwinnaar over het lot van de verliezer. Na de Eerste Wereldoorlog kreeg die uiterste zeggenschap vorm in het vredesverdrag van Versailles. Na de Tweede in het Marshallplan en het opnemen van de Bondsrepubliek in de Navo. Harry Truman, George Marshall en Dean Acheson zijn de grote staatslieden die toen de westelijke wereld hebben gemaakt. In de nadagen van de Koude Oorlog vroegen strategische denkers zich nog af hoe de Sovjet-Unie een soft landing kon worden geboden. Daarvoor heeft Gorbatsjov gezorgd. Na het diffuse slot van de wereldworsteling drong de noodzaak van een plan tot rehabilitatie zich niet meer op. In Amerika ontstond in kringen van liberals nog wel een debat over de bestemming van het vredesdividend — de miljarden die vrij zouden komen nu de bewapeningswedloop was afgelopen. Maar toen de Sovjet-Unie haar doodsstrijd met relatief gering gevaar voor de toekijkende wereld volbracht, had een ontwerp voor de reclassering van de overwonnenen geen urgentie. Het debat over het vredesdividend eindigde in het niets. Rusland kreeg wel kredieten, maar moest verder zelf uitzoeken hoe het zich aan de vrije markt zou aanpassen.

En dan was er het militaire debat. Bij gebrek aan tegenstanders zou de Navo de behoefte hebben aan een nieuw vijandbeeld om de samenhang te bewaren. Al vlug werd in deze behoefte voorzien door Saddam Hoessein, maar niet op een manier die de gezondheid van de Navo bevorderde. Dat werd door Bush sr. begrepen. Hij stichtte de Nieuwe Wereldorde, maar hij was te vroeg, en nu weet zijn zoon niet hoe hij het moet aanpakken. In de jaren negentig heeft Saddam zich betrekkelijk koest gehouden.

Heeft Clinton beseft dat hij — nog meer de machtigste man ter wereld dan al zijn voorgangers — in een volstrekt andere wereld aan de slag moest? Had hij de middelen binnen zijn bereik om het proces te sturen? En kon hij daarover beschikken? Wat moet iemand die van huis uit een liberal is als nieuwe president in een land dat in wezen overheersend conservatief is? En dit in volle vredestijd, op het ogenblik dat alle formidabele krachten van de vrije markt zich wapenen voor de nieuwe opmars over de hele aarde? Alle oude blauwdrukken voor de maakbaarheid waren onbruikbaar geworden. Denkers die aan iets nieuws ten behoeve van de reconstructie na de Koude Oorlog werkten, hadden zich niet aangediend. Meer dan een reeks van improvisaties viel ook van iemand die de machtigste middelen tot zijn beschikking had, niet te verwachten. Zijn twee ambtstermijnen hangen van improvisaties aan elkaar.

Bovenal worden de twee termijnen van Clinton gekenmerkt door de gestaag toenemende economische voorspoed die zich in de loop van zijn bewindsjaren in het Westen ontwikkelt tot de culturele revoluties van de mondialisering en het consumentisme. (In het Westen werd een paar jaar geleden nog in ruime kring verondersteld dat dit een twee-eenheid was. Een geweldige vergissing, weten we nu.) De naties van het Westen depolitiseerden, de politiek werd voornamelijk als dienstbaar aan de economie beschouwd, en in Amerika werd het big government zo veel mogelijk teruggebracht, ontbonden ten behoeve van kleinere nachtwakeroverheden. De depolitisering van de jaren negentig is voor een deel schijn. De politiek keerde terug in een andere vorm, als infotainment, personality show, permanente gerichte one issue-campagnes waarvan strategie en tactiek waren gebaseerd op permanente politieke marketing. In dit nieuwe complex geldt één wet onverbiddelijk: het schandaal is de hoogste vorm van infotainment; het schandaal is dynamiet.

Zo komen we via Paula Jones vanzelf bij Monica Lewinsky en de onafhankelijke aanklager Kenneth Starr. Hoe langer het geleden is, hoe ongelooflijker het wordt. Werkelijk alles had Bill kunnen voorspellen: de onvermijdelijke ontdekking van de verhouding, de uitzinnige vreugde bij zijn vijanden, hun niet aflatende pogingen om het tot de openbare executie van het impeachment te laten komen, en hoe dat drama een jaar lang verlammend op alle Amerikaanse politiek, de buitenlandse en de binnenlandse, heeft gewerkt.

Het wonder is dat dit alles hem op het ogenblik zelf, als hij met Monica alleen in het Oval Office was, niets heeft kunnen schelen. Hij heeft nauwkeurig beantwoord aan het signalement dat Louis Fernand Céline van Napoleon en andere grote staatslieden heeft gegeven: «Waar denken ze aan? Aan hun piemel. In de wieg, in het café, op de troon, op de wc! Overal! Overal! Napoleon of geen Napoleon. Eerst de piemel!» (Reis naar het einde van de nacht). Ach, Bill Clinton! Hij heeft veel goeds gedaan, hij blijft een aardige man, hij heeft de economische groei bevorderd. Hij heeft de wereld laten zien wat fun is, op een andere manier dan hij op 4 november 1992 had gedacht. Onrechtvaardig mag het zijn, maar hij gaat de geschiedenis in, onafscheidelijk van Monica: als de held van zijn tijdvak. Dat van het Hier! Nu! Veel! En lekker!