Recensie

Actualiteit als toegevoegde waarde

Frederik van Eeden,
Logische Grundlage der Verständigung: niederländisch-deutsche Paralelledition = Redekunstige grondslag van verstandhouding. Ins Dt. übers. von Wilhelm H. Vieregge und H. Walter Schmitz. Hrsg., kommentiert und interpretiert von Wilhelm H. Vieregge, mit einer Einl. von Bastiaan Willink.
Steiner, 130 blz. (Zeitschrift für Dialektologie und Linguistik: Beihefte, H. 127)

Het begrip communicatie wordt gemakkelijk geassocieerd met gladde types en verkooppraatjes. We kunnen ons nauwelijks meer voorstellen dat het denken over de intermenselijke verstandhouding en de effectiviteit van de communicatie eeuwenlang vrijwel uitsluitend het werkterrein was van filosofen, literatoren en retorici.

Ruim honderd jaar geleden bracht de auteur, psychiater en sociaal hervormer Frederik van Eeden in zijn Studies: Derde reeks (1897) als een van de eersten de communicatieproblematiek als wijsgerige onderbouwing van een poëtica voor het voetlicht in zijn Redekunstige grondslag van verstandhouding. In deze studie met een omvang van nog geen tachtig pagina’s en hoofdzakelijk opgebouwd uit stellingen en bijbehorende toelichtingen formuleert hij zijn visie op kennis en communicatie met als oogmerk de noodzaak, de functie en de betekenis van poëtische taal duidelijk te maken aan hen die zich alleen door discursieve taal en logica laten overtuigen. De beoogde lezer is diegene, die «[v]astheid en duidelijkheid in dialectischen zin» verlangt, degene voor wie een automaat (lees: robot) de meest adequate reproductie van de levende mens is. Van Eeden schrijft zijn betoog dus niet voor de gevoelige en ervaren waarnemer, omdat die weet dat een automaat de mens slechts oppervlakkig en schematisch nabootst. Die waarnemer ziet méér leven in enkele krijtstrepen op papier en hij weet dat het allerhoogste in de mens alleen metaforisch, dus via beeldende taal of poëzie kan worden overgebracht.

De Redekunstige grondslag vormt in zekere zin het beginpunt van de zogenoemde signifische beweging in Nederland, die onder invloed van de wiskundige Gerrit Mannoury een eigen signifische taaldadentheorie op relativistisch-psychologische basis ontwikkelde. De beweging kende tot ver in de jaren vijftig van de vorige eeuw actieve vertegenwoordigers, die zich internationaal manifesteerden door het uitgeven van een eigen tijdschrift, het instellen van een Internationale Signifische Studiegroep en door het organiseren van Signifische Zomerconferenties, die bezocht werden door onder anderen filosofen als Karl Popper, Alfred Ayer, Arne Naes en opvoedingsdeskundigen als Jean Piaget en Maria Montessori. Voor leden van de beweging vormde Van Eedens Redekunstige grondslag, voorzover zij het al kenden, niet meer dan een markering van het beginpunt van de significa.

De wijsgerige studie kon zich pas verheugen in een hernieuwde belangstelling toen Bastiaan Willink in 1975 een heruitgave verzorgde en die voorzag van een verhelderende inleiding. Daarin onderstreepte hij terecht de bijzondere kwaliteiten van het werk en het belang ervan door de studie in een Europese context te plaatsen en in dat verband te wijzen op een aantal overeenkomsten tussen Van Eedens Redekunstige grondslag en Ludwig Wittgensteins Tractatus logico-philosophicus uit 1921.

Met de verschijning eind 2005 van de Nederlands-Duitse paralleleditie van de Redekunstige grondslag is deze belangrijke en nog altijd actuele studie beschikbaar gekomen voor een nieuw en nog groter publiek. W.H. Vieregge, emeritus hoogleraar fonologie, H.W. Schmitz, communicatiewetenschapper en auteur van het standaardwerk De Hollandse significa (1990, Habilitation uit 1995) en J. Noordegraaf, historisch taalkundige, hebben Van Eedens studie op adequate wijze in het Duits vertaald. Het notenapparaat van de Logische Grundlage der Verständigung, zoals de Redekunstige grondslag in vertaling heet, bevat belangrijke aanvullingen en toelichtingen op zowel de tekst als de context voor hen die niet of minder vertrouwd zijn met de (denk)wereld van Van Eeden. Zeker voor de buitenlandse lezer is die informatie van belang, omdat die vrijwel alleen kan beschikken over (waarschijnlijk voornamelijk oude) vertalingen van Van Eedens letterkundige werk.

Omdat de vertaling in een samenwerkingsverband tot stand gekomen is, zijn mogelijk al te particuliere interpretaties van deze complexe tekst uitgebleven. Bovendien biedt de parallelvertaling de lezer de mogelijkheid om ook zelf de kwaliteit en de juistheid van de vertaling na te gaan. Behalve een parallelvertaling van de inleiding die Willink schreef bij zijn editie van 1975 bevat de nieuwe uitgave als nawoord bewerkingen van eerdere voor het begrip van de tekst verhelderende hoofdstukken uit zowel Schmitz’ Habilitation als de afscheidsrede van Vieregge uit 2000. Een bibliografie, een zaak- en een naamregister completeren de uitgave.

Na de duidelijk neutraal-wetenschappelijke beschouwing van Schmitz onderneemt Vieregge in het tweede deel van het nawoord (vanaf 3.4) een poging om de actualiteitswaarde van een aantal van Van Eedens opvattingen aan te tonen, in het bijzonder die over poëzie, muziek en gevoelsexpressie. Daartoe confronteert hij die opvattingen, naast inzichten over de reikwijdte van de wiskunde, de ontoereikendheid van het menselijk verstand als maatstaf van alle dingen en de onmogelijkheid om absolute waarheid te definiëren, met ideeën van onder anderen Eugen Drewermann (geb. 1940). Deze Duitse rooms-katholieke theoloog kreeg vanwege zijn aanhoudende kritiek op de onmenselijke eisen die het Vaticaan volgens hem aan de gelovigen stelde, een doceerverbod opgelegd om ten slotte in 1992 uit het priesterambt te worden gezet. In zijn bespreking plaatst Vieregge bijvoorbeeld Drewermanns overtuiging dat de dichtkunst niet weg te denken is uit het bestaan van hen die bewust en vrij willen leven en dat echte dichtkunst een zeer hoge mate van kennis van de ziel vooronderstelt, naast Van Eedens romantische opvatting van de poëzie als spiegel van de ziel en als uitingsvorm van de waarlijk vrije en wijze dichterprofeet (p. 114). Vieregges aanpak levert interessante observaties op, al doet de soms al te nadrukkelijke intentie om aan te tonen dat veel van het moderne gedachtegoed al in Van Eedens Redekunstige grondslag te vinden is hier en daar geforceerd aan. Zo mag ook de vraag, opgeworpen op p. 105, of mede op basis van Van Eedens ideeën ook nu nog «mögliche Einsichten für eine sinnvolle Gestaltung des Lebens gefunden werden könnten» een interessante zijn, maar ze voegt niet zo heel veel toe aan de betekenis en het belang van de wijsgerige studie als zodanig. De Redekunstige grondslag van verstandhouding is op zichzelf een briljante, inspirerende en rijke tekst, waarin Van Eeden tal van verrassende uitspraken doet over verstandhouding, waarheid, wetenschap en het Absolute – een tekst die de lezer inspireert tot discussie en verder denken. Dat sommige ideeën nog steeds actueel zijn, kan beschouwd worden als een toegevoegde waarde van deze klassieke tekst en als een extra rechtvaardiging voor een hernieuwde kennismaking. Die is nu mogelijk geworden dankzij het uitstekende werk van Vieregge, Schmitz en Noordegraaf. * Jan Nap, verbonden aan het NWO, is bezig met het onderzoek «Mijn woorden zijn de waarheid niet» – Significa in het werk en de poëtica van Frederik van Eeden