Adam

DE WERELDLITERATUUR is vergeven van de trieste lotgevallen van mannen die door het toedoen van een aanbeden vrouw in het verderf worden gestort. Shakespeare’s edelman Macbeth is van huis uit een relaxed, weinig doortastend type, tevreden met een kan bier en een gebraden kippepoot. Doch zodra hij het oor laat hangen naar de raadgevingen van zijn ambitieuze echtgenote verandert hij in een bloeddorstige bruut, een blind om zich heen slaande moordmachine die pas tot rust komt als ook zijn eigen schedelpan in stukjes is gehakt.

Bij de veel verfijndere Proust is het niet veel beter gesteld met de man-vrouwrelatie. De gracieus door het Parijse nachtleven trekkende dandy Swann ziet zijn rustieke, kunstminnende leventje in de beste salons veranderen in een solitaire demonische opiumdroom zodra hij liefde opvat voor de giechelende courtisane Odette. ‘En dan te bedenken dat ik heel mijn leven heb gegeven voor een vrouw die niet van mijn soort was’, roept de onfortuinlijke snob uit aan het eind van zijn hemelschreiende relaas. Maar dan is het natuurlijk al te laat.
Er is in de letteren echter geen grotere pechvogel aan te wijzen dan Adam, de man die naar mededelingen van de Heilige Schrift werd geschapen naar Gods evenbeeld.
ADAM, DE EERSTE man op aarde, had alles mee toen de Heer hem bij wijze van denderend slotakkoord, als kroon op de Schepping, aan het eind van de zesde dag uit stof vervaardigde en hem via de neusgaten het leven inblies. Adams leven was bedoeld als een groot feest van dolce far niente, het zalige nietsdoen. Speciaal voor hem werd er een paradijselijk rivierenlandschap gecreëerd, de hof van Eden, waar hij, vreedzaam op bladeren kauwende vegetariër, eindeloos zou kunnen hebben rondlopen, levend op goddelijk krediet zonder limiet, potverterend zonder rente in zijn eigen Club Med.
Omdat hij nu eenmaal gemaakt was naar het evenbeeld van zijn Schepper stond Adam aan het hoofd van zijn gehele omgeving - de bomen, de struiken, de dieren op het veld en de dieren in de lucht, de vissen in het water, alles was speciaal voor hem gemaakt, en hij kon er dan ook als een vorst over beschikken, zonder dat dat voor Adam aanleiding was om over te gaan tot malicieuze praktijken. Hoewel hem de vrije beschikking was gegeven over al dat leefde, trok Adam geen vogeltje een veer uit, stampte hij geen worm de grond in en deed hij geen enkele kikker aan de waterkant exploderen door deze met behulp van een rietje op te blazen.
Adam, zou men kunnen zeggen, was een nogal a-typische man. Genesis, het bijbelboek waarin Adams lotgevallen zijn vastgelegd, maakt geen enkele melding van zaken die zouden kunnen duiden op onethische praktijken van deze koning van een eenmansrijk. Er is dus geen enkele reden om aan te nemen dat de man intrinsiek ten kwade is geneigd, zoals dat heden ten dage van de kant van de feministische theologie nog steeds wordt geopperd.
Als het aan Adam had gelegen, was er nooit een eind gekomen aan dit paradijselijke bestaan. Nergens staat geschreven dat Adam het niet naar zijn zin had. Hij was een ware asceet, levend in harmonie met alles, een beetje saai misschien, maar in ieder geval ging het allemaal zonder bloedvergieten. De Heer hield dan ook innig van Adam, zo leert ons de bijbel. Ten teken van het eindeloze vertrouwen dat Adam bij zijn Schepper genoot, viel hem de eer te beurt aan alle dieren en planten een naam te mogen geven, onder welke zij voortaan door het leven zouden gaan.
DAT HET TOCH fout ging, was niet Adams schuld. Uiteindelijk was het niet hij die op het onzalige idee kwam de vrouw te scheppen. Genesis meldt nergens dat Adam zat te springen om een levensgezellin. Al steeg de temperatuur in de oriëntaalse hof van Eden - die zich volgens hedendaagse schriftgeleerden moet hebben bevonden in de contreien waar nu Saddam Hoessein de scepter zwaait - af en toe ongetwijfeld tot broeierige hoogte, nimmer stak Adam zijn verhitte roede in wat passerend pluimvee. De arme drommel wist niet eens wat seks was, dus hoe kon hij ernaar verlangen?
Al hingen de appels er in de boom van de kennis van het Goed en het Kwaad er nog zo verleidelijk bij, het kwam geen moment in Adams gedachten op het uitdrukkelijke verbod dat zijn Schepper op het plukken van die vruchten had uitgesproken, te overtreden. Hij was nu eenmaal een volgzame goedzak. Eigen initiatief kwam in zijn woordenboek niet voor.
De schepping van de vrouw was exclusief het idee van de Here God, en de onzalige gevolgen moeten Hem en Hem alleen worden aangerekend.
Op een dag zag God Adam weer eens rustig vegeteren in het paradijs, toen Hij besloot dat Adam eenzaam was en dat dat niet goed was. In Genesis (2:18) spreekt de Heer: 'Het is niet goed dat de mens alleen zij. Ik ga een hulp voor hem maken die bij hem past.’ Toen Adam zich weer eens uitstrekte voor een middagdutje trok de Goddelijke Chirurg zijn scalpel, zaagde een rib uit Adams lijf, en van dat bot schiep Hij de vrouw.
Adam - dat moet worden gezegd - was, eenmaal ontwaakt, verrukt van het gebodene. 'Toen sprak de mens: “Eindelijk been van mijn gebeente en vlees van mijn vlees!” (Genesis 2:23). De sukkel - hij wist niet wat hem te wachten stond.
KORTSTONDIG was er sprake van een idylle. 'Ze waren beiden naakt, de mens en zijn vrouw, maar ze voelden geen schaamte voor elkaar.’ (Genesis 2:25). Maar daar kwam snel een einde aan. Tal van joodse talmoedcommentatoren hebben het hoofd gebogen over de ware betekenis van het incident met de slang. Velen zien er een soort duistere freudiaanse verwijzing in, daar het serpent zich nu eenmaal uitstekend leent voor fallische symboliek.
In ieder geval had de slang weinig woorden nodig om Eva om te praten. De eerste de beste keer dat hij de vrouw benaderde, was het raak. Eva plukte de verboden vrucht, liet Adam er onder valse voorwendselen ook een hap van nemen, en ziedaar: de zondeval. Toen Adam de voetstappen van de Heer hoorde, sprong hij achter de bosjes, zich opeens schamend voor zijn naaktheid. Op die manier verried hij ook gelijk zijn nieuwe consumptiepatroon, hetgeen trouwens ook weer doet twijfelen aan de potentie van die zogeheten 'kennisboom’.
Binnen de kortste keren werden ze op gezag van de Heer door cherubijnen met vlammende zwaarden hun paradijs uitgejaagd, beroofd van hun onsterfelijkheid en van hun zalige onwetendheid, de vrouw bestraft met de helse pijnen van de barensweeën, Adam veroordeeld tot het ploeteren op het veld, te werken voor zijn brood in het zweet zijns aanschijns, in afwachting van een zekere dood, want: 'Stof gijt zij en tot stof zult gij wederkeren.’
HET WAS kortom nogal een verlies om een lullig stukje fruit. Maar ook nu valt op hoezeer Adam op stoïcijnse wijze het hoofd koel hield. In latere tijden zouden bedrogen echtgenoten hun vrouwen wel om minder met een knoet de grond in hebben geslagen.
Adam nam het allemaal opmerkelijk luchtig op. Hij bleef, ondanks de erfzonde, op en top een gentleman. Alsof hem niet genoeg ellende voor één leven was overkomen, moest Adam ook nog eens een onverkwikkelijke broederstrijd tussen zijn zoons Kaïn en Abel meemaken. Op 130-jarige leeftijd wist hij nog een zoon te verwekken, de beminnelijke Seth.
Er volgde nog veel meer kroost. Op 930-jarige leeftijd was het met Adam gedaan. Hij ging als eerstverantwoordelijke voor de Zondeval de geschiedenis in.
De schrijvers van het Nieuwe Testament willen doen geloven dat een zekere Jezus van Nazareth Adams feilen ongedaan heeft gemaakt. Wij weten ondertussen wel beter.