Adel en aanzien

Charles Joseph de Ligne
De charmeur van Europa: Memoires
Gekozen, vertaald en van een nawoord voorzien door Marijke Arijs
Meulenhoff/Manteau, 302 blz., € 29,95

Wie op een verloren avond een tijdje langs de beschikbare tv-kanalen zapt, struikelt over de programma’s die een inkijkje bieden in de wijze waarop de filthy rich hun geld en tijd stukslaan. Je ziet volstrekt uitwisselbare beelden van protserige huizen, poenerige auto’s en jetset-party’s waarop de inhoudsloze conversatie ondergeschikt is aan het feit dat je daar gezien moet worden. Het zal de kift wel zijn, maar op wie een calvinistische opvoeding heeft genoten en gewoon moet werken voor de kost komt dit alles over als hol en ijdel vermaak van oninteressante parasieten. In feite vormen de memoires van prins Charles Joseph de Ligne (1735-1814) een tweehonderd jaar oude pendant van zo’n hedendaags sterrenprogramma. Voor een groot deel bestaat dit boek uit beschrijvingen van een eindeloze reeks amoureuze avontuurtjes, ontmoetingen met de groten der aarde en tot op hoge leeftijd uitgehaalde kwajongensstreken, dit alles gelardeerd met talloze roddels. Dat het niettemin een lezenswaardig boek is, komt doordat het en passant een verrassend beeld schetst van de hoge adel tijdens het ancien régime en de reacties van deze geprivilegieerde klasse op de Franse Revolutie en de opkomst van Napoleon.

De Ligne behoorde tot de hoge adel van wat tegenwoordig België is en toen bekend stond als de Oostenrijkse Nederlanden. Als officier in het Oostenrijkse leger en bevelhebber van het Ligne-regiment diende hij onder keizerin Maria Theresia en keizer Joseph II. Hoewel hij ongeveer de helft van zijn leven in Wenen en omstreken heeft doorgebracht, sprak hij uiterst gebrekkig Duits, een in zijn ogen en oren barbaarse taal: ‘Zelfs grappen maken kun je alleen fatsoenlijk in het Frans.’ Zijn kosmopolitische positie beviel hem uitstekend: ‘Ik heb er baat bij gehad om een Duitser te zijn in Frankrijk, een halve Fransman in Oostenrijk en een Waal in het leger. In een land waar je permanent woont, daal je in aanzien.’

En aanzien, daar draaide het om in dit adellijke wereldje. Tot grote ergernis van zijn vader gaf De Ligne kapitalen uit aan kleding, paarden, vrouwen en een groot gevolg. Wanneer hij een bezoek moest brengen aan het ouderlijke slot leidde dit steevast tot ruzie. ‘Ik probeerde mijn twee in overdadig gegalonneerde roze livreien gestoken lakeien, mijn huzaren en mijn negers zo goed als ik kon te verbergen, maar elke dag liep mijn vader er wel eentje tegen het lijf.’

Als prins die van het ene bal naar het andere en van de ene maîtresse naar de andere holde, had hij totaal geen oog voor de oplopende sociale en politieke spanningen in Europa. Zijn habitat werd gevormd door de vorstelijke hoven in Versailles, Schönbrun en Weimar. Zijn ervaringen in ‘de landen van de vrijheid’ waren uitgesproken slecht: ‘In Engeland heb ik een geslachtsziekte opgelopen bij de maîtresse van een bisschop. In Venetië ben ik verkracht door de zeventigjarige moeder van de doge. In Zwitserland werd ik met stenen bekogeld (…) en in Holland ben ik toegetakeld, mishandeld en afgetuigd.’

Met een mengeling van weemoed en sarcasme zag De Ligne hoe de revolutie een einde maakte aan ‘zijn’ Europa, ‘die oude snol die geen regels meer heeft’. De parvenu Napoleon bezag hij enerzijds met abgrundtiefe minachting, terwijl hij als militair moest toegeven dat de man een geniale veldheer was. Heel scherp zag hij in dat Bonapartes rijk op drijfzand was gebouwd: ‘Hoe lang zal die lappendeken die het keizerrijk is standhouden? Eén val van zijn paard en het wordt weer een chaos.’

De Ligne’s ontmoetingen met grote namen als Voltaire, Rousseau, Casanova, Metternich, Tayllerand en Goethe zijn interessant, evenals zijn kenschetsen van de vorsten uit zijn tijd. Maar het zijn vooral de min of meer terloopse opmerkingen die een bijzonder licht op zijn tijd en milieu werpen. ‘Mijn vader hield niet van mij. Ik weet niet waarom, want we kenden elkaar niet. In die tijd was het niet in de mode om een goede vader of echtgenoot te zijn. Mijn moeder was doodsbang voor hem. Ze beviel van mij in een wijde hoepelrok en stierf een paar jaar later in hetzelfde tenue, zo groot was zijn voorliefde voor ceremonieel en uiterlijke distinctie.’ De zusters van Charles Joseph werden door hun vader in een klooster gestopt, omdat ze in zijn ogen te lelijk waren om er een bruidschat aan te verspillen.

Zelf was onze prins ook niet bepaald een modelechtgenoot en -vader. Zijn buitenechtelijke relaties en kinderen waren niet te tellen en aan zijn wettige kinderen heeft hij ook niet al te veel aandacht besteed. Over een van zijn zoons, die op jonge leeftijd overleden, schrijft hij: ‘Ik geloof dat hij vier of vijf jaar oud was. De kindermeiden maakten zoveel werk van zijn uiterlijk dat hij er een bochel van kreeg en de artsen maakten zoveel werk van zijn gezondheid dat ze hem met hun experimenten naar de andere wereld hielpen.’