Klassieke muziek: NSO

Action painting

Ja, de Sacre du printemps. In 1913, toen Stravinsky’s ballet het Parijse Théâtre des Champs-Elysées op z’n kop zette, was zijn magistraal brute verbeelding van een heidens offerritueel nog een keerpunt in de muziekgeschiedenis. Nooit eerder en misschien nooit weer reisde een componist zo ver de toekomst in. Schönberg bleef op zijn kruisweg naar de atonaliteit en dodecafonie trouw aan een romantische gestiek, de naoorlogse serialiteit bleef op een nog geavanceerder plan uiteindelijk toch horig aan een opvatting van ambacht die Stravinsky in één klap van tafel veegde.

Alles was nieuw aan de muziek. De verzelfstandiging van het ritme. De totale breuk met romantische klankschoonheid. De graad van verwildering. Muziek van knallen, scheuren, stampen, slopen, sterven. Een grootse, extatische les in een verdrongen lichamelijkheid, waar de verheven tijd aan toe was zoals hij volgens Kandinsky rijp was voor een oorlog.

Revoluties gaan de weg van alle vlees. Hun krachttaal went, ze worden oud, worden geschiedenis en eindigen als canon. De Sacre werd het comfortabele moderniteitsbewijs voor maestro’s die hun twintigste eeuw normaal gesproken laten ophouden waar hij voor de nieuwe wereld pas begint. Gebleven is de duivelse belasting voor de spelers.

Het is nog steeds geen materiaal voor een ad hoc-orkest, al zit dat bij het Nederlands Studenten Orkest vol meervoudig begaafde studenten mathematische fysica, wis- en natuurkunde. Anderzijds heeft de primitiviteit van de muziek misschien juist baat bij minder ervaren spelers. Waar elk beroepsorkest vandaag de dag de Sacre uit de losse pols lijkt weg te spelen, zullen ook de meest getalenteerde amateurs nog voor de gewelddadige materie moeten vechten. En wellicht kan de hoorbare fysieke inspanning als een extra element van strijd iets van de ontwrichtende ervaring van meer dan een eeuw geleden terugbrengen.

De overweging geeft al aan wat je van het Nederlands Studenten Orkest onder Manoj Kamps verwacht: een pyrrusoverwinning op het ondoenlijke. Maar het speelt – ik zag ze in Groningen – Stravinsky met opmerkelijke autoriteit en panache. Halverwege de inmiddels 68ste tournee van het eeuwig jeugdige gelegenheidsorkest tref ik een overrompelend goed ingereden corpus, waarvan de koperblazers in de pauze nog wat bottlenecks in hun partijen doornemen – wat een ethos! Mooi programma trouwens rond het thema extase; de fysieke van Stravinsky naast de spiritueel-erotische van ‘Vorspiel’ en ‘Liebestod’ uit Wagners Tristan und Isolde, gevolgd door de première van Rick van Veldhuizens unde imber et ignes voor sopraan en orkest, een helle, exuberante partituur die zeer uitnodigend gebiedt tot nadere verdieping in de maker.

Wordt vervolgd – je kwam toch voor de vraag wat een hoog aangeschreven jonge dirigent zou maken van de Stravinsky-hoeksteen in het grote repertoire. Dat het zo goed zou worden had ik niet gedacht. Kamps gaat voor de herbeleving van de oerervaring. Het bliksemde en jaagde, vrat en zweerde ruig bewogen maar glashelder, een merkwaardige synthese van action painting en fijnschilderij. Er is heus meer talent, maar deze lezing was het indrukwekkende bewijs dat symfonieorkesten Kamps zo spoedig mogelijk voor de prestigestukken moeten vragen, voordat hij vertrekt naar landen waar het wel kan.


Op tournee t/m 23 februari, nso.nl