Adalet Ağaoğlu, 23 oktober 1929 – 14 juli 2020

Het leven van de Turkse schrijfster Adalet Ağaoğlu werd getekend door het verlangen om te leven. Ze was op alle vlakken een vechter.

Op 15 juli 2020 sprak de imam van de grote Kocatepe-moskee in Ankara het dodengebed uit voor Adalet Ağaoğlu. Of de schrijfster zich haar begrafenis zo had voorgesteld is de vraag: de grande dame van de Turkse literatuur was een uitgesproken atheïst en had herhaaldelijk laten weten gecremeerd te willen worden. Het was niet de enige keer dat Adalet Ağaoğlu tegen conventies in ging. In haar lange leven heeft ze zich zelden door verwachtingen, gewoontes en geijkte meningen laten leiden, ook niet als dat haar op zware kritiek kwam te staan. Daarbij werd ze gedreven door een groot maatschappelijk verantwoordelijkheidsgevoel. De verantwoordelijkheid die een intellectueel draagt woog zwaar voor Ağaoğlu, zoals voor meer generatiegenoten, de eerste lichting ‘kinderen van de republiek’.

Ağaoğlu was betrokken bij vele politieke activiteiten, ze was medeoprichter van een toonaangevend theatergezelschap en heeft een veelzijdig literair oeuvre. Nooit schuwde ze gevoelige thema’s, of het nu ging om de rol van het leger of om een verkenning van de vrouwelijke seksualiteit.

Ze begon haar carrière met het schrijven van toneelstukken en hoorspelen. Vanaf de jaren zeventig publiceerde ze vooral romans, korte verhalen en beschouwingen. Het bekendst werd ze met haar romantrilogie Benarde tijden, waarin ze de ontwikkelingen in de Turkse maatschappij ‘op de operatietafel’ legde. Het eerste deel, Gaan liggen om te sterven, verscheen vorig jaar in het Nederlands. Aan de hand van de universitair opgeleide Aysel en de mensen om haar heen – haar conservatieve familie, haar klasgenoten in de provincie, haar gepromoveerde echtgenoot, haar linkse vrienden en studenten – schetst ze hoe politieke ontwikkelingen in de levens van individuen doorwerken. Intellectuelen, met een grote drang naar persoonlijke vrijheid en een grote maatschappelijke betrokkenheid, spelen in veel van haar werk de hoofdrol.

Voor deze roman kon Ağaoğlu volop putten uit haar eigen leven. Ze groeide op in Ankara, een provincieplaats die in rap tempo getransformeerd werd tot modelstad van de moderne natie. Ze leed honger tijdens de economische crisis die de Tweede Wereldoorlog teweegbracht, zag het fascisme en het communisme in haar land opkomen, was getuige van veranderingen op het platteland en maakte alle Turkse staatsgrepen mee. Als dochter uit een conservatief middenstandersgezin moest ze de nodige weerstand overwinnen om te kunnen studeren. Maar ze zag ook de worsteling van de generatie van haar ouders: de nieuwe republiek veranderde hun hele leven. De moderniteit waarnaar ze zich plotseling dienden te voegen botste hevig met hun tradities.

Ze maakte alle Turkse staatsgrepen mee

In die zin lijkt het werk van Adalet Ağaoğlu op wat Orhan Pamuk enkele generaties later voor de meer bemiddelde klassen zou doen. Beiden beschrijven het twintigste-eeuwse Turkije vanuit een intellectueel standpunt. Maar waar Pamuk vanuit het individu naar de samenleving kijkt, benadert Ağaoğlu het individu vanuit de maatschappij. Dat maakt de politieke lading van haar werk explicieter. Haar analyse van de ontwikkelingen in de republiek, in haar trilogie en daarna, maakt haar werk relevant, ook voor lezers van nu, en ook voor lezers buiten Turkije. Ze laat zien dat Turkije’s hedendaagse problemen, zoals de huidige polarisatie tussen seculieren en islamisten, zijn terug te voeren op dilemma’s uit de vroegste republikeinse geschiedenis, en dus veel ouder zijn dan Erdoğan.

Hoe politiek ook, Ağaoğlu werd nooit de vlaggendrager van een politieke beweging, niet in haar literaire werk en niet daarbuiten. Terwijl linkse intellectuelen in de jaren tachtig niets moesten hebben van Anatolische zakenlui (kapitalisten en ook nog van het achterlijke platteland) maakte zij een sympathieke handelaar een van haar hoofdpersonages. Ze was uitgesproken atheïst en voelde sympathie voor hoofddoekdraagsters, ze stelde zich in de jaren negentig verkiesbaar als parlementslid voor de ödp (‘Partij voor Vrijheid en Solidariteit’) en steunde Erdoğan en de akp in hun streven om de repressieve grondwet, ingevoerd door de militaire junta van 1980, te herzien, ze schreef kritisch over de spagaat waarin vrouwen door het kemalisme terechtkwamen, maar weigerde zich feminist te noemen.

Dezelfde eigenzinnigheid toonde Ağaoğlu in haar zoektocht naar nieuwe literaire vormen – en dat in een tijd dat veel van haar literaire collega’s zich liever op thematiek dan op vorm concentreerden. Vooral de weergave van tijd hield haar bezig. Haar romans zijn geschreven vanuit een epifanisch moment, een breekpunt waarin verleden, heden en toekomst van een personage samenvallen. Het mooiste voorbeeld is wellicht Gaan liggen om te sterven, waarin de getrouwde Aysel, liggend in een hotelbed, haar verleden en haar toekomst overdenkt nu ze naar bed is geweest met haar student.

Ağaoğlu’s kritische geest en haar plezier in het vinden van nieuwe vormen redden haar teksten van de dodelijke ernst die het werk van sommige van haar tijdgenoten tekent. Er valt ook te lachen. Toch schemert onder de absurdistische of ironische oppervlakte vaak radeloosheid. Veel van de intellectuelen die in haar werk figureren stappen uit het leven, of overwegen dat te doen, als verzet tegen een systeem dat geen enkele uitweg biedt. Maar, zoals Aysel het formuleert: ‘Om te kunnen sterven moet je weten dat je hebt geleefd.’ Zo is zelfs de dood een verlangen om te leven, als vrij mens in een vrije maatschappij.

Dat verlangen om te leven tekende ook de schrijfster. Na een zwaar verkeersongeluk in 1996 bleef ze reizen, tot op hoge leeftijd was ze politiek actief, haar laatste roman verscheen op haar 85ste. Adalet Ağaoğlu was op alle vlakken een vechter.