Hart van Brabant #3: de Hippies van Hilvarenbeek

Activistisch absurdistisch

Corona en Q-koorts, criminele bendes, megastallen en het FvD in het provinciebestuur: Brabant staat volop in de schijnwerpers. Deze zomer verkent Ralf Bodelier zijn provincie te voet. In deel 3: de idealen die de Veulpoepers rond 1980 uitdroegen, is de realiteit van vandaag.

Romantici trekken volop de aandacht. We houden van hun hartstocht, hun grote verhalen en hun al even grote oplossingen. Veel romantische denkers en doeners koesteren radicaal rechtse opvattingen. Een van hen was de Brabantse fascistenleider Arnold Meijer die in de jaren dertig met zijn Zwart Front opereerde vanuit Oisterwijk. Over Meijer schreef ik vorige week op deze plek. Ik verknoopte hem met Thierry Baudet, een hedendaagse romanticus, wiens Forum inmiddels het Brabantse provinciebestuur heeft bereikt.

Nu zijn romantici niet specifiek links of rechts. Bij de wereld van de romantiek hoort ook de tegencultuur van de jaren zestig en een groot deel van de huidige milieubeweging. Ze kan dan ook evengoed leiden tot een radicaal linkse politiek. Nergens in Brabant leefde de romantiek eind jaren zeventig sterker dan in Hilvarenbeek.

Al wandelend van Oisterwijk naar Hilvarenbeek loop ik door koele bossen en langs mysterieuze vennen. Ik pauzeer op een achttiende-eeuwse joodse begraafplaats aan de Hondsbergselaan. Dan trek ik verder door een industrieel landbouwgebied vol regenmachines, hopeloos strijdend tegen de droogte. Vier uur later loop ik in Hilvarenbeek binnen, dorps en gemoedelijk met rond de vijftienduizend inwoners. In het chique Oisterwijk waren vorige week de terrassen nog dicht. Op het dromerige Vrijthof zitten nu weer mensen voor de cafés. Met zijn kerk, kiosk en dikke bomen ligt Hilvarenbeek er idyllisch bij.

Zo romantisch als Meijer tachtig jaar geleden opereerde vanuit Oisterwijk, zo doen de RK Veulpoepers BV dat veertig jaar later vanuit Hilvarenbeek. De Veulpoepers zijn een anarchistische feestfolkband, al noemt hun voorman Zjef Naaijkens zijn oude orkest liever ‘activistisch absurdistisch’. De Veulpoepers zijn dwars, vrolijk, opzwepend en goed voor drie langspeelplaten en één hitje, ‘D’n Egelantier’.

Muzikaal is het een heerlijke ratjetoe van pop, mediterrane melancholie en Brabantse volksmuziek. En met hun teksten keren de Poepers zich tégen het koningshuis, het CDA, de Rabobank, het kapitalisme en De Telegraaf. In ‘Telegraafgelul’ krijgt de grootste krant van het land stevig op z’n falie. ‘Het is niet waar/ Het is allemaal gelogen/ Het is niet waar/ ‘t Is enkel flauwekul/ Het is niet waar/ Het is… Telegraafgelul’. In het melancholieke ‘Terrorist’ geven ze hun ongezouten mening over het kabinet Van Agt. ‘K zuu nie gère wille wonen in zo’n land van haat en nijd/ waar de ergste Hitlerzonen ’t leven maken tot een strijd/ De wetten van de rechtstaat worden dagelijks verkracht en de daders van dit alles zijn de vrienden van Van Agt’. Nee, niet iedereen werd fan van de Poepers.

Aanvankelijk treden de Veulpoepers louter op in Brabantse dorpen, vervolgens trekken ze door Europa, van communistische feestjes in Italië tot demonstraties van stakende mijnwerkers in Engeland. Ze spelen bij protesten tegen het Zuid-Afrikaanse Apartheidsregime en de Berlijnse Muur. Eind jaren zeventig worden ze zo vaak gevraagd bij ‘aksies en maniefestasies’ dat ze een tweede orkest in het leven roepen. Dat wordt de al even strijdbare Fanfare van de Eeuwigdurende Bijstand, een harmonieorkest met een repertoire vol strijdliederen. In een omgebouwde stadsbus rijdt de Fanfare van kerncentrale naar fabrieksstaking en kraakpanden om actievoerders, demonstranten en krakers een hart onder de riem te steken.

De Veulpoepers en de Fanfare zijn meer dan orkesten. De Poepers hebben ook een politiek programma en dat leggen ze formeel vast in een heuse stichting. Ze zijn op aarde om ‘strijd te voeren tegen geestdodende middelen in het algemeen en in het bijzonder tegen het CDA, Hilversum III, ambtelijke willekeur, kapitalistische instellingen en het gebruik van kernenergie en voorts te strijden vóór het gebruik van geestverruimende middelen en het stimuleren van volksmuziek en volksfeesten.’

Het is een statuut dat veel onthult. De Veulpoepers zijn vóór wiet en volksfeesten en verder zijn ze overal tégen. Wanneer hun liedje ‘D’n Egelantier’ plots in de Top 50 belandt, weigeren ze op te treden in populaire televisieprogramma’s als Op volle toeren en Toppop. Niet alleen staan de burgerlijke omroepen hun niet aan, ook zullen de Poepers in die programma’s moeten playbacken. En wie weet wordt dan wel gesneden in hun radicale teksten. De wereld buiten Hilvarenbeek valt simpelweg niet te vertrouwen.

In 1937 marcheerden Arnold Meijer en het Zwart Front in nazi-uniform en met geschoren koppen. In 1977 dragen Zjef Naaijkens en zijn Veulpoepers ouwe tuinbroeken en lang haar. Meijer presenteerde zijn fascisme als een authentieke vorm van katholicisme; voor de Veulpoepers heeft het katholicisme al net zo afgedaan als de koning en de kazerne. De Oisterwijkse fascisten droomden van een wereld waar de Hilvarenbeekse Poepers van walgen. Zoals Zwart Front rechtsbuiten strijdt voor een zwarte samenleving, zo strijden de Veulpoepers linksbuiten voor een rode. En toch delen beide Brabantse meer dan ze zelf zouden willen. En dat is hun romantisch elan, zo noteer ik op een bankje op het Vrijthof waar ik een boek lees van Zjef Naaijkens: Zout bier in Den Egelantier.

Zwart Front én de Veulpoepers zijn tegen álles en beiden hopen ze op een radicale omwenteling. Net zo min als Zwart Front met concrete voorstellen komt, zo vind je die ook niet bij de Veulpoepers. Zoals Arnold Meijer in het diepste wantrouwen weigerde samen te werken met burgelijke partijen, zo weigert Zjef Naaijkens dat ook. Het Front ging met regelmaat op de vuist met de politie, de Poepers kregen het doorlopend aan de stok met de Mobiele Eenheid. Zoals de Nederlandse fascisten aan onderlinge ruzies ten onder gingen, zo eindigden de Veulpoepers in een vechtscheiding.

Zowel Zwart Front als de Veulpoepers hadden een enorme aantrekkingskracht op jongeren. En een van die jongeren was ik. Ja, ik beken: wanneer ik vandaag, veertig jaar later, een lp van de Poepers opzet, dan ervaar ik onverminderd de romantische aantrekkingskracht, de strijdlust, de hang naar vrijheid en het onbekommerde genot. Dan vergeet ik even dat ik me doorgaans en samen met anderen wens te richten op idealen als meer geluk, meer veiligheid, meer welvaart, meer gezondheid en beter onderwijs. Op verlichte en burgerlijke idealen, waar romantici nogal eens op neerkijken. Strijden is immers verhevener dan samenwerken, lijden edeler dan genieten, persoonlijke integriteit nobeler dan inbinden en toegeven.

De romanticus zweert bij waarden als originaliteit, echtheid, passie en opstandigheid tegen de gevestigde orde. Een diploma, een baan, een eigen huis en een auto: voor de romanticus zijn het dubieuze, simpele en zelfs verwerpelijke verlangens. En dat geldt al helemaal voor rijkdom en maatschappelijk succes: kun je zoiets wel bereiken zonder te sjoemelen en het uithalen van rattenstreken? Niet de domme, geestloze massa kent de waarheid, die is voorbehouden aan hen die strijden tegen de elite, de conventies en het grootkapitaal. Ik luister naar de lp’s Diarree en Een frisse wind en ben weer helemaal terug in 1980.

Hilvarenbeek is de basis van de Poepers. Alles begint rond 1970 met een groepje vrienden in de ‘Rommelpot’. Dat is het woonhuis van de met twaalf kinderen gezegende familie Naaijkens. Vervolgens beginnen de vrienden een eigen jongerencentrum, de Lieve Hemel, vlak achter het Vrijthof. Wanneer de Lieve Hemel in 1977 vijf jaar bestaat, organiseren de Veulpoepers op het Vrijthof een nieuw muziek- en theaterfestival: de Bikse Fiste. Bij de eerste editie hopen ze op tweeduizend bezoekers, het worden er twintigduizend. Vier edities later lopen vijftigduizend bezoekers rond en is het festival Hilvarenbeek alweer ontgroeid.

De Veulpoepers verhuizen naar Tilburg en trekken met z’n twintigen in een fors pand waar niet alleen alle inkomsten, maar ook alle T-shirts en onderbroeken worden gedeeld. Tien minuten fietsen verderop stampen ze een goedlopend café uit de grond en dopen het Den Egelantier. In een voormalige bioscoop beginnen ze met muziektheater Noorderligt, dat later uitgroeit tot poppodium 013. De Veulpoepers organiseren een kindertheater, Pielekepoep; ze openen een buttonfabriekje, vestigen het platenlabel Polypoepka en een eigen drukkerij: OKZ (Overmorgenklaarzeker?).

Eind jaren zeventig zijn de Veulpoepers overal. En dan, in de zomer van 1982, blazen ze hun alternatieve imperium plotseling op. In het Tilburgse Leijpark geven ze een afscheidsconcert. Rond de vijfendertigduizend fans komen voor het laatste naar hen luisteren. Ik ben 21 jaar oud, sta er weer tussen en laat me meenemen door de zonnige muziek, de opgewekte brutaliteit, het revolutionaire elan en van alles wat de Poepers in Brabant voor elkaar wisten te krijgen. De Fanfare van de Eeuwigdurende Bijstand gaat dan nog even door. Op Hemelvaartsdag 1984 loop ik met mijn gitaar mee in het door hen opgetrommelde Grootste Orkest Aller Tijden. Met zeventienduizend muzikanten omsingelen we legerbasis Woensdrecht onder het motto ‘Speel niet met kernwapens… Speel er tegen.’

En nu zijn de Veulpoepers allang geschiedenis. Van hun ‘activistisch absurdistisch’ imperium zijn alleen poptempel 013 en Uitgeverij OKZ nog over. In Hilvarenbeek herinnert al even weinig aan de Veulpoepers als in Oisterwijk aan Zwart Front. ‘Trefsentrum’ de Lieve Hemel waar de Poepers ooit startten, blijkt gesloopt. Het terrein aan de Holstraat wordt volgebouwd met woningen.

Vlak voor de coronacrisis ging over de Veulpoepers de documentaire De hippies van Beek in première, een prachtig tijdsbeeld van filmmaker Frank van Osch. De Brabantse bioscopen waren afgeladen, op de grote schermen brandde weer het revolutionaire vuur en weemoed hing zwaar in de zalen. Buiten, in het Brabant waar het Forum voor Democratie onderhandelde met VVD en CDA, guurde de politieke winter. Na afloop van de voorstelling benadrukte Veulpoeper Zjef Naaijkens nog eens de linkse doelstellingen van zijn band en de afstand tussen de idealen van toen en de realiteit van het ‘Schorem voor Demagogie’ vandaag.

En ik, veertig jaar verder, wellicht sadder, maar vooral toch wiser, vraag me af of de bioscoopbezoekers wel doorhebben hoe de wereld sindsdien veranderd is. Hoe Brabant en Nederland inmiddels zijn opgeschoven in de richting van de Poepers. En hoe de vriendenclub uit Hilvarenbeek in zijn romantische hartstocht daaraan heeft bijgedragen? Ook al waren de Veulpoepers overal tégen, bij honderdduizenden Brabantse jongeren zaaiden ze wel degelijk het vermoeden dat het anders moest en beter kon. Wellicht is dat wel de historische taak die voor de romantiek is weggelegd.

Zo staat het telen, produceren en roken van wiet, de enige concrete doelstelling van de stichting RK Veulpoepers BV, nog maar amper ter discussie. Elf Tilburgse coffeeshops voorzien het Hart van Brabant al jarenlang van uitstekende Nederwiet. Hilversum III, Toppop of een commercieel platenlabel zijn allang niet meer nodig om muziek te verspreiden; wie iets te bieden heeft kan zijn gang gaan op YouTube en Spotify. Buiten coronatijd waren er in Brabant nog nooit zoveel volksfeesten en volksmuziek, al heten die nu Decibel, Woo Hah! en Best Kept Secret; alle drie in Hilvarenbeek.

In Woensdrecht zijn nooit kernwapens geplaatst. Kerncentrale Dodewaard is gesloten, de Berlijnse Muur is gevallen en het Zuid-Afrikaanse apartheidsregime verdwenen. De macht van het CDA en de rechtse politieke partijen is in die veertig jaar niet gegroeid maar afgenomen. Bij de Provinciale Statenverkiezingen van 1982, het jaar waarin de Veulpoepers ter ziele gingen, wonnen in Brabant de twee rechtse partijen – CDA en VVD – nog zeventig procent van alle zetels. Bij de provinciale verkiezingen van 2019 kregen CDA, VVD, PVV en Forum samen zestig procent van de zetels. En ook al groeide de oplage van de Telegraaf sinds 1982 nog even door; rond 2000 verloor geen krant zoveel lezers als juist de verspreider van het Telegraafgelul.