Het politieke testament van Marianne Thieme

Activist in de Kamer

Marianne Thieme, medeoprichter van de Partij voor de Dieren, vertrekt na dertien jaar uit de Tweede Kamer. Haar doel was om te ontregelen en de macht uit te dagen. Maar ook om te laten zien dat je als idealist niet alleen in zak en as hoeft te zitten omdat de wereld er niet uitziet zoals jij zou willen.

Marianne Thieme, 23 september © Jeroen Moerdijk

De jurk die de fractieleider van de Partij voor de Dieren droeg op de derde dinsdag was ook de Margriet in het oog gesprongen. ‘Marianne Thieme steelt de show op Prinsjesdag’, kopte het blad dat zich ‘het leukste vrouwentijdschrift van Nederland’ noemt. De couturier Achmed Oso (Syrië, 1979) uit Oegstgeest maakte voor Thieme een donkergroene jurk van fluweel, bezaaid met geborduurde vlinders, bijen, lieveheersbeestjes, torren. Prachtig om te zien, maar ook bedoeld om het grote sterven onder de insecten onder de publieke aandacht te brengen.

Zoals op elke Prinsjesdag die zij bijwoonde in de dertien jaar dat zij in de Tweede Kamer zat – ze trad in november 2006 aan – wilde Thieme met haar kledingkeuze stellingnemen. Op haar ceintuur was een campagneslogan van haar partij gestikt, in goudkleurige kapitalen: ‘Alle kleine beestjes helpen.’ Insecten zijn essentieel voor het leven op aarde, luidt de achterliggende boodschap, als schakel in de voedselketen en ook vanwege hun onmisbare rol in de kringloop die de voortbrenging van voedingsgewassen mogelijk maakt. De mens stoot zich op den duur dus zijn eigen voedsel uit de mond, door met de vernietiging van natuur insecten het leven onmogelijk te maken.

Ik las ook wel ironie in de nieuwe slogan: hij scheelt maar één lettertje met ‘alle kleine beetjes helpen’. Als er nu één groepering is die geen geduld lijkt te kunnen opbrengen met partijen die geloven in de politiek van kleine beetjes, dan is het de partij van Thieme. Dat zal ik haar later in het gesprek voorhouden. Eerst vertel ik haar van een persoonlijke ervaring met het sterven van insecten.

Sinds veertig jaar kom ik elke zomer in de Provence, waar je op zonnige dagen overal in de natuur wordt begeleid door het gesjirp van cigales, een grote krekelsoort. Maar dit jaar niet. Tijdens wandelingen langs de Montagne Sainte-Victoire realiseerde ik me ineens: het is hier doodstil. Geen cigale te horen. Dat is een louter subjectieve waarneming, van iemand die van insecten geen enkel verstand heeft, maar Thieme bevestigt mijn vermoeden dat hier iets ernstigs aan de hand kan zijn.

‘Die cigales zijn waarschijnlijk dood’, zegt ze. ‘Kapotgespoten. In de Provence heb je veel lavendelkwekerijen en wijngaarden, velden met een monocultuur. De grond daar wordt steeds minder weerbaar tegen besmettingen en plagen. De boeren pakken daarom de pesticidespuit, met als gevolg dat alles wordt doodgespoten, óók de soorten die de gewassen bestuiven, óók de krekels. Dus dat jij in een ijzingwekkend stil landschap loopt, dat heeft alles te maken met de grootschalige wijze waarop wij onze bloemen, ons voedsel produceren. Zolang dat nog mogelijk is, dan. We weten nog veel niet over de bijdrage van insecten aan het ecosysteem, maar wel dat zij in hun bestuivende rol onmisbaar zijn in de voedselproductie.’

Heeft u ook zo’n persoonlijke ervaring met landschapspijn? Zo’n moment waarop u zich ineens realiseerde: Verrek, dit hoort niet.

‘Wat mij opvalt is dat je in Amsterdam soms meer vogels hoort dan buiten de stad, waar het inderdaad doodstil kan zijn. Dat is toch van de gekke! En toch kan dat kloppen: in Nederland is er nog maar vijftien procent over van de soortenrijkdom die we een eeuw geleden nog hadden. De natuur wordt leeggeschoten door jagers en lijdt onder de uitstoot van ammoniak, stikstof en fijnstof door de veehouderij. Het dierenrijk wordt overvleugeld door het mensendom.’

Wat is hier het gekke?

‘Dat wij, mensen, denken dat de natuur er ten dienste van ons is. Waarom heten wij Partij voor de Dieren? Omdat die naam mensen prikkelt om voorbij hun eigen soortbelang te denken. De ongemakkelijke waarheid is dat we dat menscentrale denken moeten afleren; het denken waarin het ecosysteem een consumptie- en productiemiddel is dat mensen onbeperkt voor zichzelf kunnen aanwenden. In ons wereldbeeld heeft de natuur een eigen waarde, los van haar nut voor de mensen.

We leven simpelweg op te grote voet: we souperen de natuur nu sneller op dan de aarde ons terug kan geven. Het Wereld Natuur Fonds heeft berekend dat er drie tot vier aardbollen nodig zouden zijn als iedereen op de wereld op het westerse consumptieniveau zou willen komen. In feite stelen we van toekomstige generaties en bouwen we een steeds grotere ecologische schuld op, waarvan we de betaling voor ons uit schuiven.’

De bio-industrie is de speerpunt van het verzet van de Partij voor de Dieren. ‘Een vegetariër in een Hummer is milieuvriendelijker dan een vleeseter in een Toyota Prius’, zei Thieme eens over de inbreuk van die industrie op het milieu, en ze eindigt elk Kamerdebat met een variatie op Cato: ‘Voorts ben ik van mening dat er een einde moet komen aan de bio-industrie.’

In de voedselproductie ziet u alles terug wat volgens u fout zit in de verhouding tussen mensen en dieren.

‘De gruwelijke lotgevallen van het dier in ons voedselsysteem drukken ons met de neus op de feiten: dit gebeurt er als mensen de natuur als een nutsproduct zien. Dat systeem is uitbuitend, vervreemdend, ontwrichtend. Wie door de weilanden fietst, waant zich in het groen, maar rijdt in feite door een armzalige raaigraswoestijn. Jaarlijks worden in Nederland 650 miljoen dieren geslacht, het overgrote deel voor de export. Een ontstellend getal. Steeds meer dieren verbranden levend bij stalbranden, dit jaar tot nu al 176.000: net zoveel als Nijmegen aan inwoners heeft. Niet zo gek als je je bedenkt dat brandveiligheid van stallen aan dezelfde eisen moet voldoen als opslagruimtes voor wc-rollen. Ten opzichte van het aantal mensen telt de veestapel in dit land een veelvoud aan dieren. Die bio-industrie is voor mensen ook een bron van ziektes, alleen al door al het fijnstof dat zij de lucht inblaast.’

In het debat over Troonrede en Miljoenennota wees u op het ‘verdienmodel van de bv Nederland’ als een van de oorzaken.

‘Een paar voorbeelden. De inkt van het Klimaatakkoord was nog niet droog of het kabinet gaf toestemming voor verdere uitbreiding van Schiphol. Intussen zei minister Van Nieuwenhuizen tegen omwonenden dat ze niet op hulp konden rekenen als ze zouden blijven eisen dat de luchthaven niet meer groeit. Een soort chantage, eigenlijk. Het kabinet probeert ook koste wat het kost de opening van vliegveld Lelystad voor vakantievluchten door te drukken. Het weigert terug te komen op zijn instemming met het Europese vrijhandelsverdrag met het Brazilië van Jair Bolsonaro, waar regenwoud moet plaatsmaken voor nóg meer maïs- en sojaplantages – mede om onze landbouwdieren te kunnen voeden. Brazilië krijgt een vrijbrief om het Amazonewoud verder plat te branden omdat Duitsland meer Volkswagens naar dat land wil exporteren, daar komt dat verdrag op neer.’

Het kabinet kwam wel meteen in actie toen de Raad van State de sluiproute illegaal verklaarde waarmee de overheid de uitstoot van stikstof in kwetsbare gebieden mogelijk maakte. Het legde bouwprojecten stil, vroeg de commissie-Remkes om suggesties voor maatregelen. Remkes adviseert nu een lagere maximumsnelheid en inkrimping van de veestapel.

‘De overheid heeft de stikstofcrisis volledig aan zichzelf te wijten. Jarenlang heeft zij welbewust de natuurbeschermingswetten overtreden, om zo ruim baan te geven aan het bedrijfsleven en dan vooral aan de veehouderij. Het is toch de wereld op z’n kop dat burgers naar de rechter moesten stappen om de staat zich aan zijn eigen wetten te laten houden, en dat niet voor het eerst: Urgenda riep eerder al met succes de hulp van de rechter in om de overheid te verplichten zich aan haar eigen klimaatdoelen te houden. Naar mijn idee heeft Remkes’ advies enkel als doel om zo snel mogelijk uit de bouwimpasse te komen die door de uitspraak van de Raad van State is ontstaan. Wie de samenhang ziet tussen alle crises die ons ecosysteem treffen en ook volksgezondheid en dierenwelzijn meeweegt, weet dat veel drastischer maatregelen nodig zijn dan Remkes adviseert. Het is de hoogste tijd voor een forse krimp van de veestapel.’

U wees in het debat na Prinsjesdag ook op de houtkap door Staatsbosbeheer als voorbeeld van wangedrag door de overheid.

‘Ik denk dat andere Kamerleden oprecht, net als ik, willen dat de wereld mooier wordt en dat ook op hun manier nastreven. Maar er is no time to waste’

‘Veel mensen hebben dit voorjaar gezien hoe Staatsbosbeheer met groot materieel door de bossen ging om bomen te kappen, onder meer als brandstof voor biomassacentrales. Dat noemen ze dan “groene energie”. Overal het geluid van gezaag in die bossen, zelfs in de broedtijd. Staatsbosbeheer heeft toegegeven dat het ze om het rendement gaat dat bosbouw oplevert: ze moeten meer zelf gaan verdienen sinds ze vanaf 2010, na het aantreden van het kabinet-Rutte I, door opeenvolgende bezuinigingen zijn getroffen. Dat dictaat van het rendement heeft ook zijn weerslag op het jargon. Natuur heet nu “natuurlijk kapitaal”.

Je ziet dat verschijnsel overal waar het winstmotief de publieke dienst binnendringt. In ons economisch systeem worden allerlei zaken die vroeger een eigen, intrinsieke waarde hadden louter een productiemiddel: dieren, natuur en ook mensen. Zij zijn nu “menselijk kapitaal”, dat we exploiteren vanwege de arbeid die het levert. Dat is de pest met die rendementsziekte die zich in allerlei sectoren heeft genesteld sinds het neoliberale denken dominant is geworden.’

Den Haag, 2007. Met vilten vossenkraag protesteert Marianne Thieme tegen de bonten vossenkraag die CDA-minister Maria van der Hoeven droeg bij de kabinetspresentatie. © Koen Suyk / ANP

In de visie van Marianne Thieme heeft een verhoogd bewustzijn van de relatie die mensen met dieren onderhouden consequenties voor de omgang met anderen, ook met mensen die jou vreemd zijn, die je niet kunt verstaan, maar waar geen enkel rationeel argument voor bestaat om ze als je minderen te behandelen. Een respectvolle omgang met dieren, schrijft zij in haar boek Groeiend verzet, verhoogt het bewustzijn van waarden die ook in menselijke relaties van belang zijn, zoals inlevingsvermogen en mededogen.

‘Van links tot rechts krijgen wij het verwijt van soortverraad’, zegt ze, ‘tot vervelens toe, hoe vaak we ook zeggen dat wij dieren geen mensenrechten willen geven, maar het recht om naar hun eigen aard te leven. Dat dieren van mensen verschillen betekent niet dat ze minder waard zijn. Een wereld waarin de dieren net zozeer bestaansrecht hebben als mensen stimuleert ook mensen om respectvol met elkaar te leven. Dat is een van de redenen dat ik telkens maar weer begin over de noodzaak om dieren rechten toe te kennen, los van het nut die zij voor ons hebben, want je kunt niet hopen op een fatsoenlijke samenleving als je onschuldige wezens behandelt alsof je volledig over ze mag beschikken.’

Schetst u die dierenrechten eens.

‘Tot die rechten behoort dat het gebruik van dieren voor vermaak, experimenten, kleding en voedsel is afgezworen. In een samenleving waarin die rechten gelden is het nuttigen van louter plantaardige maaltijden net zo gewoon als slapen en ademhalen. Zo’n radicaal ander voedselpatroon zonder dierlijke eiwitten levert, ook in de letterlijke zin, veel ruimte op om de natuur zijn gang te laten gaan: de helft van het akkerbouwareaal in de wereld is nu bestemd voor veevoer. Als we daar mee ophouden, kunnen we dat land gebruiken voor voedselgewassen voor de mens of het teruggeven aan de natuur. Dan zijn we ook niet meer zo’n bedreiging voor het ecosysteem.’

Uw stelling is dat de exploitatie van dieren onlosmakelijk is verbonden met een economisch systeem waarin alles is gericht op een steeds grotere productie en consumptie. ‘Groei is een onhoudbaar concept op een wereldbol die niet meegroeit’, schreef u.

‘Het is een vervreemdend, ontmenselijkt systeem waarbinnen de bio-industrie opereert, maar ik wil graag dit aan de mensen meegeven: dat systeem is geen natuurverschijnsel, jij hebt wilsvrijheid en kunt dus ook andere keuzes maken. Keuzes die niet alleen voor jezelf prettig zijn, maar ook voor andere mensen, voor de dieren, voor de leefomgeving. Je zal de samenleving zich zien ontspannen als we uit de ratrace stappen en we ons niet meer wijs laten maken dat meer produceren, meer consumeren, harder werken ons gelukkiger maakt. Je kunt al heel klein beginnen, door vegetariër of veganist te worden.’

Even generaliserend: mensen zijn zozeer overtuigd van de superioriteit van hun rede dat ze denken meester te zijn over alles. Dat heeft ze hoogmoedig gemaakt: ze denken alles wat fout gaat wel weer te kunnen herstellen.

‘We hebben onszelf als het ware buiten het ecosysteem geplaatst, door ons een soort macht over de natuur toe te kennen. We kunnen alles calculeren en dus alles beheersen, denken we. In die hoogmoed zijn we de natuur gaan behandelen als een extractiebron: we kunnen er veel uithalen en hoeven er niet zoveel in terug te stoppen. We dumpen er eigenlijk alleen de rotzooi in die we zelf maken. Mestoverschotten, CO2, stikstof. Wij gaan er prat op dat wij de meest intelligente soort op aarde zijn, maar waarom gebruiken we dat verstand dan ook ten nadele van onszelf en ten nadele van de aarde? We zouden nederiger moeten zijn, bescheidener over de macht van de rede.’

Waarom bundelt u de krachten niet met GroenLinks? Inhoudelijk verschillen jullie toch niet zoveel van elkaar?

‘Dat haal je de koekoek! Het grote verschil is dat GroenLinks voor onze leefomgeving opkomt, ongetwijfeld uit ethisch besef, maar ook op basis van datzelfde denken waarin de mens centraal staat: voor hém is die schone, opgeruimde aarde nodig. Die partij heeft dan ook een ecomodernistische kijk op groei: we kunnen doorgaan met economische groei, mits die efficiënter is, we meer recyclen en voor bepaalde grond- en brandstoffen alternatieven aanwenden. Bij ons staat niet de mens maar het ecosysteem, dus onze planeet centraal, en dan ga je naar allerhande onderwerpen anders kijken dan anderen: naar de uitbuiting van mens en dier, naar de rendementsziekte, naar de groeiverslaving.’

Noemt u eens een voorbeeld.

‘Ik zie veel in die donuteconomie van de Britse econome Kate Raworth: een samenleving waarin de economie binnen een bandbreedte blijft waarvan de randen worden bepaald door een sociaal minimum en een ecologisch maximum. In mijn dertien jaar in de Kamer heb ik gezien dat steeds meer partijen dat idee gaandeweg adopteren, en dat is hoopgevend, zij het dat ze er toch nog niet zo goed raad mee weten. GroenLinks niet uitgezonderd. Dat komt doordat ze vastzitten in dat oude denken. Ze zijn politiek actief voor het linkse, socialistische ideaal, of voor het liberale of het christelijke. De Partij voor de Dieren heeft met die traditie gebroken, door ter discussie te stellen wat anderen vanzelfsprekend vinden: een hiërarchische verhouding tussen mensen en dieren, ingesleten leefpatronen en eetgewoonten, economische groei.’

Wie, zoals Marianne Thieme in Groeiend verzet, schrijft dat het haar partij gaat ‘om niet minder dan het redden van de planeet’, zal het moeilijk vinden om geduld op te brengen voor een traag democratisch bestel als het Nederlandse – en misschien ook wel met jou, als jij jouw leefstijl naar haar zin niet snel genoeg aanpast. Die gedachte bekroop me, zeg ik haar, bij het lezen van haar boek. Met een politiek van ‘kleine beetjes’ heeft Thieme niet veel op: ze karakteriseert politici die daarmee genoegen nemen als ‘bonentellers’ die niet anders doen dan het ‘herschikken van de stoelen op de Titanic’.

Tot die bonentellers rekent ze alle partijen in het spectrum van de vvd tot en met GroenLinks. Zij zijn volgens haar alle middenpartijen, waarover ze oordeelt: ‘Dat zijn ideologisch groezelige, technocratische bestuurderspartijen, besmet met de ziekte van het “compromisme”.’

Spiegelbeeldig trekt ze met dat beeld een zweem van zuiverheid rond de eigen partij op, als contrast met het gesjacher van de ‘technocratische’ politiek. Voor politici van andere partijen reserveert ze woorden die je associeert met meegaandheid en passiviteit: ‘Conformisme, technocratie, netwerken, protocollen en procedurekennis.’ Haar eigen partij daarentegen kwalificeert ze met termen die het beeld oproepen van idealisme en gedrevenheid: ‘Radicalisme, theater, idealen, eigenzinnigheid, agendering, creatieve ontregeling en provocatie.’

‘Hoe kan dat nu, Mark, dat je in 2008 zei hoe mensonterend het was hoe wij varkens stapelden? Want daarna liet je me in die strijd in de steek’

De democratie vergt dat je rekening houdt met je eigen vergissing, schreef de Amerikaanse journalist David Brooks ooit, maar van twijfel aan het eigen gelijk is bij Thieme niet veel te bespeuren. Op de vraag welke fouten zij in haar politieke bestaan heeft gemaakt, achteraf bezien, antwoordt zij met een opsomming van haar successen.

Toch doe je haar onrecht door haar in het duistere hoekje van de antidemocraten te schuiven. Haar polariserende, assertieve houding is functioneel voor de eigen positie die zij met haar partij in de Nederlandse politiek wil innemen: die van activist. ‘Ook al zitten we in de Kamer, we blijven activisten’, schrijft zij. Ze dicht zichzelf een ‘aanjagende rol’ toe, zij wil ‘ontregelen’ en de macht uitdagen. Het is logisch dat zij tegen de bestaande orde aan moet schoppen om die rol te kunnen vervullen.

Historicus Maartje Janse wees al eens op de legitimiteit van deze afwijkende positie in de politiek: ‘Wie stelt dat dit geen “echte politiek” is, omdat dat daarvan pas sprake zou zijn als er wordt onderhandeld, verabsoluteert de hedendaagse voorstelling van politiek.’ Volgens haar richt de Partij voor de Dieren zich op een andere fase in het politieke besluitvormingsproces dan de bestuurlijk georiënteerde partijen: het stadium waarin de morele verontwaardiging over een misstand ontstaat. Die andere partijen zijn, omwille van de compromisvorming, geneigd de geluiddemper te zetten op dat soort geluiden van de straat, maar Thieme’s partij brengt ze het parlement binnen. Volgens Janse vervult de Partij voor de Dieren daarmee een zinvolle politieke functie: zij houdt de andere partijen scherp.

Daarmee heeft haar partij een waardevolle functie in de politieke bewustmaking van existentiële problemen, zoals de uitputting van de aarde. Maar onwillekeurig moet ik bij haar optreden denken aan wat Hans Achterhuis over utopisten schreef: dat wie ervan overtuigd is dat alleen hij wordt bewogen door goede bedoelingen, onherroepelijk verstrikt raakt in de wil om bij anderen hun ongelijk erin te stampen.

Waarom vindt u het nodig om stelselmatig met dedain over andere politici te spreken als bonentellers zonder idealen?

‘Ziet u daar neerbuigendheid in? Dat is niet mijn houding. Ik denk dat andere Kamerleden oprecht, net als ik, willen dat de wereld mooier wordt en dat ook op hun manier nastreven. Dat wil ik bij mijn afscheid van de Kamer echt gezegd hebben. Maar ik zeg er meteen bij: over allerlei onderwerpen kun je je het permitteren lang en rustig te onderhandelen, maar over Moeder Aarde niet. We stevenen af op een ongekende ecologische crisis waarin het leven op aarde op het spel staat. Er is no time to waste.

Als miljoenen klimaatstakers in de wereld ons zeggen: zo kan het niet langer, we komen in verzet, dan is dat een wake-upcall voor partijen die al decennialang onder het mom van redelijkheid op de rem staan met slappe, vrijblijvende maatregelen. Daarom zijn aanjagers van buitenaf nodig, zoals mijn partij. Moreel superieur zijn we niet, maar we gaan wel de confrontatie aan: stop nu met dat doormodderen.’

Uw collega’s, van VVD tot GroenLinks, maken een andere keuze om invloed uit te oefenen: zij zien, waar dat mogelijk is, meer in politieke samenwerking om naar het goede toe te werken. Dat kunt u als gemodder aanvallen, maar het gaat een stap verder wanneer u hen om die reden diskwalificeert als baantjesjagers zonder geweten.

‘Zonder geweten? Dat heb ik absoluut niet gezegd; nooit, nergens.’

U schrijft in Groeiend verzet dat uw partij ‘anderen een geweten wil laten ontwikkelen’. Even verderop zelfs dat u politici ‘een geweten wilt schoppen’. Dat impliceert toch dat die politici nu geen geweten hebben?

‘Ik schrijf ook: ze schuiven hun idealen aan de kant zodra ze de macht ruiken. Daarmee wil ik toch niet beweren dat ze geen idealen hebben? Ik val andere partijen aan op hun neiging om zich aan de macht te conformeren. In het debat over Troonrede en Miljoenennota kondigde Jesse Klaver aan dat GroenLinks kapt met, in zijn woorden, scorebordpolitiek. Eerder zijn dan de rest met het stellen van schriftelijke vragen of het indienen van moties: zijn partij doet er niet meer aan mee. Mooi, natuurlijk, mijn steun heeft hij, maar de consequentie die GroenLinks en ook de pvda eraan verbinden is dat ze constructief gaan samenwerken met de coalitie, oftewel een wit voetje halen bij een kabinet dat een desastreus beleid voert. En dan heb ik het niet over kleine kwesties, dan heb ik het echt over de opwarming van de aarde. Na dat debat schreven sommige commentatoren hoe blij ze waren met de terugkeer van het politieke midden. Daar moet je helemaal niet blij mee zijn: de verbeeldingskracht, het denken in mogelijkheden verdwijnt en de politiek wordt voor de kiezers één pot nat van partijen waarvan de onderlinge verschillen nauwelijks nog zichtbaar zijn.’

De ecologische crisis wordt veroorzaakt doordat de mensen de aarde overvragen. Volgens het Global Footprint Network waren dit jaar reeds op 29 juli de grondstoffen en voedingsgewassen gebruikt die de aarde in één jaar tijd kan leveren. Dat laat zien hoe drastisch de ingrepen zullen zijn die Thieme nodig acht. ‘Revolutie is noodzakelijker dan ooit’, schrijft ze, met als doel ‘een compleet andere manier van leven’.

Is dat mogelijk zonder dwangmethodes, zonder mensen die andere levenswijze op te leggen?

‘Ik ben bijzonder hoopvol. Kijk naar de jongere generaties, de mensen die het straks van ons overnemen. Ze hebben al een heel andere levensstijl dan onze generatie, zonder dat ze daar ooit toe zijn gedwongen. Dit laten zij ons zien: je leven wordt prettiger en gezonder als je meer rekening houdt met andere levende wezens en met je medemensen. Ik geloof sterk in de goede wil van mensen, ook als van hen zoiets ingrijpends wordt gevergd als veranderingen in hun levensstijl. Ze hebben maar een paar zetjes nodig, zeker als het in hun welbegrepen eigenbelang is om dat te doen. Inspiratie helpt dan, zoals het voorbeeld dat de jongere generaties geven.’

Maar hoeveel geduld kunt u opbrengen met de democratie? Als je in de politiek zit om niet minder dan ‘het redden van de planeet’, dan zul je van een bestel als het onze, waarin de traagheid zit ingebakken, al gauw behoorlijk ongeduldig worden.

‘Konden wij ons ooit een leven zonder slavernij voorstellen? Ooit wisten we zeker dat de economie dan kapot zou gaan. Konden wij ons ooit voorstellen dat vrouwen fulltime zouden werken? Nu is dat het nieuwe normaal. Dat roken in bijzijn van anderen algemeen wordt gezien als asociaal gedrag: wie had dat twintig jaar geleden gedacht? Zo snel kan het gaan. Die slavernij is niet door een dictatuur verbannen, de vrouwenemancipatie is niet het resultaat van dwang, het rookverbod is geen dictaat van de meerderheid. Die veranderingen kwamen tot stand doordat men op een gegeven moment zei: dit is niet meer van deze tijd.’

De bewustwording dat de bio-industrie niet meer van deze tijd is: ziet u dat als uw belangrijkste verantwoordelijkheid?

‘Occupy Wall Street, de anti-kernenergiebeweging, de vrouwenbeweging, de anti-slavernijbeweging: steeds weer plantte een radicale voorloper een idee dat onstuitbaar bleek in zijn besmettelijkheid, schrijf ik in Groeiend verzet. Die mechanismes van besmetting kunnen van alles zijn: een boek, een pamflet, een toevallig opgevangen zin, het voorbeeld van een enkeling, de ophef over een activist die weigert op te staan in de bus. Of een sociale beweging die opkomt voor de rechten van het dier. Dat is een wereldwijde beweging, met in Nederland de Partij voor de Dieren als politieke tak. Dat is ook een van de redenen dat ik dertien jaar lang in de Tweede Kamer zat: ik wilde aan de mensen laten zien dat het leven nog steeds leuk is als je een idealist bent. Het is niet zo dat je dan de hele tijd in zak en as zit omdat de wereld niet is zoals jij zou willen.’

Thieme vertrekt op 8 oktober uit de Tweede Kamer. Het is anderhalf jaar voor de volgende verkiezingen, en de Partij voor de Dieren krijgt zo een kans om te werken aan haar opvolging, zegt ze. Zelf gaat ze zich intensiever bezighouden met de opbouw van een internationale politieke beweging voor de dierenrechten.

Premier Mark Rutte was een van de eersten die erover twitterden toen ze haar vertrek op zondag 29 september bekendmaakte. ‘Dertien jaar lang bewees Marianne Thieme als Kamerlid dat je op overtuiging en inhoud een politieke partij kunt bouwen’, schreef hij. ‘Ik bewaar goede herinneringen aan onze contacten in die lange periode. Groot respect voor wat zij heeft bereikt.’

In het nachtelijke uur na afloop van het debat over Troonrede en Miljoenennota, tijdens het gebruikelijke rondje handen schudden, gaf Rutte Thieme een handkus. Kon ze daar waardering voor opbrengen? ‘Zo is hij, zo doet hij. Hij is heel joviaal met mensen. Waardeer ik het? Moeilijke vraag. Laat ik zeggen dat ik de handkus in ontvangst nam omdat hij zich mede heeft ingespannen voor het verbod op wilde dieren in het circus. Maar ik zou hem nog wel eens willen vragen: Hoe kan dat nu, Mark, dat je in 2008 zei hoe mensonterend het was hoe wij varkens stapelden, dat je dat met mij eens was? Want daarna heb je me in de strijd tegen die mensonterende praktijk wel in de steek gelaten.’